Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU2878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
10/03407
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5635
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU2878
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 307 Sr en grondslagverlating. ’s Hofs overwegingen moeten aldus worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat wegens het ontbreken van voldoende verwijtbaarheid geen sprake is geweest van min of meer grove of aanmerkelijke schuld als in de tenlastelegging omschreven. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 307 Sr. Nu het hof niet heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd, is van grondslagverlating geen sprake. Dit met feitelijke waarderingen verweven oordeel is niet onbegrijpelijk gemotiveerd; dat geldt eveneens voor de overweging “dat niet van enige nonchalance of nalatigheid van enige aard bij het verrichten van de taak van zekeraar is gebleken” waarin het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat geen sprake was van nonchalance of nalatigheid in de voor min of meer grove of aanmerkelijke schuld vereiste zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/300
NJ 2012/119
NJB 2012/540
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03407

Mr. Vegter

Zitting: 25 oktober 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 19 februari 2010 verdachte vrijgesproken van "aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn".

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft beroep in cassatie ingesteld en een plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij dat Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof door te oordelen dat bij de verdachte sprake is geweest van een geautomatiseerd handelen waarvan de verdachte ondanks het fatale gevolg van dit handelen geen verwijt kan worden gemaakt en dat van schuld in enige strafrechtelijke betekenis dus niet is gebleken, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door een onjuiste betekenis toe te kennen aan het in de tenlastelegging voorkomende en kennelijk aan art. 307, eerste lid, Sr ontleende begrip "schuld" en/of dit oordeel op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd.

4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 13 mei 2008 te Amsterdam - op het moment dat [slachtoffer] op een klimwand in het klimcentrum '[A]' aan het klimmen was en zich op een hoogte van ongeveer 12 meter, in elk geval op aanzienlijk hoogte, van de grond bevond, waarbij hij, verdachte, optrad als zekeraar van [slachtoffer] - roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door:

- geen zicht te houden op [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, klimmer en/of

- zich met andere zaken bezig te houden op het moment dat hij, verdachte, zijn klimmer te weten voornoemde [slachtoffer], aan het zekeren was, en/of

- het touw dat vast zat aan zijn, verdachtes, klimgordel los te maken voordat hij, verdachte, zich ervan vergewist had dat zijn klimmer, te weten voornoemde [slachtoffer] al beneden was,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] niet gezekerd was op en/of na het moment waarop [slachtoffer] uit de voornoemde klimwand viel, dan wel ging hangen in het touw, dat aan haar klimgordel was verbonden,

waardoor het aan zijn, verdachtes schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer] zodanig letsel, te weten meerdere breuken van het borstbeen en/of de ribben en/of een verscheuring van de rechter longaderen en/of (dientengevolge) een grote inwendige bloeding, heeft bekomen dat, deze aan de gevolgen daarvan is overleden."

5. Zoals blijkt uit de overwegingen in het arrest heeft het Hof het volgende vastgesteld. Op 13 mei 2008 heeft de verdachte samen met [slachtoffer] de klimsport beoefend op een klimwand in de klimhal "[A]" in Amsterdam. Zowel de verdachte als [slachtoffer] waren ervaren klimmers, aangezien de verdachte al ongeveer zes jaren meerdere avonden per week (zonder ongelukken) de klimsport had beoefend en hij iedere dinsdagavond met [slachtoffer] klom. De verdachte heeft die avond als de zekeraar (beveiliger) van de klimmer [slachtoffer] gefungeerd, terwijl de door hen gebruikte klimapparatuur technisch in orde was en op de juiste wijze werd gebruikt. De vriendin van de verdachte ([betrokkene 1]) heeft op dat moment de route naast die van de verdachte en [slachtoffer] beklommen, terwijl [betrokkene 2] als haar zekeraar is opgetreden. [Slachtoffer] is tijdens haar klimtocht drie keer gevallen en is telkens goed opgevangen door de verdachte. In de loop van de klimtocht van [slachtoffer] heeft de verdachte af en toe met [betrokkene 2] gesproken. Hoewel het protocol voorschrijft dat de zekeraar voortdurend omhoog kijkt naar de klimmer, heeft de verdachte dat niet gedaan, naar eigen zeggen omdat dit fysiek ondoenlijk is en niet nodig is nu een ervaren klimmer/zekeraar aan de spanning op het touw voelt welke reactie van hem wordt geëist. Op het moment dat [betrokkene 1] - nadat zij naar beneden was gevierd - op de grond stond is de verdachte met haar en [betrokkene 2] gaan praten. Vervolgens heeft de verdachte de zekering van het touw waarmee hij [slachtoffer] zekerde losgemaakt, naar eigen zeggen aangezien hij onbewust dacht dat vastgekoppeld blijven niet meer nodig was omdat zijn vriendin veilig op de grond was. Tenslotte is [slachtoffer] van twaalf meter hoogte naar beneden gestort. Door deze val is [slachtoffer] als gevolg van massaal bloedverlies veroorzaakt door een verscheuring van haar rechter longader overleden.

