Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU8233

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
10/00610
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU8233
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Artikel 20a, lid 3, Wet IB 1964. Aanmerkelijk belang. Aandelen behoren niet tot één soort aangezien zij verschillen in stemrecht over kwesties die niet op één lijn zijn te stellen met die waarvoor in artikel 20a, lid 3, Wet IB 1964 een uitzondering is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/3075
V-N 2011/67.7
BNB 2012/80 met annotatie van J.P. Boer
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00610

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. C.W.M. VAN BALLEGOOIJEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Derde kamer A

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000

Conclusie van 17 augustus 2010 inzake:

De Staatssecretaris van Financiën

tegen

X

1. Feiten en loop van het geding

1.1 X (hierna: belanghebbende) was tot medio 2000 houder van aandelen in het kapitaal van A BV (hierna: A). A hield zich bezig met de ontwikkeling van draadloze netwerkapparatuur. Op 20 juli 1999 zijn de statuten van A gewijzigd. Bij die wijziging zijn de aandelen in A gesplitst in gewone aandelen A (hierna: aandelen A) en converteerbare niet-cumulatief preferente aandelen B (hierna: aandelen B).

1.2 Belanghebbende was in privé houder van 80.808 aandelen A en 60.000 aandelen B. Daarnaast bezat hij middellijk, door tussenkomst van D Beheer BV, een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, 100.000 aandelen A. In totaal had A geplaatst 2.491.837 aandelen A en 3.375.128 aandelen B. Daarmee bedroeg het door belanghebbende onmiddellijk en middellijk gehouden belang in het geplaatste kapitaal van de aandelen A afgerond 7,3% (180.808/2.491.837) en in het geplaatste kapitaal van de aandelen B afgerond 1,8% (60.000/3.375.128). Zijn belang in het totaal geplaatste aandelenkapitaal (aandelen A plus aandelen B) bedroeg afgerond 4,1% (240.808/5.866.965).

1.3 Blijkens de statuten van A zoals die na wijziging per 20 juli 1999 luidden bedraagt de nominale waarde van zowel haar aandelen A als haar aandelen B ƒ 0,05. De statutaire verschillen tussen de aandelen A en de aandelen B komen tot uitdrukking in vier artikelen:

WINSTBESTEMMING

Artikel 21. (...)

6. De vordering tot uitkering van toegekend dividend op aandelen A verjaart door een tijdsverloop van vijf jaar. De vordering tot uitkering van toegekend dividend op de preferente aandelen verjaart niet. (...)

VERGADERINGEN VAN AANDEELHOUDERS (...)

Artikel 23. (...)

11. De algemene vergadering van aandeelhouders kan, behoudens enig ander statutair vereiste en mits er preferente aandelen worden gehouden door anderen dan de vennootschap, slechts besluiten nemen omtrent de navolgende onderwerpen in een vergadering waarin:

-tenminste zevenenzestig procent (67%) van alle aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn en voor het voorstel hebben gestemd; en

-tenminste de helft van de houders van preferente aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd is en voor het voorstel heeft gestemd,

te weten:

a. vaststelling of uitbetaling van dividenden op gewone aandelen of terugkoop van preferente of gewone aandelen (met uitsluiting van terugkoop volgens werknemersaandelenoptieplannen of afkoop, die daarin wordt bedoeld);

b. fusie, splitsing, consolidatie, verkoop of afstoting van alle of bijna alle eigendommen of activa van de vennootschap;

c. uitgifte van aandelen, aandelenopties, obligaties of vergelijkbare rechten, beperken of verminderen van opties op uitgifte of verkoop van aandelen, afstand doen van- of beperken van het storten ("pay-in") van kapitaal of het wijzigen van het werknemersoptieplan;

d. verkoop of vervreemding door de vennootschap van aandelen in haar eigen kapitaal;

e. vermindering van het geplaatste kapitaal of afwijken van het vereiste om het kapitaal te verminderen in verhouding tot het totale geplaatste en gestorte aandelenkapitaal;

f. het wijzigen van de aard van de onderneming dan wel haar activiteiten;

g. wijzigen van de statuten;

h. liquidatie of ontbinding, of het indienen van een verzoek tot faillissement of surséance van betaling;

i. vaststelling en/of goedkeuring van de jaarrekening;

j. de benoeming van leden van de directie;

k. het aanstellen of veranderen van accountants van de vennootschap;

l. het in licentie geven van intellectuele eigendomsrechten van de vennootschap, één en ander anders dan in de normale gang van zaken.

FUSIE, STATUTENWIJZIGING, ONTBINDING

Artikel 27 (...)

5. Van het liquidatiesaldo wordt allereerst op de preferente aandelen uitgekeerd het nominale op die aandelen gestorte bedrag alsmede het op de preferente aandelen gestorte agio, ponds ponds gewijze te verdelen over de preferente aandelen, en vervolgens het op deze aandelen in enig boekjaar eventueel toegekende dividend voorzover niet of niet volledig uitgekeerd. Hetgeen daarna resteert, wordt aan de houders van gewone aandelen en andere rechthebbenden in verhouding tot ieders recht uitgekeerd. (...)

CONVERSIEBEPALING

Artikel 28

Bij en ten tijde:

-van een eenstemmig besluit van de vergadering van preferente aandeelhouders tot na te melden omzetting, dan wel bij en ten tijde van de in dat besluit genoemde datum, welk besluit moet worden genomen in een vergadering waarin alle houders van preferente aandelen aanwezig zijn;

of

-van de eerste notering van aandelen van de vennootschap op een effectenbeurs, zullen zonder dat daartoe enige nadere rechtshandeling benodigd zal zijn, alle alsdan uitstaande preferente aandelen, zijn geconverteerd in evenzovele gewone aandelen van gelijke nominale waarde, en aansluitend genummerd na de alsdan reeds geplaatste gewone aandelen.(...)"

1.4 In maart en april 2000 heeft het bestuur van A onderhandeld met een Amerikaans, beursgenoteerd bedrijf over een overname van A door deze laatste partij. Op 27 april 2000 is hiertoe een principeovereenkomst gesloten. Uiteindelijk is op 29 mei 2000 een share purchase agreement getekend en heeft de overnemende partij alle aandelen in het kapitaal van A verkregen tegen toekenning van eigen aandelen. Belanghebbende heeft in dat kader in privé 71.170 aandelen in de overnemende vennootschap ontvangen.

1.5 Belanghebbende heeft de door hem gehouden aandelen in het kapitaal van A niet gerekend tot een (soort) aanmerkelijk belang. Ter zake van de verkoop van zijn aandelen aan het Amerikaanse, beursgenoteerde bedrijf heeft hij in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) voor het jaar 2000 geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen als winst uit aanmerkelijk belang. De definitieve aanslag is opgelegd conform de ingediende aangifte.

1.6 Nadien heeft de Inspecteur(1) een renseignement ontvangen betreffende A van een ambtgenoot belast met de heffing van vennootschapsbelasting. Naar aanleiding van dit renseignement heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de aandelen A en aandelen B verschillende soorten vormen, zodat belanghebbende beschikte over een soort aanmerkelijk belang in het kapitaal van de aandelen A als bedoeld in artikel 20a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB'64). De door belanghebbende gehouden aandelen B zijn door hem mede tot dat belang gerekend op de voet van artikel 20a, vierde lid, van de Wet IB'64 (de meesleepregeling). Het door belanghebbende met de verkoop van zijn aandelen in het kapitaal van A behaalde vervreemdingsvoordeel is vervolgens aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. De daarover verschuldigde belasting is door middel van de onderhavige navorderingsaanslag van belanghebbende geheven.

