Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BQ8590

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
09/04324 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BQ8590
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een beslag ex art. 94 Sv niet meer vordert en waarin een derde/niet-beslagene op de voet van art. 552a Sv verzoekt om teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, redelijkerwijs als zodanig kan worden aangemerkt. Hierbij mag de rechter civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van hem wordt niet verlangd dat hij treedt in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de klager voorshands redelijkerwijs niet als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt, nu autobedrijf X, als oorspronkelijke eigenaar van de auto, deze gedurende drie jaar vanaf de dag van de diefstal als zijn eigendom kan opeisen. Daarmee heeft de Rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent art. 3:86 lid 3 BW. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat niet blijkt dat namens klager bij de behandeling in raadkamer een beroep is gedaan op de in art. 3:86 lid 3 onder a BW bedoelde uitzondering. De omstandigheid dat verzekeringsmaatschappij Y mogelijkerwijs op grond van subrogatie in de rechten van autobedrijf X is getreden, doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 202
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04324 B

Mr. Aben

Zitting 25 oktober 2011

aanvullende conclusie inzake:

[Klager]

1. Hierbij heb ik de eer aanvullend te concluderen omtrent het middel van cassatie van mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage. Thans zal ik alsnog ingaan op het middel, dat zich keert tegen de beschikking van de rechtbank te Rotterdam 13 oktober 2009, waarbij het ingediende beklag (als bedoeld in artikel 552a Sv) strekkende tot teruggave van een auto aan de klager ongegrond was verklaard. Aangezien uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet bleek dat de verzekeringsmaatschappij [B] van het betreffende klaagschrift in kennis was gesteld, concludeerde ik op 7 juni 2011 tot ambtshalve vernietiging en behoefde, zo meende ik indertijd abusievelijk, het namens de klager voorgestelde middel geen bespreking. Het door mij geconstateerde ontbreken van een oproeping van een belanghebbende leidt derhalve in casu niet tot ambtshalve cassatie en de klager zal m.i. in de regel geen belang hebben bij een cassatie op deze grond.

2.1. Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken gaat het in deze zaak om een personenauto van het merk Audi, waarvan de klager aangifte heeft gedaan van diefstal. Op enig moment is de betreffende auto door de politie gesignaleerd. De bestuurder en zijn passagier die op dat moment in de auto werden aangetroffen zijn ondervraagd en naar aanleiding van hun verklaring plaatste de politie vraagtekens bij de juistheid van de door de klager gedane aangifte van diefstal. Kort gezegd komt het erop neer dat de bestuurder en zijn passagier bij hoog en bij laag volhielden dat zij de auto hadden geleend van de "eigenaar", van wie zij alleen een (minder vlijende) bijnaam kenden. De beschrijving van die persoon komt, naar ik begrijp, betrekkelijk goed overeen met (uiterlijke) kenmerken van de klager.

Bij een door de RDW uitgevoerde controle bleek dat het gevonden - en door de klager opgegeven - chassisnummer niet bij de betreffende auto hoort; er was namelijk een schutbord ingelast met daarin het aangetroffen nummer. Bovendien bleek de auto overgespoten te zijn. Op grond van een voortgezet onderzoek werd vastgesteld dat bij het voertuig een ander chassisnummer hoort. Aan de hand van dit originele chassisnummer kon worden vastgesteld dat de betreffende auto (ook) als gestolen opgegeven stond. Een afschrift van de door de oorspronkelijke eigenaar - te weten: Autobedrijf [A] B.V. - gedane aangifte is bij de stukken gevoegd. Uit die aangifte blijkt eveneens dat de aangever verzekerd was bij schadeverzekeraar [B].

2.2. Uit het proces-verbaal van de openbare behandeling van de raadkamer van de rechtbank d.d. 22 september 2009 kan worden afgeleid dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het autobedrijf dan wel de verzekeringsmaatschappij als eigenaar van de in beslag genomen auto dient te worden aangemerkt, zodat het door de klager ingediende beklag om die reden ongegrond dient te worden verklaard. Het openbaar ministerie is blijkens de uitlatingen van de officier van justitie ter terechtzitting voornemens de auto terug te geven aan het autobedrijf dan wel de verzekeringsmaatschappij. Naar aanleiding van dat standpunt merkte de beklagrechter op dat het autobedrijf schadeloos is gesteld, waarop de officier van justitie meedeelde dat 'dan (..) de auto naar de verzekeringsmaatschappij [moet].' De rechter merkte vervolgens op dat 'hoewel de schadeverzekeringsmaatschappij [B] niet als belanghebbende is opgeroepen, zij daarmee niet in hun belangen zijn geschaad.' In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard omdat - kort gezegd - de klager de auto van een niet beschikkingsbevoegde heeft gekocht en om die reden niet de eigendom van de auto heeft verkregen nu deze bij autobedrijf [A] B.V. is gebleven.

