Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BT2544

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10/01439
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BT2544
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zedenzaak. HR: art. 81 RO en ambtshalve: overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/404
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 10/01439

Mr. Vegter

Zitting 20 september 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 17 december 2009 ter zake van feit 1: "verkrachting"; feit 2: "met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd"; en feit 3: "ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt, begroot op € 90,--. Daarenboven heeft het Hof de verdachte de betalingsverplichting aan de Staat opgelegd van een bedrag van € 5.000,--, te vervangen door vijfenvijftig dagen hechtenis.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens verdachte heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te 's-Hertogenbosch, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring en bevat de klacht dat de unus testis nullus testis regel is geschonden, althans dat de rechter niet heeft gerespondeerd op een verweer daaromtrent alsmede zou er een onbegrijpelijke verwerping zijn van een verweer betreffende de betrouwbaarheid van aangeefster omdat de motivering niet bijdraagt "aan het kennelijk oordeel van het de rechtbank (en het hof) dat hetgeen aangeefster heeft verklaard, voldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen". Deze klachten worden achtereenvolgens besproken.

4. In (de toelichting op) het middel wordt verwezen naar het betoog van de raadsman van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, waarin een beroep wordt gedaan op de onbetrouwbaarheid van aangeefster [slachtoffer] en gesteld wordt dat die verklaring onvoldoende ondersteuning vindt in andere stukken. Wegens de onbetrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster zou vrijspraak dienen te volgen. Betoogd wordt dat het Hof voorbij is gegaan aan het door de verdediging gevoerde bewijsverweer en dat het de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van aangeefster [slachtoffer] zonder dat voldoende steunbewijs aanwezig is. Refererend aan de arresten van de Hoge Raad van 30 juni 2009, LJN BH3704 en LJN BG7746 en van 13 juli 2010, LJN BM2452, betoogt de steller van het middel dat de bewezenverklaring ontoereikend is, hetgeen tot nietigheid dient te leiden.

5. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2009 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van verdachte aldaar - kort samengevat - het volgende aangevoerd:

"(...) De verklaringen van [slachtoffer] en cliënt staan tegenover elkaar en er is onvoldoende ondersteunend bewijs. Getuigen kunnen niet uit eigen waarneming verklaren omtrent hetgeen cliënt verweten wordt, geen enkele getuige kan als objectief of onpartijdig worden aangemerkt. [Slachtoffer] had ernstige psychische problemen, was psychisch labiel en zij heeft het vaker met de waarheid niet erg nauw genomen. Haar relaas is niet geloofwaardig. (...)

Concluderend: de verklaringen van [slachtoffer] zijn niet geloofwaardig en vinden onvoldoende ondersteuning in andere stukken. Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen.

Ik verzoek u de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en [verdachte] vrij te spreken."

6. Het Hof heeft zich verenigd met de gronden en beslissingen in het Promis-vonnis en heeft die overgenomen, behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij.

7. Het door het Hof in hoger beroep overgenomen Promis-vonnis van de Rechtbank bevat - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - de navolgende bewijsmotivering:(1)

"Bewijsmotivering (...)

Ten aanzien van feit 1 wordt van het volgende uitgegaan:

Toen de aangeefster bijna 14 jaar oud was, is zij een keer met de verdachte meegegaan in zijn bus. De verdachte zei dat de aangeefster naar achteren moest gaan. Achterin de bus lag een deken, waar de aangeefster op is gaan liggen. Zij deed haar onderkleding uit, maar hield haar onderbroek aan. Toen de verdachte zei dat de onderbroek ook uit moest, zei de aangeefster tegen de verdachte dat zij dit niet wilde. De verdachte zei nogmaals dat de onderbroek uit moest en dat je het beter met een bekende kon doen dan met een vreemde. De verdachte deed vervolgens de onderbroek van de aangeefster uit en kwam, nadat hij ook zijn eigen broek en onderbroek uit had gedaan, naast haar liggen. De verdachte ging met zijn vinger in de vagina van de aangeefster. Hij vroeg of het pijn deed en toen aangeefster bevestigend antwoordde, zei de verdachte dat ze hier aan moest wennen. De verdachte vroeg of aangeefster het lekker vond en ervan genoot, waarop aangeefster zei dat dit niet zo was. De verdacht deed een condoom over zijn penis en is op de aangeefster gaan liggen. De aangeefster hield haar benen stevig tegen elkaar. De verdachte zei dat zij haar benen los moest laten, maar dat wilde de aangeefster niet doen. Hierop duwde de verdachte haar benen met beide handen uit elkaar. Hij kwam weer helemaal op de aangeefster liggen en kwam met zijn penis in haar. De verdachte ging een paar keer heen en weer.