1.7 Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen die navorderingsaanslag gerichte bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag vernietigd.(2) De Inspecteur heeft hierop hoger beroep ingesteld. Gerechtshof 's-Gravenhage (hierna: het Hof) heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.(3) De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld.(4)

2. Het geschil

Rechtbank

2.1 Voor de Rechtbank was onder meer in geschil of de door belanghebbende in 2000 vervreemde aandelen in het kapitaal van A behoorden tot een aanmerkelijk belang. Meer in het bijzonder was in geschil of de door A uitgegeven aandelen A en aandelen B afzonderlijke soorten vormen als bedoeld in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64.

2.2 Voor de uitleg van het begrip soort aandeel citeert de Rechtbank uit de wetgeschiedenis van dit artikellid en van artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud) welk artikellid vóór 1 januari 1997 voorzag in een soortbenadering. De Rechtbank komt vervolgens tot de volgende afbakening van het begrip soortaandeel:(5)

4.5. Kenmerk van soortaandelen is dat zij niet met andere soortaandelen dooreen leverbaar zijn. Een vennootschap kan evenwel afzonderlijke categorieën aandelen uitgeven waaraan verschillende rechten zijn verbonden, en die daarom niet dooreen leverbaar zijn, maar die niettemin voor de aanmerkelijk-belangregeling maar één aandelensoort vormen. De wet maakt een uitzondering voor zeggenschapsrechten en benoemingsrechten, en uit het gebruik van de woorden 'of een daarmee vergelijkbare regeling' leidt de rechtbank af dat die opsomming niet limitatief kan zijn bedoeld.

4.6. Voorwerp van de aanmerkelijk-belangregeling zijn winsten en reserves. Vennootschappelijke regelingen waarbij zeggenschapsrechten worden gevestigd of een aanbiedingsregeling wordt getroffen, raken niet het voorwerp van de aanmerkelijk-belangregeling en creëren om die reden geen aparte aandelensoort. Statutaire bepalingen daarentegen die aan een afzonderlijke categorie aandelen een bijzondere gerechtigdheid tot het liquidatieoverschot of een bepaald activum van de vennootschap toekennen, raken wel het voorwerp van de aanmerkelijk-belangregeling en maken dat wel sprake is van aparte aandelensoorten.

4.7. De soortbenadering is in het leven geroepen om zogenoemde verwateringsconstructies tegen te gaan, waarbij aandelen met bijzondere winstrechten werden uitgegeven om de heffing te ontlopen van inkomstenbelasting over aanmerkelijk-belangvoordelen. Om in een concreet geval te kunnen oordelen of sprake is van één of meerdere aandelensoort(en) moet daarom worden onderzocht of er verschillende categorieën aandelen zijn gecreëerd die niet in gelijke mate delen in de winsten en reserves van de vennootschap.

2.3 Vervolgens past de Rechtbank deze afbakening toe op belanghebbendes geval. Zij constateert dat de aandelen A en aandelen B verschillende rechten kennen ter zake van het verjaren van dividendvorderingen en het toekennen van een eventueel liquidatiesaldo. Ondanks deze verschillen komt de Rechtbank tot de slotsom dat de aandelen A en aandelen B in het kapitaal van A voor de toepassing van het aanmerkelijk belangregime één soort vormen, na te hebben overwogen (CvB: lees A voor J BV):

4.9. Verweerder heeft, ondanks het verzoek van de rechtbank daartoe, het verschil tussen de aandelen A en de aandelen B niet in een geldswaarde kunnen uit drukken. Eiser heeft gesteld dat de houders van gewone aandelen het op basis van de stemverhouding in de vergadering van aandeelhouders in hun macht hebben om zowel de toekenning van dividend te blokkeren als een besluit tot liquidatie van de vennootschap. Nu verweerder dit laatste onvoldoende heeft weersproken moet het nuttig effect van het onderscheid voor de houders van aandelen B worden betwijfeld.

4.10. Bij de aandelenruil in het jaar 2000 is in de ruilverhouding geen onderscheid gemaakt tussen de aandelen A en de aandelen B. In zoverre waren de aandelen klaarblijkelijk dooreen leverbaar.

4.11. Voorts hecht de rechtbank belang aan de mening van op met name op het terrein van de aanmerkelijk-belangregeling deskundige O. Volgens hem zijn de aandelen J BV dooreen leverbaar en behoren de door J BV uitgegeven aandelen A en B tot dezelfde soort.

4.12. De rechtbank stelt vast dat de aandelen A en de aandelen B in gelijke mate delen in de winst, reserves en het liquidatieoverschot van J BV. Voorts staat vast dat de statutaire bepalingen ter zake van het verjaren van dividendvorderingen en het uitbetalen bij liquidatie van gestort kapitaal, agio en niet uitgekeerd dividend, aan de door J BV uitgegeven aandelen A geen winstrechten toekent die zijn te onderscheiden van de winstrechten die zijn verbonden aan de aandelen B, zodat deze bepalingen niet direct het voorwerp van de aanmerkelijk-belangregeling raken. Deze vaststellingen, beschouwd in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, leiden de rechtbank tot de slotsom dat de aandelen A en de aandelen B voor toepassing van de aanmerkelijk-belangregeling één soort vormen.

2.4 Dit oordeel brengt volgens de Rechtbank mee dat belanghebbendes aanmerkelijk belang in het aandelenkapitaal van A in 1999 door verwatering is beëindigd - kennelijk vanwege de verlettering van het aandelenkapitaal bij statutenwijziging van 20 juli 1999 en de uitgifte van aandelen later dat jaar -, zodat in dat jaar sprake was van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB'64. Aangezien belanghebbende ter zake van die vervreemding niets in zijn aangifte voor het jaar 1999 heeft vermeld, gaat de Rechtbank in op de vraag of hij daarmee impliciet heeft verzocht om doorschuiving van het behaalde vervreemdingsvoordeel op de voet van artikel 20e van de Wet IB'64. Daarvan kan echter geen sprake zijn, aldus de Rechtbank, omdat belanghebbende hierom niet expliciet heeft verzocht.

2.5 De Rechtbank komt tot de slotsom dat belanghebbende in 1999 en niet in 2000 winst uit aanmerkelijk belang heeft behaald, zodat de overigens door belanghebbende aangevoerde standpunten geen behandeling behoeven, het beroep gegrond moet worden verklaard en zowel de uitspraak op bezwaar als de navorderingsaanslag dient te worden vernietigd.

Hof

2.6 Het Hof heeft het geschil omschreven:

4.1 In geschil is of belanghebbende in 2000 aandelen heeft vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden, waarbij het geschil zich toespitst tot de vraag of door A uitgegeven 'aandelen A' en 'aandelen B' voor de toepassing van de Wet IB 1964 afzonderlijke soorten aandelen vormen. (...)

Indien geen sprake is van verschillende soorten aandelen is in geschil of belanghebbende heeft verzocht om doorschuiving van het voordeel als bedoeld in artikel 20e van de Wet IB'64. Indien de aandelen A en aandelen B wel verschillende soorten vormen, dan is voorts in geschil: i) of de Inspecteur met het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, ii) of de ruil van aandelen A tegen aandelen in de overnemende partij kan worden aangemerkt als een aandelenfusie als bedoeld in artikel 14b van de Wet IB'64, iii) of het vervreemdingstijdstip is gelegen op 27 april 2000 of op 29 mei 2000 en iv) op welk bedrag de vervreemdingprijs moet worden gesteld.