3.1. In de voorliggende zaak is strafvorderlijk beslag gelegd als bedoeld in artikel 94 Sv. Uit het verhandelde in raadkamer kan worden afgeleid dat de grond voor inbeslagneming naar het oordeel van het openbaar ministerie is komen te vervallen. De beklagrechter is aan dat oordeel gebonden. Hij zal dus niet mogen treden in een beoordeling van de vraag of het belang van strafvordering noopt tot het voortduren van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag.

3.2. In het voorliggende geval heeft de beslagene (de bestuurder) schriftelijk afstand gedaan van het voertuig en te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen teruggave daarvan "aan de rechtmatige eigenaar". Een derde, te weten: de klager, zijnde de aangever van een diefstal, heeft op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave aan hem van het voertuig dat onder de bestuurder in beslag genomen is. De beklagrechter dient in zo'n geval te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechthebbende op het inbeslaggenomene.

3.3. Bij de beantwoording van de vraag wie redelijkerwijs heeft te gelden als rechthebbende op het beslagen voorwerp zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Hij zal daarbij echter wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. Bij de vorming van dit (voorlopig) oordeel kan de rechter de artikelen 3:84 en 3:86 BW in aanmerking nemen.(1)

4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat de belanghebbende, te weten autobedrijf [A] B.V. te [plaats], de rechtmatige eigenaar van de in beslag genomen personenauto is. Immers deze auto is in de periode van 17 november 2008 tot en met 18 november 2008 gestolen en daarvan heeft [betrokkene 3] namens autobedrijf [A] B.V. te [plaats] op 20 november 2008 aangifte gedaan. De klager heeft de auto gekocht van een niet beschikkingsbevoegde. Daarom verkrijgt hij niet de eigendom van de auto. Deze is bij autobedrijf [A] B.V. te [plaats] gebleven."

4.2. In de voorgaande overweging heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht zijn oordeel dat de klager in weerwil van zijn stellingen redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als rechthebbende op het inbeslaggenomene, doch dat een ander dat is. Daarbij heeft de rechtbank civielrechtelijke aspecten betrokken, kennelijk in het bijzonder artikel 3:84 BW. Daarmee getuigt het oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting.

4.3. Over de begrijpelijkheid van dit oordeel het volgende. De rechtbank heeft niet expliciet stilgestaan bij de rechtsbescherming die de koper van een roerende zaak ten deel valt op de voet van artikel 3:86 BW in het geval de vervreemder onbevoegd was om over die zaak te beschikken. Niettemin meen ik dat - mede - uit de hiervoor weergegeven overwegingen kan worden afgeleid dat de rechtbank oog heeft gehad voor die bepaling. Daartoe zal Uw Raad bereid moeten zijn een blik te werpen achter de 'papieren muur'. Uit de verklaring van de klager blijkt namelijk dat hij de auto heeft gekocht in Duitsland van "een man", en het motorblok "via een kennis van de man".(2) Het betreft dus van de zijde van de klager, zo begrip ik, geen consumentenkoop. Daardoor kan de vorige eigenaar, indien nog geen drie jaar zijn verstreken sedert de hem betreffende diefstal, de zaak als zijn eigendom opeisen. Dat uit het summiere onderzoek in raadkamer niet blijkt dat [A] B.V. reeds een dergelijke eigendomsactie heeft ingesteld doet aan dit recht niet af. Daardoor heeft die vennootschap een sterker recht dan de klager. Aldus bezien acht ik het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.

4.4. Hieraan doet niet af dat de rechtbank in het kader van de ontvankelijkheidsvraag heeft geoordeeld dat het "aannemelijk (is) dat de klager als eigenaar van de in beslag genomen personenauto heeft te gelden". Kennelijk heeft de rechtbank bedoeld te overwegen dat de klager stelt eigenaar van het inbeslaggenomene te zijn, hetgeen voor de ontvankelijkheid van zijn beklag voldoende is. Op zichzelf is wellicht ook niet onjuist (ik kan dat niet beoordelen) dat de klager eigenaar is. Waar het om gaat is de vraag wie van de betrokken derden-belanghebbenden op het eerste gezicht de betere papieren heeft: de oorspronkelijke eigenaar of de huidige eigenaar (indien wordt aangenomen dat hij te goeder trouw was). Vooralsnog is dat naar het kennelijke oordeel van de rechtbank de oorspronkelijke eigenaar.

Welbeschouwd is er van de door de steller van het middel gesignaleerde tegenstrijdigheid geen sprake, al moet ik toegeven dat deze lezing zich weer minder goed verhoudt met de slotzinnen van de hierboven aangehaalde overweging uit de bestreden beschikking.

4.5. Indien Uw Raad niet bereid is om met mij mee te turen in het dossier is wellicht nader feitelijk onderzoek noodzakelijk en schort het (dus) aan de begrijpelijkheid van de motivering van de bestreden beschikking. Ik meen evenwel dat de rechtbank, gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer, heeft mogen volstaan met het overwogene. Mijn zoektochtje naar de aard van de koop van het inbeslaggenomen voertuig betreft immers een uitzondering op een uitzondering op een uitzondering in de civiele regelgeving over eigendomsoverdracht. De klager heeft niet eens gesteld dat hem door consumentenkoop een sterker recht toekomt dan het (revindicatie)recht van de als eerste bestolene.