Uit deze handelingen blijkt (onder meer) dat de verdachte zich bij deze gelegenheid heeft opgedrongen aan de aangeefster, in het bijzonder doordat de verdachte steeds tegen de aangeefster zei wat zij moest doen en daarbij uitlatingen deed die, naar het oordeel van de rechtbank, ertoe dienden om haar te overreden. Dit opdringen en het doorgaan met voornoemde handelingen vormen een feitelijkheid, waardoor de aangeefster werd gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Het uit elkaar duwen van de benen, terwijl de aangeefster haar benen stevig tegen elkaar hield, is aan te merken als geweld in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid of en door welke gedragingen het slachtoffer is gedwongen de overige ten laste gelegde seksuele handelingen te ondergaan. Derhalve wordt de verdachte voor die handelingen in de periode waarin die handelingen zouden hebben plaatsgevonden, vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 wordt van het volgende uitgegaan:

Het misbruik van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1990, is begonnen op haar 12de jaar en is in juli 2006 gestopt. De eerste keer kwam de verdachte naast de aangeefster achter in de auto van haar tante liggen. Hier heeft de verdachte met zijn hand aan de borsten van de aangeefster gevoeld. De verdachte heeft zijn hand onder haar blouse gedaan en over haar BH aan haar borsten gevoeld. Vervolgens is de verdachte met zijn hand onder het rokje van de aangeefster gegaan en heeft hij over haar maillot en onderbroek aan haar vagina gevoeld. Een keer is aangeefster met de verdachte meegegaan in zijn bus. De aangeefster was toen bijna 14 jaar oud. De verdachte zei dat de aangeefster naar achteren moest gaan. De aangeefster deed haar onderkleding uit en ging achterin de bus liggen. De verdachte deed eerst haar onderbroek en vervolgens zijn eigen broek en onderbroek uit. De verdachte kwam naast de aangeefster liggen en kwam met zijn vinger in haar vagina. Kort daarop kwam de verdachte op de aangeefster liggen, kwam hij met zijn penis in haar en ging een paar keer heen en weer. Na dit feit heeft de verdachte de aangeefster vele keren misbruikt op verschillende plaatsen, onder andere wanneer zij samen broodjes gingen halen. In de woning van haar tante [betrokkene 1] moest de aangeefster op de bank op haar knieën zitten. De verdachte kwam dan achter haar en deed op die manier zijn penis in haar vagina. Eén keer, op 30 augustus 2005, heeft de verdachte, nadat hij zijn penis in haar vagina had gedaan, geprobeerd met zijn penis in de anus van de aangeefster te komen. Dit lukte echter niet. Ook heeft de aangeefster de verdachte een paar keer moeten pijpen. De verdachte haalde dan zijn penis uit zijn broek, waarna de aangeefster met haar hoofd naar zijn broek ging en zijn penis in haar mond nam.

Aan de overtuiging dat sprake is geweest van seksuele handelingen tussen de verdachte en de aangeefster, draagt bij dat ook [betrokkene 2], seksueel is benaderd door de verdachte. [Betrokkene 3], een tante van zowel [betrokkene 2] als de aangeefster [slachtoffer], heeft verklaard dat zij [slachtoffer] geloofde, wat zij kennelijk onder meer baseert op het feit dat [betrokkene 2] haar had verteld dat de verdachte aan haar borsten had gezeten. [Betrokkene 2] is hier door de politie over gehoord, doch heeft toen ontkend dat zich iets tussen haar en de verdachte had voorgedaan. Bij de rechter-commissaris heeft zij echter verklaard dat de verdachte haar, toen zij 11 jaar oud was en bij haar moeder en de verdachte in huis woonde, had gevraagd of hij haar borsten mocht aanraken, dat zij toen nee heeft gezegd, dat zij dit aan iedereen heeft verteld, maar dat niemand haar geloofde en dat zij toen een tijdje bij haar vader is gaan wonen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van haar broer [betrokkene 4] dat [betrokkene 2] ooit van huis is weggegaan, omdat de verdachte haar bij de borst had gepakt.

Ter zake van feit 3 wordt op grond van de verklaringen van de aangeefster en die van haar moeder vastgesteld dat de aangeefster aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd. Zo heeft de aangeefster verklaard dat zij in die tijd veel bij de verdachte en haar tante [betrokkene 1] bleef slapen. Haar moeder heeft verklaard dat de aangeefster heel vaak naar haar zus [betrokkene 1] en de verdachte ging, wel drie of vier dagen in de week en dat zij een hechte band hadden. De moeder van de aangeefster heeft voorts verklaard dat zij zich er geen zorgen over maakte, omdat zij dacht dat haar zus de aangeefster beschermde en de verantwoording nam.