2.7 Met betrekking tot de vraag of sprake is van afzonderlijke soorten aandelen, citeert het Hof uit de Wet IB'64 (r.o. 6.1) en wetsgeschiedenis (r.o. 6.3) en leidt hieruit af dat:

6.4. (...) voor de toepassing van de soortregeling binnen het aanmerkelijk belangregime van belang is of de aandelen naar evenredigheid van de nominale waarde recht geven op een gelijke verdeling van de jaarwinst en de winstreserves. Zijn de winstrechten naar evenredigheid gelijkluidend en de aanspraken op de winstreserves gelijk, dan is sprake van één soort, ook al zijn aan de verschillende aandelen naast de winstrechten nog bijzondere rechten verbonden. De soortbenadering in de regeling van het aanmerkelijk belang strekt er immers toe te voorkomen dat minder dan vijf procent van het totaal geplaatste aandelenkapitaal recht geeft op vijf procent of meer van de winstreserves.

2.8 Aldus bezien vormen naar het oordeel van het Hof de aandelen A en aandelen B één soort. Het Hof overweegt daartoe:

6.6. Het Hof stelt vast dat de aandelen A en de aandelen B, buiten de situatie van ontbinding van de vennootschap en afgezien van een mogelijke verjaring van dividendvorderingen, in gelijke mate delen in de jaarwinst en de winstreserves. Ook zullen bij en ten tijde van een eerste notering van de aandelen in A op een effectenbeurs alle alsdan uitstaande aandelen B, zonder dat daartoe enige nadere rechtshandeling benodigd zal zijn, zijn geconverteerd in evenzoveel aandelen A van gelijke nominale waarde. Tot slot blijkt uit de onder 3.9 beschreven overname van het volledige geplaatste aandelenkapitaal in A dat bij het bepalen van de overnamewaarde geen onderscheid is gemaakt tussen de aandelen A en de aandelen B. Evenmin is onderscheid gemaakt bij de onderlinge toedeling van de aandelen H.

6.7. Nu voorts ontbinding van A of verjaring van een eventuele dividendvordering op A nimmer aan de orde is geweest, kunnen de ter zake van ontbinding en verjaring afwijkende statutaire bepalingen er niet toe leiden dat aan de aandelen A en de aandelen B verschillende winstrechten toekomen en vormen deze aandelen A en B één soort voor de toepassing van de regeling van het aanmerkelijk belang. Het Hof overweegt daarbij dat de wetgever letteraandelen waarbij nog geen verschillende dividendreserves zijn gevormd niet als verschillende soorten aanmerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 033, nr. 5, blz. 5 e.v.) en dat een afwijkende gerechtigdheid tot het liquidatiesaldo pas relevant wordt wanneer een overschot bij liquidatie aanwezig blijkt te zijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 033, nr. 9, blz. 2). Ook overigens heeft belanghebbende in het jaar 2000 nimmer aanspraak gehad op vijf procent of meer van de winstreserves zodat zich te dezen niet een situatie voordoet waartoe de soortbenadering in de wet is opgenomen.

2.9 Voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 20e van de Wet IB'64 oordeelt het Hof dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt die beslissing tot de zijne. De overige geschilpunten behoeven, gelet hierop, geen behandeling. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Cassatie

2.10 De Staatssecretaris heeft op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld.

2.11 De Staatssecretaris heeft als middel van cassatie voorgedragen:

Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 20a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (...) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft beslist dat geen sprake is van verschillende soorten aandelen in de zin van genoemde bepaling, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:

a. er vermogensrechtelijke verschillen bestaan tussen de aandelen A en de aandelen B;

b. er ook andere dan vermogensrechtelijke verschillen bestaan tussen de aandelen A en de aandelen B dan de genoemde uitzonderingen in (...) artikel 20a, derde lid, Wet IB 1964;

c. de opvatting van het Hof is gebaseerd op een onjuiste uitleg van de wetsgeschiedenis.

2.12 Belanghebbende noch zijn gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend. Als een later ingekomen geschrift van belanghebbendes gemachtigde in een andere zaak vanwege de vermelding daarin van het onderhavige procedurenummer al zou moeten worden aangemerkt als een verweerschrift in deze zaak, is het buiten de gestelde termijn voor het voeren van verweer en dus niet tijdig ingekomen.

3. De soortbenadering in het aanmerkelijk belangregime vóór 1997

3.1 Het aanmerkelijk belangregime voorziet sinds 20 maart 1991(6) in een soort aanmerkelijk belang. De voorziening werd nodig geacht om verwateringsconstructies tegen te gaan. Door de uitgifte en plaatsing van aandelen die niet in gelijke mate deelden in jaarwinst of reserves zakte het bezit van gewone aandelen van een belastingplichtige procentueel onder de destijds geldende grens voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang (het verwateren). Zo kon heffing over de vervreemdingswinst na ommekomst van de vijfjaarsperiode van het aflopende aanmerkelijk belang worden ontlopen (het verdampen). Destijds was de soortbenadering opgenomen in artikel 39, derde lid, derde, vierde en vijfde volzin, van de Wet IB'64 (oud). De drie volzinnen van dat artikellid luidden destijds(7) (spatiëring van mij, CvB):

3. (...) Ingeval de vennootschap in de loop van de laatste vijf jaren verschillende soorten nominaal gestort kapitaal heeft gehad, wordt, behoudens voor de toepassing van de artikelen 59 en 60, ook een aanmerkelijk belang in een soort aanwezig geacht indien met betrekking tot die soort wordt voldaan aan de eerste volzin, mits de belastingplichtige aldus gerechtigd is tot enig vermogensbestanddeel of reserve van de vennootschap waarin niet alle aandeelhouders - uitgezonderd de houders van de aandelen als bedoeld in de tweede volzin - voor gelijke delen zijn gerechtigd; ingeval de aandelen in de loop van de laatste vijf jaren ten aanzien van de belastingplichtige en, indien het negende lid toepassing heeft gevonden, ten aanzien van zijn rechtsvoorganger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht niet tot een aanmerkelijk belang ingevolge de eerste volzin dan wel ingevolge artikel 40, tweede lid, behoorden, blijft, in afwijking in zoverre van het eerste lid, van het voordeel uit de vervreemding buiten aanmerking het gedeelte waarvan blijkt dat dit geen verband houdt met de aangroei van de waarde van het bedoelde vermogensbestanddeel of de bedoelde reserve in de periode waarin de belastingplichtige en bedoelde rechtsvoorganger aandeelhouder zijn geweest.

Ingeval de belastingplichtige in de loop van de laatste vijf jaren aandeelhouder is geweest in verschillende soorten nominaal gestort kapitaal, wordt de derde volzin allereerst toegepast als waren die soorten een soort; ingeval alsdan geen aanmerkelijk belang aanwezig is, wordt die volzin toegepast per soort.

Voor de toepassing van de derde volzin worden aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan onderscheiden louter doordat aan die aandelen andere dan vermogensrechtelijke aanspraken zijn verbonden, beschouwd als behorende tot een soort.

3.2 In de Memorie van Toelichting is ingegaan op de uitleg van het begrip soort aandelen:(8)

Van verschillende soorten nominaal gestort kapitaal in een vennootschap (...) is sprake indien niet alle aandelen in dat kapitaal onderling vervangbaar, dat wil zeggen: dooreen leverbaar, zijn. Daarbij kan met name worden gedacht aan aandelen die onderling verschillen omdat daarin ongelijke rechten zijn belichaamd ten aanzien van de jaarwinst en/of de (dividend)reserves van de vennootschap en voorts aan aandelen die onderling verschillen omdat zij niet dezelfde stemrechten vertegenwoordigen; ook combinaties van de bedoelde verschillen kunnen zich uiteraard voordoen.

3.3 In de Memorie van Antwoord wordt een voorbeeld gegeven van aandelen die niet dooreen leverbaar zijn en aldus een afzonderlijke soort vormen:(9)

Als voorbeeld van aandelen die niet dooreen leverbaar zijn noem ik letteraandelen met dividendreserves waarvan de omvang niet gelijk is. Alleen indien dividendreserves (nog) niet zijn gevormd, of deze even groot zijn, zullen de desbetreffende letteraandelen wel onderling verwisselbaar kunnen zijn, dus dooreen leverbaar.