4.6. Dat de eigendom van het voertuig zou berusten bij de verzekeringsmaatschappij, heeft de rechtbank niet vastgesteld. In zoverre falen de stellingen van feitelijke aard die de steller van het middel te berde brengt. Voor een beoordeling daarvan is in cassatie geen ruimte.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In paragraaf 3.1 tot en met 3.3 heb ik getracht HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, voor zover relevant te parafraseren. De laatste zinsnede leid ik af uit HR 3 juni 2003, LJN AF6983. Zie voorts: HR 8 februari 2011, LJN BO2962; HR 27 september 2011, LJN BQ9058; HR 4 oktober 2011, LJN BP9412.

2 Faxpaginanummer 23 van het proces-verbaal van politie.

Nr. 09/04324 B

Mr. Aben

Zitting 7 juni 2011

conclusie inzake:

[Klager]

1. De rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 13 oktober 2009 het ingediende beklag (als bedoeld in artikel 552a Sv) strekkende tot teruggave van een auto aan de klager ongegrond verklaard.

2. Namens de klager heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Ambtshalve wijs ik op het volgende.

3.2. Het wettelijk stelsel brengt mee dat op de rechter de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een ander dan de klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. In dat geval mag de rechter niet treden in de beoordeling van het klaagschrift zonder dat die belanghebbende - indien deze bekend of gemakkelijk traceerbaar is - in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.(1)

3.3. Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken gaat het in deze zaak om een personenauto, met betrekking tot welke personenauto de klager aangifte heeft gedaan van diefstal. Op enig moment wordt desbetreffende auto door de politie gesignaleerd. De twee personen die op dat moment in de auto worden aangetroffen worden voorts ondervraagd. Naar aanleiding van die ondervraging plaatst de politie vraagtekens bij de juistheid van de door de klager gedane aangifte van diefstal. Bij een door de RDW uitgevoerde controle blijkt vervolgens dat het aangetroffen - en door de klager opgegeven - chassisnummer niet bij de betreffende auto hoort; er is namelijk een schutbord ingelast met daarin het aangetroffen nummer. Voorts blijkt de auto overgespoten te zijn en op grond van een voortgezet onderzoek wordt vastgesteld dat bij het voertuig een ander chassisnummer behoort. Aan de hand van dit originele chassisnummer kon worden vastgesteld dat de auto als gestolen gesignaleerd stond. Een afschrift van de door de oorspronkelijke eigenaar - te weten: Autobedrijf [A] B.V. - gedane aangifte is bij de stukken gevoegd. Uit die aangifte blijkt eveneens dat de aangever verzekerd was bij schadeverzekeraar [B].

3.4. Uit het proces-verbaal van de openbare behandeling van de raadkamer d.d. 22 september 2009 kan worden afgeleid dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het autobedrijf dan wel de verzekeringsmaatschappij als eigenaar van de in beslag genomen auto dient te worden aangemerkt, zodat het door de klager ingediende beklag om die reden ongegrond dient te worden verklaard. Naar aanleiding van dat standpunt merkt de beklagrechter op dat het autobedrijf schadeloos is gesteld, waarop de officier van justitie mede deelt dat 'dan (..) de auto naar de verzekeringsmaatschappij [moet].' De rechter merkt vervolgens op dat 'hoewel de schadeverzekeringsmaatschappij [B] niet als belanghebbende is opgeroepen, zij daarmee niet in hun belangen zijn geschaad.' In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard omdat - kort gezegd - de klager de auto van een niet beschikkingsbevoegde heeft gekocht en om die reden niet de eigendom van de auto heeft verkregen nu deze bij autobedrijf [A] B.V. is gebleven.

3.5. Mede gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter openbare behandeling van de raadkamer (zoals hierboven onder 3.4. weergegeven), acht ik het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsmaatschappij door het achterwege laten van een oproeping niet in haar belangen is geschaad niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank had naar mijn inzicht dan ook de behandeling van het namens de klager ingediende klaagschrift op de voet van artikel 552a, vijfde lid, Sv moeten aanhouden teneinde de verzekeringsmaatschappij [B] van het klaagschrift in kennis te stellen, opdat die verzekeringsmaatschappij de gelegenheid werd geboden zelf een klaagschrift in te dienen, dan wel bij de behandeling van dit klaagschrift te worden gehoord.

3.6. Nu uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet blijkt dat zulks is geschied kan de bestreden beschikking reeds om die reden niet in stand blijven, en behoeven de namens de klager voorgestelde middelen geen bespreking.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823 (r.o. 2.5.). En verder: HR 6 januari 2009, LJN BG41893, HR 8 juli 2009, LJN BC8667, HR 11 maart 2003, LJN AF3847 en HR 15 februari 1994, LJN AC4032.