Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU3745

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2012
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
11/01850
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU3745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Echtscheiding. Verzoek tot vaststelling partner- en kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/109
JWB 2012/36
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01850

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 4 november 2011

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Inleiding

1. Deze zaak - die in cassatie uitsluitend de afwijzing van de vordering tot betaling van partneralimentatie betreft - leent zich voor een verkorte conclusie nu de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2. Partijen, verder: de vrouw en de man, zijn gewezen echtgenoten. Hun huwelijk is op 29 september 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 30 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, een zoon en een dochter. De zoon verblijft bij de man en de dochter bij de vrouw.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar eigen levensonderhoud van € 1.742,- per maand vast te stellen alsmede een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter van € 380,- per maand.

De rechtbank heeft bij voornoemde beschikking de voor de dochter te betalen bijdrage, gelet op de geringe draagkracht van de man, bepaald op € 225,- per maand. Zij heeft de vordering tot betaling van partneralimentatie afgewezen wegens gebrek aan draagkracht van de man.

Bij beschikking van 18 januari 2011 heeft het gerechtshof Amsterdam - op het hoger beroep van de vrouw tegen de beslissing omtrent de kinder- en de partneralimentatie - de beschikking van de rechtbank vernietigd doch uitsluitend voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter betreft. Het hof heeft deze bijdrage bepaald op € 375,- per maand. Het hof heeft het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

3. De vrouw heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De man heeft geen verweerschrift ingediend.

Het cassatiemiddel

4. Het middel dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van het navolgende. De vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. Zie HR 19 oktober 2007, LJN BA 5803, NJ 2007, 563, rov. 3.2. Zie voorts Asser/De Boer 1*, 2010, nr. 620.

5. Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.1 in samenhang met rov. 4.5-4.7 en de vervolgens gegeven beslissing onder 5.

Het klaagt dat het hof in rov. 4.6 ten onrechte overweegt en oordeelt dat de huidige draagkracht van de man geen ruimte laat voor het opleggen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. Het voert daartoe het volgende aan. Zoals ook het hof in rov. 4.1 overweegt, hebben partijen ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over het feit dat de rente van € 388,- per maand in verband met de hypothecaire lening gevestigd op de thans door de vrouw bewoonde tweede woning van partijen te [plaats], met ingang van 1 oktober 2010 door de vrouw zal worden voldaan. Hieraan moet de conclusie worden verbonden dat de man sedert 1 oktober 2010 (meer) draagkracht heeft. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de vrouw haar aanspraak op een bijdrage voor haar eigen levensonderhoud heeft gehandhaafd. Het hof, dat overwoog dat - gelet op de ter zitting bereikte overeenstemming - de zesde grief van de vrouw geen bespreking meer behoeft voor zover deze betrekking heeft op haar stelling dat de rechtbank ten onrechte aan de zijde van de man rekening heeft gehouden met een aftrekbare hypotheekrente voor de woning te [plaats], miskent dat de zesde grief betrekking had op de draagkracht van de man doordat één rentepost ten onrechte door hem wordt betaald.

6. Het middel faalt. Het hof heeft, naar blijkt uit rov. 2.2 waar het hof aangeeft met welke hypothecaire leningen het rekening houdt bij het bepalen van de draagkracht van de man, aan de zijde van de man geen rekening gehouden met de rente van € 388, per maand in verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde woning te [plaats]. Dit, naar blijkt uit rov. 4.1 omdat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over het feit dat de rente van € 388,- per maand in verband met deze hypothecaire lening door de vrouw zal worden voldaan. Het hof heeft in dat verband kunnen constateren dat de zesde grief van de vrouw gericht tegen het aan de zijde van de man rekening houden met de hypotheekrente over deze woning, geen bespreking meer behoefde. Het hof is, naar bijkt uit zijn beschikking, ervan uitgegaan dat de vrouw haar aanspraak op een bijdrage voor haar eigen levensonderhoud heeft gehandhaafd. Het middel miskent dat de omstandigheid dat het hof, anders dan de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man niet de hier bedoelde hypotheekrente in aanmerking neemt, niet meebrengt dat het hof tot de conclusie moest komen dat de man over voldoende draagkracht beschikte om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud te voldoen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv. P-G