Niet dooreen leverbaar acht ik bijvoorbeeld ook aandelen die zich onderling onderscheiden door een verschil in stemrecht of benoemingsrecht met betrekking tot de organen van de vennootschap.

De wetgever is van oordeel dat deze invulling van de soortbenadering past in de ratio van de aanmerkelijk belangregeling. Hij spitst dit toe op letteraandelen:(10)

Met betrekking tot letteraandelen merk ik het volgende op. Onder letteraandelen versta ik in dit verband aandelen die recht geven op de winstreserves en zich van de andere aandelen in de vennootschap onderscheiden door bijzondere statutaire bevoegdheden. Daarbij kan worden gedacht aan bepaalde benoemingsrechten of aan de mogelijkheid, voor de betrokken aandeelhouder(s), om een eigen dividendbeleid te realiseren met gebruikmaking van zogeheten dividendreserves.

Met betrekking tot de letteraandelen waarbij in de vennootschap een dividendreserve kan worden gevormd merk ik het volgende op, dit mede als reactie op de opmerking van de leden van de fractie van de V.V.D. en van D66 dat zij het in de toekomst onder het aanmerkelijk-belangregime kunnen vallen van letteraandeel-pakketten welke daar thans niet onder vallen, als onwenselijk beschouwen. Anders wellicht dan deze leden ben ik van oordeel dat de consequenties die voor de hier besproken letter-aandelen uit de in het wetsvoorstel gekozen "soort"-benadering kunnen voortvloeien, zeer wel passen in de ratio van het aanmerkelijk-belang-regime. Een aandeelhouder met letteraandelen kan veelal de omvang van de winstuitkeringen op die aandelen bepalen, althans daarop grote invloed uitoefenen. Letteraandelen worden immers juist gecreëerd om de dividendpolitiek van de vennootschap te kunnen beïnvloeden. Daarmee onderscheidt de houder van letteraandelen zich duidelijk van de gewone aandeelhouder-belegger. Daarmee vallen letteraandelen ook heel duidelijk onder de ratio van het aanmerkelijk-belangregime, welke ratio immers is dat de aanmerkelijk-belanghouder uit hoofde van zijn machtspositie in de vennootschap veelal zelfstandig de omvang van de winstuitdelingen kan bepalen, althans daarop grote invloed kan uitoefenen.

3.4 De Kamerleden Vreugdenhil en Van der Vaart meenden dat het oorspronkelijke wetsvoorstel een zekere overkill bevatte en dienden een amendement in om die overkill zoveel mogelijk weg te nemen en voorts om het wetsvoorstel aan te scherpen. Het amendement hield onder meer het voorstel in om aan artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 de vijfde (slot)volzin in te voegen (zie 3.1). Die toevoeging aan de soortbenadering is toegelicht:(11)

Van een aanmerkelijk belang ingevolge die soortbenadering is dan echter uitsluitend sprake indien het gaat om aandelen die ten opzichte van door anderen in de vennootschap gehouden aandelen - waarbij ook hier preferente aandelen en prioriteitsaandelen buiten beschouwing blijven - een bijzondere gerechtigheid kennen tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap.

(...)

Bij een bijzondere gerechtigheid wordt primair gedacht aan aandelen waarvan een zogenaamde dividendreserve is verbonden. Voorts kan in dit kader worden gedacht aan aandelen die met uitsluiting van andere aandelen zijn gerechtigd tot de stille reserves met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen van de vennootschap. Ook valt hieronder de situatie dat niet alle aandelen voor gelijke delen zijn gerechtigd tot het overschot dat bij liquidatie van de vennootschap aanwezig blijkt te zijn. (...)

3.5 De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel met het amendement met algemene stemmen aan.(12)

3.6 Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer is (opnieuw) ingegaan op het begrip soort aandelen. In de Memorie van Antwoord wordt er een paragraaf aan gewijd. Net als tijdens de behandeling in de Tweede Kamer wordt opgemerkt dat aandelen behoren tot eenzelfde soort indien de aandelen dooreen leverbaar zijn. Vervolgens wordt een voorbeeld gegeven van aandelen waarvoor dit niet geldt:(13)

Als voorbeeld van aandelen die niet dooreen leverbaar zijn, kunnen worden genoemd letteraandelen met een dividendreserve waarvan de omvang niet gelijk is. Wel dooreen leverbaar zijn letteraandelen met een dividendreserve van gelijke omvang, mits ook overigens aan deze aandelen geen verschillende rechten zijn verbonden. Uit de jurisprudentie (Hoge Raad 13 februari 1980, BNB 1980/93) blijkt dat aandelen die door nummering geïndividualiseerd zijn, toch nog onderling vervangbaar kunnen zijn.

Gelet hierop wordt de vraag of elk letteraandeel een soort aandeel vormt, ontkennend beantwoord:

Letteraandelen A, recht gevend op het vormen van een dividendreserve en letteraandelen B, eveneens recht gevend op het vormen van een dividendreserve, behoren zolang nog geen of gelijke dividendreserves zijn gevormd - en mits ze overigens dooreen leverbaar zijn - tot eenzelfde soort aandelen. Aandelen die zich van "gewone" aandelen onderscheiden uitsluitend door de aanwezigheid van niet-vermogensrechtelijke aanspraken als een benoemingsrecht, het [r]echt de naam van het bedrijf te mogen bepalen, zijn niet dooreen leverbaar en vormen derhalve in beginsel een aparte soort.

De aan te leggen toets is tweeledig: eerst wordt vastgesteld of sprake is van gelijke of ongelijke gerechtigdheid (en dus van een soort aandeel in zijn algemeenheid) om vervolgens vast te stellen of dat verschil louter is terug te voeren op een bijzondere gerechtigheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap (de toets van de onevenredige gerechtigdheid):

De leden van de C.D.A.-fractie vragen voorts of bij de beoordeling of een aparte soort aandelen aanwezig is, alleen de gerechtigdheid tot winstreserves c.q. vermogensbestanddelen een rol speelt. De opbouw van artikel 39, derde lid, is zo, dat de zinsnede in de derde volzin van artikel 39, derde lid "mits de belastingplichtige aldus gerechtigd is tot enig vermogensbestanddeel of reserve van de vennootschap" eerst aan de orde komt nadat is vastgesteld of sprake is van een aanmerkelijk belang in een soort. Voor de vraag of sprake is van een soort aandelen speelt de onderlinge uitwisselbaarheid - ik ben daarop hiervoor ingegaan - een rol. Is er in beginsel sprake van een aanmerkelijk belang in een soort, dan volgt de toets van de onevenredige gerechtigdheid. De onderhavige zinsnede vormt dus geen kwalitatief element voor het begrip soort aandeel, zoals in de literatuur wel wordt gesuggereerd. Het begrip soort aandeel heeft qua definiëring dan ook geen wijziging ondergaan ten opzichte van het wetsvoorstel vóór amendering. Zowel Van Dijck (paragraaf 5, derde alinea), Blokland (paragraaf 3.6.1, derde alinea) als Bruggink/Kavelaars (paragraaf 2, toets 3, alsmede paragraaf 3.1) hebben het hiervoor geciteerde zinsdeel blijkbaar als volgt gelezen: bij aanwezigheid van verschillende soorten nominaal gestort kapitaal wordt ook een aanmerkelijk belang in een soort aanwezig geacht indien wordt voldaan aan - globaal gesteld - het 1/3-criterium van de eerste volzin en indien sprake is van een niet gelijke gerechtigdheid. De strekking is echter dat "en indien" moet worden geïnterpreteerd als: doch alleen indien, of mits. Verwezen zij naar de toelichting bij het amendement, met name de stapsgewijze opbouw ervan. Uit de zin in de tweede alinea van die toelichting "Van een aanmerkelijk belang ingevolge die soort benadering is dan echter uitsluitend sprake indien...." kan naar mijn mening niet anders worden geconcludeerd dan dat het woord "mits" in de wettekst tot uitdrukking brengt een additionele voorwaarde voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang en niet een nadere uitleg van het begrip soort aandelen.