6. Bijna onvermijdelijk komt de vraag op of in een geval als het onderhavige überhaupt tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte dient te worden overgegaan, nu er sprake is van een noodlottig ongeval en de verdachte zelf - net als de nabestaanden van het slachtoffer - de gevolgen daarvan de rest van zijn leven met zich mee zal moeten dragen aangezien door zijn toedoen zijn vaste klimpartner is komen te overlijden. Deze gedachte wordt onder meer gevoed door het feit dat zich bij de stukken van het geding een schrijven van de vader van het slachtoffer ([betrokkene 3]) bevindt, inhoudende dat de verdachte op allerlei manieren heeft laten weten dat hij zijn verantwoordelijkheid voor dit noodlottige handelen heeft genomen, dat hij oprecht spijt heeft betuigd en dat hij bereid is zich in te zetten voor het bevorderen van een veiligere klimsport. Bij die stukken bevindt zich voorts een schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer ([betrokkene 4]), inhoudende dat de verdachte hun in de ogen heeft gekeken en schuld heeft bekend en dat hij heel zijn leven daarmee zal moeten leven.(1) In het verlengde daarvan heeft de Rechtbank de verdachte in eerste aanleg weliswaar veroordeeld, doch daarbij bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Het Hof heeft de doodsoorzaak in een bredere context geplaatst door in een overweging ten overvloede te overwegen dat - vanwege het feit dat er sprake is van een reeks van ongelukken rond klimmuren - een aanpassing van de veiligheidsmaatregelen bij klimmuren aangewezen is, waarbij kan worden gedacht aan het voorkomen van het automatisch losmaken van de zekering door de eis dat de zekering slechts door de klimmer kan worden afgekoppeld. In deze conclusie ten behoeve van de cassatieprocedure heeft het weinig zin de opgeworpen vraag of vervolging in een geval als het onderhavige aangewezen is te beantwoorden. Dat de vraag bij alle betrokkenen - waaronder rechtbank en Hof - een rol heeft gespeeld, spreekt voor zich.

7. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde dood door schuld. Voorts heeft het Hof onder het hoofd "overweging over de verwijtbaarheid" geoordeeld dat van schuld in enige strafrechtelijke betekenis niet is gebleken, nu aan de verdachte ondanks het fatale gevolg van zijn handelen geen verwijt kan worden gemaakt en niet is gebleken van bijkomende omstandigheden in het licht waarvan dat anders zou zijn. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen. Er dient te worden vooropgesteld dat de klimsport zeer gevaarlijk is, zodat met het oog op de veiligheid van de klimmer van de klimmer en de zekeraar moet worden verwacht dat zij een hoge mate van zorgvuldigheid in acht nemen bij het naleven van de toepasselijke regels en afspraken en dat zij zich ook voor het overige voorzichtiger en oplettender gedragen dan wanneer het zou gaan om het verrichten van andere, minder gevaarlijke activiteiten. De verdachte is zich steeds scherp bewust geweest van de verantwoordelijkheid die hij in de rol van zekeraar droeg voor het leven van de klimmer ([slachtoffer]), terwijl niet van enige nonchalance of nalatigheid van enige aard bij het verrichten van de taak van zekeraar is gebleken. Daarnaast is het feit dat de verdachte niet voortdurend omhoog heeft gekeken - zoals het protocol vereist - voldoende gecompenseerd doordat de verdachte in zijn hoedanigheid van zekeraar aan de spanning op het touw kon voelen hoe hij moest reageren. Bovendien heeft de verdachte zich de handelingen die het klimmen mogelijk maken en de klimmer voor vallen behoeden zozeer eigen gemaakt, dat van geautomatiseerd handelen van de verdachte kan worden gesproken. Tenslotte is de reeks van geautomatiseerde handelingen die betrekking hadden op het zekeren van [slachtoffer] onopgemerkt overgegaan in de geautomatiseerde reeks van handelingen rondom het afdalen van [betrokkene 1]. Op het moment dat [betrokkene 1] veilig op de grond stond kon die reeks worden afgerond met het losmaken van de zekering, terwijl die zekering in werkelijkheid het losraken verhinderde van het (andere) touw dat [slachtoffer] zekerde.

8. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.(2)

9. Voor het aannemen van schuld moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader moest anders handelen (vermijdbaarheid) en kon ook anders handelen (verwijtbaarheid). De standaard waartegen gedrag wordt afgemeten wordt bovendien mede bepaald door de zogenaamde Garantenstellung, waarbij van personen in een bepaalde hoedanigheid een bijzondere zorgplicht mag worden verwacht. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van (on)voorzichtig gedrag mede daardoor bepaald.(3)

10. Degene die bij het uitoefenen van de klimsport optreedt als zekeraar heeft een bepaalde verantwoordelijkheid ten opzichte van degene met wie hij klimt. De zekeraar dient erop toe te zien dat zijn klimmer uiteindelijk weer veilig beneden komt, onder meer door de klimmer goed in de gaten te houden en de zekering van het touw waarmee hij de klimmer zekert pas los te maken als deze op grond is.(4)

11. In de lagere jurisprudentie zijn ernstige ongelukken met klimwanden vaker aan de orde geweest.

(i) In Rechtbank Amsterdam 22 maart 2010, LJN BL8301 treedt de verdachte in de klimhal "[A]" in Amsterdam op als zekeraar van het (latere) slachtoffer. Op het moment dat het slachtoffer zich nog op twaalf meter hoogte bevindt koppelt de verdachte - om onbekende redenen - de karabiner waarmee het zekeringsmateriaal aan haar gordel is vastgemaakt los, waarna het slachtoffer naar beneden valt en een veelvoud aan fracturen oploopt. De Rechtbank veroordeelt de verdachte ter zake van "aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zodanig lichamelijk letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar ambts- of beroepsbezigheden ontstaat" zonder oplegging van straf of maatregel. De Rechtbank overweegt daartoe het volgende. De verdachte heeft in een moment van onoplettendheid de karabiner losgemaakt zonder zich te vergewissen dat het slachtoffer op dat moment al weer op de grond stond. Aldus heeft zij niet de bijzondere oplettendheid betracht die van haar in haar rol als zekeraar wel mocht worden verwacht. Bij de uitoefening van de op haar als zekeraar rustende cruciale taak heeft zij niet de daarvoor noodzakelijke waakzaamheid in acht heeft genomen, waardoor het heeft kunnen gebeuren dat zij heeft nagelaten zich ervan te vergewissen dat de door haar gezekerde klimmer weer veilig op de grond was gekomen voordat zij haar losmaakte.

(ii) In Rechtbank Haarlem 11 juli 2008, LJN BD7925 fungeert de verdachte als kliminstructeur bij een kliminstructie op een klimwand bij de Stichting Welzijn Edam. Nadat de verdachte de klimgordel ondeugdelijk heeft omgedaan bij het (latere) slachtoffer en dit onvoldoende heeft gecontroleerd, valt het slachtoffer tijdens de afdaling van de klimwand van een hoogte van ongeveer tien meter naar beneden als gevolg waarvan zij een oogkasfractuur, een schaafwond op de rechterwang, meerdere gebroken middenvoetsbeentjes, een scheurtje aan het rechteroor en kneuzingen van meerdere ribben oploopt. De verdachte wordt door de Rechtbank ter zake van "aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daartoe overweegt de Rechtbank het volgende. Met het oog op de veiligheid van de klimmer moet niet alleen van de klimmer zelf maar in het bijzonder ook van de kliminstructeur (de verdachte) worden verwacht dat zij een hoge mate van zorgvuldigheid in acht nemen bij het naleven van de toepasselijke instructies en regels. Op het moment dat de (onervaren) klimmer daadwerkelijk gaat klimmen dient de instructeur te waken over de veiligheid en te letten op het juiste gebruik van de materialen, zoals de klimgordel. De verdachte had als kliminstructeur een bijzondere zorgplicht, nu hij verantwoordelijk was voor een juist gebruik van de klimgordel en hij erop diende toe te zien dat alleen met een juist bevestigde klimgordel zou worden geklommen. De verdachte is in deze zorgplicht ernstig tekort geschoten.