Gelet op de beschreven familieband, die in die periode tussen de verdachte en de aangeefster bestond, alsmede het veelvuldige verblijf van de aangeefster in de woning bij de verdachte en haar tante [betrokkene 1], kan worden geconcludeerd dat de aangeefster aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan (...)"

8. De regel unus testis nullus testis is door de raadsman van verdachte ten overstaan van het Hof niet als zodanig uitdrukkelijk naar voren is gebracht. Opmerking verdient dat de steller van het middel in zijn toelichting de bewijsmotivering van het Hof nu met name bestrijdt vanuit het perspectief van de regel dat één getuige geen getuige is. De unus testis nullus testis regel (art. 342, tweede lid, Sv) betreft - zo heeft de Hoge Raad herhaaldelijk bepaald (vgl. onder andere 4 januari 2011 LJN:BO4493) - de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Uit de hierboven weergegeven bewijsmotivering blijkt dat het Hof de redengevende feiten en omstandigheden waarop het bewezenverklaarde steunt, niet alleen heeft ontleend aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer] (voetnoten 1,2, 4 t/m 14, 19), maar ook aan andere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van verdachte zelf (voetnoten 3 en 11), een verklaring van getuige [betrokkene 2] (voetnoten 15 en 17), een verklaring van [betrokkene 3] (voetnoot 16), een verklaring van [betrokkene 4] (voetnoot 18) en een verklaring van de moeder van aangeefster, [betrokkene 5] (voetnoot 20). Het middel noch de toelichting daarop besteden aandacht aan de betekenis van deze gebezigde bewijsmiddelen voor het daderschap. Bij die stand van zaken meen ik te kunnen volstaan met de vaststeling dat d klacht dat het bewezenverklaarde steunt op enkel de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] feitelijke grondslag mist. Derhalve faalt het middel in zoverre.

9. Daarnaast is volgens de steller van het middel, de overweging betreffende de betrouwbaarheid van aangeefster onbegrijpelijk, omdat de motivering niet bijdraagt "aan het kennelijk oordeel van het de rechtbank (en het hof) dat hetgeen aangeefster heeft verklaard, voldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen."Het door het Hof in hoger beroep overgenomen Promis-vonnis van de Rechtbank bevat - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - de navolgende overweging ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde betrouwbaarheidsverweer:(2)

"Bewijsmotivering (...)

Op 19 augustus 2006 is door [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte, haar oom [verdachte]. De verdachte is hierover verschillende malen door de politie gehoord en heeft, net als op de terechtzitting, steeds stellig ontkend zich hieraan schuldig te hebben gemaakt. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van de aangeefster wél geloofwaardig. De verklaring van de aangeefster vindt op verschillende relevante onderdelen bevestiging in andere stukken.

Zo heeft de aangeefster verklaard over een paarse vlek op de billen van de verdachte. Uit onderzoek aan het lichaam van de verdachte blijkt dat hij inderdaad een lichtpaarse verkleuring van ongeveer een halve centimeter op zijn rechterbil heeft. De rechtbank acht, gelet op de plaats van deze vlek, te weten midden op de bil, aannemelijk dat de aangeefster de verdachte naakt heeft gezien. Deze omstandigheid draagt bij aan de geloofwaardigheid van de aangeefster, omdat niet is gebleken van onschuldige situaties waarin de aangeefster de verdachte naakt zou kunnen hebben gezien en de verdachte over de wetenschap van de aangeefster over dit lichaamskenmerk geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Voorts heeft de aangeefster verklaard dat zij vaak met de verdachte broodjes ging halen en dat de verdachte dan eerst met haar naar een plek ging waar hij haar seksueel misbruikte. De verdachte heeft verklaard dat hij zelden met de aangeefster alleen was en dat ze, als ze wel eens broodjes gingen halen, altijd snel weer terug waren. Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 4], dochter en zoon van de partner van de verdachte, hebben echter bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte vaak en langer weg was met de aangeefster. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat zij in die tijd zo'n drie keer per week thuis kwam en dat de verdachte en de aangeefster dan meestal even weg waren en dan na een uurtje thuis kwam. [Betrokkene 4] heeft verklaard dat hij vanaf maart/april 2006 vermoedens had. Hij had deze vermoedens omdat de verdachte en de aangeefster altijd lang wegbleven en [betrokkene 6], het dochtertje van de verdachte en zijn partner, nooit meeging, terwijl zij vroeger wel meeging.