3.7 Door de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992, behoefde artikel 39, derde lid, laatste volzin, van de Wet IB'64 al kort na de inwerkingtreding per 20 maart 1991 aanpassing. De laatste volzin van artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud) luidde van 1 januari 1992 tot 1 januari 1997:

(...) Voor de toepassing van de derde volzin worden aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan onderscheiden uitsluitend doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, beschouwd als behorende tot een soort.

3.8 De Memorie van Toelichting vermeldt:(14)

In de huidige redaktie van artikel 39, derde lid, laatste volzin, wordt gesproken van aandelen waaraan andere dan vermogensrechtelijke aanspraken zijn verbonden. Hiermee wordt blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken I, 1990/91, 21 033, nr. 118, blz. 4) onder meer gedoeld op aandelen die zich van "gewone" aandelen onderscheiden door de aanwezigheid van niet-vermogensrechtelijke aanspraken als bijvoorbeeld een benoemingsrecht of het recht de naam van het bedrijf te mogen bepalen. In het nieuw B.W. wordt het begrip "vermogensrechten" gedefinieerd (artikel 3.1.1.5 van het Burgerlijk Wetboek). Deze definitie is zo ruim dat daaronder ook de hiervoor genoemde nietvermogensrechtelijke aanspraken zouden kunnen vallen. Met de bedoeling van artikel 39, derde lid, laatste volzin, is dit uiteraard niet in overeenstemming. Derhalve wordt thans voorgesteld niet langer te spreken over "vermogensrechtelijke aanspraken" maar over rechten "welke direct verband houden met de gerechtigdheid tot de winst".

3.9 In de Nota n.a.v. het verslag werd benadrukt dat met de wijziging van de laatste volzin geen wijziging werd beoogd van de bedoeling van de soortbenadering (het tegengaan van constructies). In de vragen dienaangaande tijdens de parlementaire behandeling heeft de wetgever evenwel aanleiding gezien nog eens goed te kijken naar de redactie van de voorgestelde wijziging:(15)

Bij nader inzien is die redactie wat te beperkt nu daarin alleen wordt gesproken over "andere rechten... dan die welke verband houden met de gerechtigdheid tot de winst". Daarom stellen wij in de bijgevoegde tweede nota van wijziging voor die volzin niet langer in negatieve bewoordingen te formuleren, doch met zoveel woorden aan te geven op welke "andere dan vermogensrechtelijke aanspraken" die bepaling betrekking heeft. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met deze niet-vermogensrechtelijke aanspraken wordt gedoeld op een aan de aandelen verbonden benoemingsrecht of het recht de naam van het bedrijf te mogen bepalen, alsmede op een voor de aandelen geldende afwijkende aanbiedingsregeling. Het in de wet opnemen van een positieve omschrijving waarin alleen deze rechten worden genoemd, kan het risico inhouden dat met het oog op de soortbenadering aandelen worden uitgegeven waaraan rechten of regelingen worden verbonden die met bovengenoemde rechten of regelingen overeenkomen, maar net niet onder de bewoordingen van de wettekst kunnen worden begrepen. Met de uitbreiding van de genoemde rechten en regelingen tot daarmee vergelijkbare rechten of regelingen wordt beoogd dat risico uit te sluiten.

4. De soortbenadering in het aanmerkelijk belangregime na 1997

4.1 Per 1 januari 1997 is het aanmerkelijk belangregime in de Wet IB'64 ingrijpend gewijzigd. Onder het nieuwe regime werd een daling van het aandelenbezit onder de grens voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang aangemerkt als een fictieve vervreemding.(16) De eerder genoemde verwateringsconstructies (zie 3.1) werden op die manier bestreden. Toch heeft de wetgever aanleiding gezien ook onder het nieuwe regime een soortbenadering te handhaven. De handhaving van een ten opzichte van de voordien geldende regeling van artikel 39, derde lid, Wet IB'64 sterk vereenvoudigde soortbenadering, was volgens de wetgever nodig om misbruik door manipulatie van het aandelenbezit tegen te gaan. De Memorie van Toelichting vermeldt in dat kader:(17)

Hoewel verwateringsconstructies zoals die tot de wijziging van artikel 39 van de Wet IB 1964 per 20 maart 1991 plaatsvonden, onder het voorgestelde regime niet meer mogelijk zijn omdat het zogenoemde aflopend aanmerkelijk belang wordt afgeschaft en daarvoor een fictief aanmerkelijk belang in de plaats komt (zie nader artikel 20e), zijn ook onder het voorgestelde regime manipulaties met soort-aandelen te vrezen ingeval daartegen geen bepalingen worden opgenomen. Ik denk hierbij aan de volgende situatie. Een belastingplichtige wenst een turbo-vennootschap met een aandelenkapitaal van f 40 000 en een waardeloos geworden schuldvordering van nominaal f 500 000 aan te schaffen. Alvorens hij deze aandelen en schuldvorderingen verwerft, worden de aandelen omgevormd tot f 1000 gewone aandelen en f 39 000 6% cumulatief preferente aandelen. Belastingplichtige verwerft vervolgens de gewone aandelen en de schuldvordering, terwijl de cumulatief preferente aandelen achterblijven bij een tussenpersoon. Belastingplichtige heeft, ingeval de soort-benadering zou vervallen, geen aanmerkelijk belang en nadat de vordering onbelast is volgelopen, worden de preferente aandelen bijgekocht. Dit voorbeeld laat zien dat manipulatie ook mogelijk blijft, hoewel het aanmerkelijk-belangpercentage is verlaagd naar 5%. Een soort-benadering acht ik derhalve noodzakelijk.

4.2 De vereenvoudigde soortbenadering werd opgenomen in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64 (tekst 1997 tot en met 2000), dat luidde (spatiëring van mij, CvB):

3. (...) Ingeval een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft, wordt ook een aanmerkelijk belang aanwezig geacht indien de belastingplichtige, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is.

Voor de toepassing van dit lid worden aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan onderscheiden uitsluitend doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, beschouwd als behorende tot een soort.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aandelen niet worden aangemerkt als aandelen van een soort. (...).

4.3 De leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie waren echter (nog) niet overtuigd van de noodzaak van het opnemen van een soortbenadering. Door de PvdA-fractie werd gesteld dat de bepaling achterwege zou kunnen blijven, nu onder het herziene aanmerkelijk belangregime van verwatering van het aandelenbezit geen sprake meer kan zijn door verlaging van de grens tot 5% en het in aanmerking nemen van een fictieve vervreemding wanneer niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang. De VVD-fractie vroeg zich af of het nieuwe regime aan eenvoud zou winnen door de soortbenadering te laten vervallen.(18) In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat de soortbenadering noodzakelijk is om manipulaties te voorkomen:(19)

De praktijk leert dat belastingplichtigen en hun adviseurs al dan niet met behulp van gekunstelde constructies snel inspelen op ontgaansmogelijkheden. Deze worden met de soortbenadering voorkomen. Naar mijn mening is de soortbenadering dan ook noodzakelijk, ook al is het vanuit de gewenste eenvoud bezien jammer dat de wettekst daardoor wordt gecompliceerd.