(iii) In Rechtbank Maastricht 31 maart 2003, LJN AF6905 neemt de verdachte in klimhal "Rocca" in Gulpen de taak op zich om het (latere) slachtoffer te zekeren. Op enig moment biedt de verdachte hulp aan een ander klimduo, waardoor hij terecht komt in een positie die niet recht onder het slachtoffer is gelegen, hij niet langer zicht houdt op het slachtoffer en hij niet langer bewust bezig is met het zekeren van het slachtoffer. Wanneer de persoon aan wie hij hulp biedt beneden is, maakt de verdachte het touw dat het slachtoffer zekert los van zijn eigen klimgordel, waarna het slachtoffer ongezekerd uit de klimmuur valt en komt te overlijden. De Rechtbank veroordeelt de verdachte wegens "aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn" tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De Rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het is niet acceptabel dat de zekeraar zijn primaire taak als gevolg van andere activiteiten geheel uit het oog verliest, terwijl van hem moet worden verwacht dat hij onder alle omstandigheden in staat is om zijn taak naar behoren te vervullen. De verdachte is als ervaren klimmer en zekeraar met deze eisen bekend en kon zich daarnaar gedragen. Bovendien verdraagt gedrag op basis van "skill based learning" zich niet met de taak van de verdachte als zekeraar, nu het zekeren van een klimmer een activiteit is die te allen tijde bewust moet worden verricht.

12. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als diens oordeel besloten dat de verdachte weliswaar in strijd met het protocol niet steeds omhoog heeft gekeken naar zijn klimmer ([slachtoffer]) en haar dus niet (continu) in de gaten heeft gehouden, dat hij met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gepraat terwijl [slachtoffer] nog op twaalf meter hoogte aan het klimmen was en dat hij de zekering van het touw waarmee hij [slachtoffer] zekerde heeft losgemaakt zonder zich ervan te vergewissen dat [slachtoffer] al beneden was, maar dat hij niet "roekeloos, in elk geval grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig" heeft gehandeld.

13. Dit oordeel is zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk. Het Hof heeft immers vooropgesteld dat de klimsport zeer gevaarlijk is, dat met het oog op de veiligheid van de klimmer van de klimmer en de zekeraar moet worden verwacht dat zij een hoge mate van zorgvuldigheid in acht nemen bij het naleven van de toepasselijke regels en afspraken en dat zij zich voorzichtiger en oplettender gedragen dan bij het verrichten van minder gevaarlijke activiteiten. Voorts heeft het Hof het aannemelijk geacht dat de verdachte zich steeds scherp bewust is geweest van de verantwoordelijkheid die hij als zekeraar droeg voor het leven van de klimmer en dat niet van enige nonchalance of nalatigheid van enige aard bij het verrichten van zijn taak als zekeraar is gebleken, hetgeen niet valt te rijmen met diens oordeel dat de verdachte zijn klimmer niet in de gaten heeft gehouden, met anderen heeft gepraat en de zekering (zonder controle) heeft losgemaakt. Hierbij is van belang dat de verdachte een ervaren klimmer was die derhalve goed op de hoogte behoorde te zijn van de mogelijke gevaren van de klimsport en het belang van het naleven van alle zorgvuldigheidsnormen en veiligheidsvoorschriften, terwijl hij zich desondanks niet heeft geconcentreerd op zijn eigen klimmer maar zijn aandacht heeft verlegd richting [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

14. Aan de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof doet niet af dat het Hof heeft overwogen dat het (niet) voortdurend omhoog kijken voldoende is gecompenseerd doordat de zekeraar aan de spanning op het touw voelt hoe hij moet reageren en dat er sprake zou zijn geweest van een geautomatiseerd handelen van de verdachte. De verdachte is namelijk pas toegekomen aan de "geautomatiseerde handelingen" die betrekking hebben op het afdalen van [betrokkene 1], nadat hij geen zicht meer had gehouden op zijn klimmer en hij zich met andere zaken had beziggehouden dan met het zekeren van zijn klimmer.

15. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof zijn oordeel op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd, slaagt het.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Beide verklaringen zijn op de terechtzitting in hoger beroep voorgedragen.

2 Vgl. HR 29 juni 2010, LJN BL5630, NJ 2010/674, m.nt. PMe, rov. 2.4 (ten aanzien van schuld in de zin van art. 308 Sr).

3 Vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, 4e, p. 255-256 en A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen: over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (dissertatie Rijksuniversiteit Groningen 2008), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu-Uitgevers 2008, p. 11 en 36.

4 Vgl. HR 14 november 2000, LJN AA8301, NJ 2001/37 (stagiaire in een apotheek wordt ter zake van dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld met toepassing van art. 9a Sr veroordeeld, omdat zij bij de bereiding van geneesmiddelen door de verkeerde pot te pakken in plaats van cellulose methadon heeft toegevoegd) en HR 19 februari 1963, NJ 1963/512 (verpleegster wordt wegens dood door schuld veroordeeld tot een geldboete van f 100,-, aangezien zij aan de assistente van de chirurg een verkeerd flesje voor de verdoving van een patiënt heeft aangereikt waarna de chirurg een dodelijke hoeveelheid adrenaline aan die patiënt heeft toegediend).