Verder heeft de aangeefster verklaard over een gebeurtenis met de verdachte die plaatsvond op 30 augustus 2005. Zij heeft daarover (onder meer) verklaard dat haar moeder en haar tante [betrokkene 1], de partner van de verdachte, die dag buiten naar haar hebben gezocht, terwijl zij bij de verdachte was. De aangeefster heeft ook verklaard dat zij die dag door de seksuele handelingen van de verdachte begon te bloeden. Zowel de moeder van de aangeefster als tante [betrokkene 1] hebben respectievelijk bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat zij die dag hebben lopen zoeken naar de aangeefster en dat zij op enig moment telefonisch te horen kregen dat de aangeefster bij de verdachte was. De verdachte heeft bevestigd dat de aangeefster gezocht werd, dat haar moeder en zijn vrouw op zoek gingen naar haar en dat hij, nadat de aangeefster bij hem thuis kwam, [betrokkene 1] had gebeld dat zij bij hem was. De moeder van de aangeefster heeft voorts verklaard dat zij toen heeft gezien dat de aangeefster bloedde 'van onderen'.

Ook heeft de aangeefster verklaard dat zij veel keren 's avonds met de verdachte alleen in de woonkamer achterbleef, omdat haar tante [betrokkene 1] dan naar bed ging en de kinderen van haar tante dan al op bed lagen De verdachte heeft ontkend dat dit zich ooit heeft voorgedaan, doch [betrokkene 4], de zoon van [betrokkene 1], heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij en zijn zus om 21.00 uur naar bed moesten, dat de aangeefster dan beneden mocht blijven en dat zijn moeder meestal vroeg naar bed ging.

Tot slot heeft de aangeefster verklaard over een incident dat jaren geleden heeft plaatsgevonden tussen [betrokkene 2] en de verdachte. Hierop heeft [betrokkene 2], door de politie hierover gehoord, verklaard dat een en ander niet was gebeurd. Bij de rechter-commissaris is de aangeefster geconfronteerd met [betrokkene 2]'s andersluidende verklaring. De aangeefster heeft voet bij stuk gehouden en heeft haar verklaring over dit incident niet veranderd. Nadien heeft [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat het inderdaad juist is dat iets is voorgevallen tussen haar en de verdachte en dat zij daarover in het verleden niet de waarheid heeft verteld.

Aan de geloofwaardigheid van de aangeefster doet niet af dat zij begin oktober 2006 naar het huis van haar tante [betrokkene 1] is gegaan en daar een brief heeft geschreven aan de advocaat van de verdachte, met daarin de mededeling dat [verdachte] haar nooit had aangeraakt en dat zij de aangifte wilde intrekken.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van de aangeefster over de omstandigheden waaronder dit is gebeurd, consistent zijn. Haar verklaring komt er op neer dat zij de brief op aandringen van haar tante [betrokkene 1] heeft geschreven. Dat door tante [betrokkene 1] druk is uitgeoefend op de aangeefster om haar hiertoe te bewegen, wordt bevestigd door [betrokkene 4] en [betrokkene 7], de zoon van verdachte, die daar beiden bij de rechter-commissaris over hebben verklaard.

Daarnaast volgt uit het dossier dat de aangeefster korte tijd later op de inhoud van de brief is teruggekomen. In haar verhoor door de politie op 24 oktober 2006, alsmede in haar verhoor door de rechter-commissaris op 31 juli 2008, geeft zij duidelijk aan dat haar aangifte en niet de brief, de waarheid bevat.

De rechtbank stelt voorts vast dat de aangeefster niet heeft berust in het sepot dat volgde op de brief waarin zij schreef dat zij de aangifte wilde intrekken. Aangeefster heeft zich beklaagd over de niet-vervolging bij het Hof, waarna het Hof heeft beschikt dat de officier van justitie het openen van een gerechtelijk vooronderzoek diende te vorderen, onder meer om aangeefster te horen. Dit is ook gebeurd. De rechtbank acht niet zonder betekenis dat aangeefster deze stap heeft willen zetten.

Het vorenstaande overziend, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en dat hiervan, bij de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, dient te worden uitgegaan.

(...)"

10. Het Hof is uitvoerig ingegaan op het betrouwbaarheidsverweer dat mogelijk door het Hof is aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Voor zover ingegaan wordt op het betrouwbaarheidsverweer bevat de schriftuur daarover geen klacht. De klacht is dat de reactie op het betrouwbaarheidsverweer niet dragend is voor de verwerping van het verweer dat het bewijs steunt op een enkele getuigenverklaring. Hiermee wordt een merkwaardige eis aan de verwerping van een betrouwbaarheidsverweer gesteld die geen steun vindt in het recht. Daarmee faalt deze klacht en het middel. Overigens bevat de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer wel degelijk elementen die een zelfstandige bijdrage leveren aan het bewijs van het tenlastegelegde. Ik wijs in het bijzonder op hetgeen wordt overwogen over de verkleuring op de rechterbil en het bloeden.

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De bijbehorende voetnoten zijn hier niet weergegeven.

2 De bijbehorende voetnoten zijn hier niet weergegeven.