4.4 In zijn Advies ging de Raad van State in op de betekenis van de soortbenadering en kwam met het advies het begrip soort aandeel te omschrijven:(20)

11. Zoals in punt 3 van dit advies reeds is opgemerkt zijn aan het aandeelhouderschap benoemings- en zeggenschapsrechten (stemrecht) alsmede vermogensrechten (winstrecht) verbonden. Bij de beoordeling of sprake is van verschillende soorten aandelen wordt onder de vigerende regeling naar het winstrecht en niet naar het stemrecht gekeken (artikel 39, derde lid, laatste volzin, Wet IB'64). Naar het oordeel van de Raad, mede gezien het voorbeeld dat in de toelichting is gegeven om het belang van de soort benadering aan te geven, ligt de betekenis van een soort aandeel met name in de aan dat aandeel verbonden winstrechten en niet in het stemrecht. De Raad adviseert het voorstel aan te vullen met een omschrijving van hetgeen onder een soort aandelen moet worden verstaan.

Het advies werd niet gevolgd: een omschrijving van soort aandelen werd niet opgenomen. In plaats daarvan werd besloten de derde volzin in artikel 20a, derde lid, op te nemen. Het Nader Rapport vermeldt:(21)

11. De noodzaak voor de regeling inzake soort-aandelen houdt verband met de verschillende winstrechten die aan aandelen kunnen zijn verbonden. Aandelen behoren tot dezelfde soort als de daaraan verbonden rechten identiek zijn. Naar aanleiding van het advies van de Raad heb ik voor de vraag of sprake is van verschillende soorten aandelen overeenkomstig de bestaande wettekst een uitzondering gemaakt voor aandelen die zich uitsluitend van andere aandelen onderscheiden doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt.

4.5 Hoewel de voorgestelde wettekst dus zelf geen omschrijving of definitie bevatte, heeft de wetgever zich in de Memorie van Toelichting uitgelaten over de vraag wat moet worden verstaan onder soort aandelen:(22)

Een vennootschap heeft meer soorten aandelen ingeval de aan de aandelen verbonden rechten niet identiek zijn. Hierbij zij opgemerkt dat aandelen die slechts verschillen door het nominale bedrag, maar waarvan de aan de aandelen verbonden rechten overigens identiek zijn, tot eenzelfde soort behoren. Gedacht kan worden aan een vennootschap die gewone aandelen heeft uitstaan met een nominale waarde van ƒ 1000 en ƒ 100, maar die - in verhouding tot het nominale bedrag - in dezelfde mate delen in de winstreserves. Overeenkomstig de thans geldende regeling worden aandelen die zich uitsluitend van andere aandelen onderscheiden doordat daaraan een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, niet als een afzonderlijke soort aangemerkt.

4.6 Het kwam de PvdA-fractie voor dat deze tekst van de Memorie van Toelichting duidelijker was dan de wettekst zelf. De PvdA-fractie stelde voor de wettekst (van artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64) te verduidelijken.(23) In de Nota n.a.v. het verslag wordt die suggestie afgewezen:(24)

Met de genoemde volzin wordt geregeld dat aandelen die zich uitsluitend van andere aandelen onderscheiden doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, niet als een afzonderlijke soort worden aangemerkt. De in de voorgestelde wettekst gekozen formulering is overgenomen uit het huidige artikel 39, derde lid, laatste volzin, van de Wet IB 1964. Naar mijn mening is deze tekst voldoende duidelijk. Een andere woordvolgorde, zoals in de memorie van toelichting, levert mijns inziens geen wezenlijke verbetering op.

4.7 De soortbenadering in het aanmerkelijk belangregime is onder de Wet IB 2001 gehandhaafd in artikel 4.7 van die wet. Blijkens de Memorie van Toelichting is artikel 4.7 ontleend aan artikel 20a, derde lid, tweede, derde en vierde volzin, van de Wet IB'64 en is een inhoudelijke wijziging niet beoogd:(25)

Artikel 4.3.2 [CvB: artikel 4.7 van de Wet IB 2001] is ontleend aan artikel 20a, derde lid, tweede, derde en vierde volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd. In deze bepaling worden de relevante aspecten van soortaandelen geregeld. In verband met de samenhang tussen de volzinnen in het oorspronkelijke wetsartikel is ervoor gekozen deze volzinnen op te nemen in drie afzonderlijke leden.

4.8 Het begrip soort aandelen komt terug in de wet Wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen), welke wet heeft geleid tot de invoering van artikel 3.92b van de Wet IB 2001 (de lucratieve belangenregeling). In het tweede lid van dat artikel wordt het begrip soort aandelen gebezigd ('verschillende soorten aandelen' en 'aandelen (...) van een soort'). Tijdens de parlementaire behandeling is ingegaan op de uitleg van het begrip soort aandelen. De wetgever zegt daarin dat het begrip gelijk moet worden uitgelegd als in artikel 4.7 van de Wet IB 2001 en licht dit vervolgens toe:(26)

Wij bevestigen dat het begrip "soort" overeenstemt met het begrip "soort" zoals dat in artikel 4.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt gebruikt. Genoemd artikel 4.7 beoogt - net als het oude artikel 39, derde lid, en later artikel 20a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - te voorzien in een eenvoudige en heldere regeling: aandelen die op enigerlei wijze van elkaar verschillen en daardoor niet dooreen leverbaar zijn, behoren tot een aparte soort. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt uitsluitend voor de in het tweede lid van genoemd artikel 4.7

omschreven niet-vermogensrechtelijke rechten, te weten benoemingsrechten, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht, dan wel indien ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt. Van aparte soorten is in ieder geval sprake in de volgende gevallen: het aandelenkapitaal bestaat uit aandelen met verschillende letters en eigen winstreserves, de aandelen verschillen ter zake van de nominale waarde, aan de aandelen zijn verschillende stemrechten verbonden, of de aandelen kennen verschillende preferenties (bijvoorbeeld bij dividenduitkering of bij liquidatie). Ook behoren aandelen tot een aparte soort ingeval aan de aandelen speciale rechten zijn toegekend om belangrijke economische beslissingen betreffende de (onderneming van de) vennootschap te nemen, zoals met betrekking tot fusie, splitsing, consolidatie, verkoop of afstoting van activa of wijzigingen in de aard van de onderneming. Deze rechten zijn essentieel en ingrijpender van betekenis dan de vermelde benoemingsrechten en het recht om de naam van de vennootschap te wijzigen.

5. Jurisprudentie

5.1 De vraag of de aan aandelen verbonden rechten en plichten dezelfde zijn en mitsdien dooreen leverbaar, kwam reeds aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 1980, nr. 19 271, BNB 1980/93. In die zaak waren de aandelen van de vennootschap door nummering geïndividualiseerd. De vraag was of enkel deze nummering tot gevolg had dat de aandelen voor de toepassing van artikel 5 van het destijds geldende Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964 (en de daarin vervatte liforegeling) niet als onderling vervangbaar konden worden aangemerkt. Deze vraag werd door de Hoge Raad ontkennend beantwoord, omdat aan de aandelen dezelfde rechten en verplichtingen verbonden waren. De Hoge Raad overwoog:

O. (...) dat het Hof als tussen partijen vaststaande heeft aangenomen dat de aan belanghebbende toebehorende gewone aandelen in de onderhavige vennootschap onderling vervangbaar waren; dat dit niet anders kan worden verstaan dan dat aan die aandelen dezelfde rechten en verplichtingen waren verbonden; dat het Hof, daarvan uitgaande, terecht heeft geoordeeld dat bedoelde aandelen onderling vervangbaar waren in de zin van artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964;

dat aan dit oordeel niet afdoet dat de aandelen door nummering geïndividualiseerd waren;

dat dit onderdeel derhalve faalt;

5.2 De directe aanleiding voor het opnemen van een soortbenadering in artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud) waren de arresten van de Hoge Raad van 11 mei 1988, met nr. 24 918, BNB 1988/289, nr. 25 006, BNB 1988/290 en nr. 25 231, BNB 1988/291. In die arresten ging het om de vraag of door spreiding van aandelenbezit, door de uitgifte en plaatsing van aandelen met verschillende rechten, onder de grens van een aanmerkelijk belang zou kunnen worden gebleven of uitgekomen. Het betrof verwateringsconstructies waarmee beoogd werd een aanmerkelijk belangheffing te voorkomen. De wetgever heeft die mogelijkheid bewust aanvaard, aldus de Hoge Raad in die arresten. Geoordeeld werd dat dergelijke constructies wettelijk mogelijk waren en niet met 'richtige heffing' konden worden bestreden:

De mogelijkheid om deze spreiding op betrekkelijk eenvoudige wijze te bevorderen, te weten door de uitgifte en plaatsing van aandelen die geen recht geven op een liquidatie-uitkering, zoals de onderwerpelijke cumulatief preferente aandelen [CvB: BNB 1988/291 betrof prioriteitsaandelen], werd door de tekst van artikel 39, lid 3, niet verhinderd, terwijl reeds bij het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 1974, nummer 17 149, gepubliceerd in BNB 1974/132*, werd beslist dat de grondslag van de aanmerkelijk-belangregeling niet ertoe dwingt en de wetsgeschiedenis onvoldoende steun biedt om aan te nemen dat aandelen welke geen recht geven op een liquidatieuitkering niet zijn te rekenen tot "het nominaal gestorte kapitaal'' genoemd in artikel 39, lid 3.

Onder deze omstandigheden kan niet meer worden gezegd dat het (mede) door middel van uitgifte en plaatsing van preferente of soortgelijke aandelen voorkomen dat het aandelenbezit een aanmerkelijk belang in bovenbedoelde zin gaat vormen, in strijd is met doel en strekking van de regeling van artikel 39.

5.3 In zijn uitspraak van 7 september 2004 ging Hof Amsterdam uitgebreid in op het begrip soort aandeel als bedoeld in artikel 4.7 van de Wet IB 2001:

5.11. Op grond van het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat de gewone aandelen en de aandelen A in E BV voor de toepassing van artikel 4.7 van de Wet moeten worden aangemerkt als verschillende soorten aandelen, omdat aan deze aandelen verschillende rechten zijn verbonden die niet zijn terug te voeren op verschillen van niet-vermogensrechtelijke aard als bedoeld in de onder 5.6 weergegeven memorie van toelichting. Uit artikel 33.5 van de statuten van E BV volgt immers dat aan de winstreserve A - waartoe zowel de houders van de gewone aandelen als die van de aandelen A gelijkelijk gerechtigd zijn - slechts de winst wordt toegevoegd (voorzover deze winst niet is uitgekeerd of toegevoegd aan enige andere reserve) die voorvloeit uit de "dagelijkse gang van zaken van de vennootschap, niet zijnde een realisatie van enige stille reserve of goodwill in enig jaar." Tot de goodwill en de stille reserves van de onderneming zijn slechts de houders van de gewone aandelen gerechtigd, hetgeen nader is vastgelegd in de artikelen 34.2 en 42.3 van de statuten. Belanghebbende miskent met zijn stelling dat uit het criterium 'dooreen leverbaar' en de daarbij gegeven parlementaire toelichting volgt dat het genoemde verschil in gerechtigdheid tot de stille reserves en goodwill in het onderhavige geval niet leidt tot verschillende soorten aandelen indien en zolang geen andere winstreserves zijn gevormd dan de winstreserve A, en dat de door hem bedoelde toelichting betrekking heeft op letteraandelen waaraan (afgezien van gerechtigdheid tot afzonderlijke winstreserves A en B) overigens geen verschillende rechten zijn verbonden. Daarvan is in casu juist wel sprake; de omstandigheid dat de goodwill, ter zake waarvan gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat deze vooral werd belichaamd door het personeelsbestand van de onderneming, uiteindelijk niet is gerealiseerd als gevolg van het sluiten van het kantoor van E BV in mei 2002, doet niet af aan de constatering dat in het onderhavige jaar aan de gewone aandelen andere rechten zijn verbonden dan aan de aandelen A. Overigens merkt het Hof hierbij op dat kennelijk bij de uitgifte van de optierechten in 1998 ook een verschil in gerechtigdheid tussen de gewone aandelen en de aandelen A werd beoogd, nu in de onder 2.6 genoemde brief is aangegeven dat E BV haar werknemers opties heeft toegekend op de aandelen A en niet op de gewone aandelen omdat zij niet wenste dat haar werknemers zouden meedelen in een eventuele winst (goodwill en stille reserves) behaald met de (in de brief "zeer onwaarschijnlijk" geachte) verkoop van de onderneming van E BV.

5.12. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling dat in de uitdrukking 'verschillende soorten aandelen' van artikel 4.7 van de Wet, bij gebrek aan een wettelijke definitie van die uitdrukking, de destijds - vanaf 20 maart 1991 tot 1 januari 1997 - in artikel 39, derde lid, van de Wet IB 1964, opgenomen voorwaarde van de zogenoemde onevenredige gerechtigdheid dient te worden gelezen. Zoals is aangegeven onder 5.6, is in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB 1964 (ten opzichte waarvan artikel 4.7 van de Wet inhoudelijk ongewijzigd is) een sterk vereenvoudigde soortbenadering opgenomen ten opzichte van de eerdere regeling in artikel 39, derde lid, terwijl bovendien is gekozen voor andere kwalitatieve en kwantitatieve criteria voor het bepalen van de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang. Het in artikel 39, derde lid, derde volzin, opgenomen additionele criterium van de onevenredige gerechtigdheid is niet overgenomen in de tekst van artikel 20a, noch in de daarbij gegeven parlementaire toelichting. De omstandigheid dat aan de aandelen A minder rechten zijn verbonden dan aan de gewone aandelen wijzigt derhalve niet de conclusie dat bij een kwalificerend bezitspercentage sprake is van een aanmerkelijk belang in aandelen A. Ook de stellingen van belanghebbende dat de werknemers van E BV met de hun verstrekte optierechten geen aanmerkelijkbelangpositie beoogden en de soortbenadering, gelet op de ratio ervan, moet worden beperkt tot gevallen van misbruik, worden door het Hof verworpen. De omstandigheid dat de wetgever het uit oogpunt van het tegengaan van ontgaansconstructies noodzakelijk achtte om in artikel 20a, derde lid, een soortcriterium op te nemen, heeft nog niet tot gevolg dat de toepassing van dit criterium beperkt dient te blijven tot door belanghebbende overigens niet nader gepreciseerde concrete gevallen van misbruik. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever heeft gekozen voor een eenvoudig(er) toepasbaar criterium dat van toepassing is op alle daarvoor kwalificerende gevallen, ongeacht de subjectieve intentie van de betrokken belastingplichtigen.

Het tegen die uitspraak door belanghebbende ingestelde cassatieberoep werd ingetrokken.

5.4 Rechtbank Arnhem oordeelde in haar uitspraak van 28 februari 2008, nr. AWB 07/1744, LJN: BC5626, NTFR 2008/537 en VN 2008/26.2.5, over de aanwezigheid van een soort aanmerkelijk belang onder de Wet IB 2001. In die zaak bestond het aandelen kapitaal - naast cumulatief preferente aandelen - uit de letteraandelen A en B die een verschillend stemrecht vertegenwoordigden. De aandelen A gaven recht op vier stemmen per aandeel en de aandelen B op één stem per aandeel. Daarnaast bestond er een verschil in nominale waarde. De nominale waarde van een aandeel A bedroeg ƒ 1 en die van een aandeel B bedroeg ƒ 0,25. De uitgiftekoers van beide aandelen was echter ƒ 5. Voor een aandeel A was derhalve een agio gestort van ƒ 4 en voor een aandeel B ƒ 4,75. De rechtbank was van mening dat beide verschillen tot de conclusie leiden dat sprake is van soortaandelen zoals bedoeld in artikel 4.7 van de Wet IB 2001. Zij overwoog:

In het onderhavige geval verschillen de aandelen A en B ter zake van de aan de aandelen verbonden stemrechten. Anders dan eiser meent, is de rechtbank van oordeel dat dit een onderscheid betreft dat niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB, valt. Voor zover eiser betoogt dat het verschil in stemrecht een niet-vermogensrechtelijk recht betreft en zodoende onder de reikwijdte van artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB valt, overweegt de rechtbank dat genoemde bepaling ziet op niet- vermogensrechtelijke rechten, maar dat deze uitdrukkelijk zijn beperkt tot bepaalde rechten als benoemingsrechten, het recht de naam van de vennootschap te bepalen of daarmee vergelijkbare rechten. Het aan een aandeel verbonden stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders is niet gelijk te stellen met de vergelijkbare rechten als waarop genoemde bepaling doelt. Wettekst noch wetsgeschiedenis biedt naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten voor eisers opvatting in deze.

Dat de zeggenschap in de BV de facto berustte bij één aandeelhouder, te weten [P] BV, vanwege diens aandelenbezit, maakt het voorgaande niet anders.

Nog afgezien van het verschil in stemrecht bestaat er ook een verschil in agioreserve behorend bij de aandelen A en B. Naar eisers opvatting is dit een te verwaarlozen verschil. De rechtbank overweegt dat ook door het verschil in agioreserve niet gezegd kan worden dat de aan de aandelen verbonden rechten identiek zijn. Ook al zijn de aandelen A en B in gelijke mate gerechtigd tot de winstreserves, zulks kan niet gezegd worden als het gaat om de gerechtigdheid tot de agioreserves.

5.5 In hoger beroep vernietigde Hof Arnhem de uitspraak van de rechtbank.(27) Het hof citeert uit wet en wetsgeschiedenis bij artikel 4.7 van de Wet IB 2001 en diens voorganger artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64. Uit de geciteerde passages leidt het hof af:

4.10. (...) dat de regeling inzake het soortaanmerkelijk belang kennelijk naar de bedoeling van de wetgever ziet op aandelen die verschillen voor wat betreft de rechten op de winstreserves van een vennootschap. Aandelen die niet identiek zijn doordat zij verschillende winstrechten bevatten behoren tot een verschillende soort voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling. Aandelen die echter slechts niet-vermogensrechtelijke verschillen bevatten, maar wel identieke rechten op de winstreserves van een vennootschap belichamen, vormen naar het oordeel van het Hof - gelet op de kennelijke bedoeling van de wetgever - één soort aandelen. De wetgever heeft dit in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet tot uitdrukking gebracht. Het Hof ziet, gelet op de kennelijke bedoeling van de wetgever, geen grond voor de door de Inspecteur verdedigde opvatting dat de opsomming van de rechten in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet limitatief is bedoeld.

Het hof stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aandelen A en aandelen B identieke rechten bevatten met betrekking tot de winstreserves van de vennootschap, zodat - aldus het hof - moet worden geconcludeerd dat de aandelen tot één soort behoren. Het verschil in stemgerechtigdheid doet hier naar zijn oordeel niet aan af, net zo min als het verschil in agio per aandeel. De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. In die zaak met zaaknummer 10/00158 neem ik eveneens conclusie.

5.6 Ook Rechtbank Breda oordeelde in haar uitspraak van 31 augustus 2009, nr. 07/03747, NTFR 2009/2503, over de aanwezigheid van een soort aanmerkelijk belang (onder de Wet IB'64); daarvan was in casu sprake:

4.4. Blijkens de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, p. 43-44) is sprake van soortaandelen: (...) ingeval de aan de aandelen verbonden rechten niet identiek zijn. Hierbij zij opgemerkt dat aandelen die slechts verschillen door het nominale bedrag, maar waarvan de aan de aandelen verbonden rechten overigens identiek zijn, tot eenzelfde soort behoren. Gedacht kan worden aan een vennootschap die gewone aandelen heeft uitstaan met een nominale waarde van f 1000 en f 100, maar die - in verhouding tot het nominale bedrag - in dezelfde mate delen in de winstreserves. (...)

4.5. Op de balans van bedrijf X per 31 december 1998 stond vermeld een dividendreserve A van f 4.514.000. Er is geen dividendreserve B. De overige reserves waren ultimo 1998 f 4.018.000 negatief. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de aanwezigheid van een substantiële dividendreserve uitsluitend voor de aandelen A en de afwezigheid van een gelijke reserve voor de aandelen B er toe dat aan de aandelen A en B verschillende (vermogens)rechten zijn verbonden zodat sprake is van soortaandelen. De omstandigheid dat op 29 december 1999 tot een statutenwijziging is besloten die op 6 januari 2000 is geëffectueerd, waarbij het onderscheid tussen de aandelen A en B is komen te vervallen, doet daaraan niet af. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat het de bedoeling van partijen was om te handelen alsof de aandelen identiek waren maar heeft geen stukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld statuten, waaruit de aan de aandelen A en B toegekende rechten blijken en niet aannemelijk gemaakt dat de aandeelhouders B eenzelfde recht hadden op de dividendreserve A als de aandeelhouders A. Bij al het vorenoverwogene neemt de rechtbank in aanmerking dat het vermogen van bedrijf X volgens de financiële jaarstukken weliswaar negatief was, maar dat de feitelijke waarde van bedrijf X blijkens de voorgenomen beursgang en latere verkoop van de aandelen bedrijf X aanzienlijk was.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij gerechtshof 's-Hertogenbosch (nr. 09/555).

6. Literatuur

6.1 De onder 5.5 vermelde uitspraak van Hof Arnhem is door Ganzeveld van commentaar voorzien in NTFR 2009/2722. Zij acht het juist dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank, die oordeelde dat wel sprake was van soort aandelen vanwege - kort gezegd - de bestaande verschillen in stemrecht en in agioreserves, vernietigde:

Hof Arnhem maakt hiermee terecht korte metten. Uit de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat de regeling inzake het soortaanmerkelijkbelang naar de bedoeling van de wetgever ziet op aandelen die verschillen met betrekking tot de rechten op de winstreserves van een vennootschap. Uitsluitend een verschil in niet-vermogensrechtelijke rechten leidt niet tot een soort. De opsomming van deze rechten in art. 4.7, lid 2, Wet IB 2001 is in dit kader niet limitatief bedoeld.

Ganzeveld stelt de soortbenadering in een historisch perspectief. Zij meent dat de soortbenadering door de jaren heen (onder de Wet IB'64 en de Wet IB 2001) in wezen dezelfde is gebleven. Zij vervolgt:

De hiervoor beschreven soortbenadering strookt met de kwalitatieve benadering dat diegene aandeelhouder is die het belang bij de aandelen in economische zin heeft. Macht dan wel juridische eigendom is niet doorslaggevend. Dit wordt bevestigd door de rechtspraak. Denk hierbij overigens ook aan die certificaten die vereenzelvigd kunnen worden met de aandelen. De zeggenschap, waaronder het stemrecht op de aandelen, ligt in dat geval ergens anders, namelijk bij de Stichting Administratiekantoor. Het economische belang gaat de certificaathouder aan en de certificaten worden op een lijn gesteld met de onderliggende aandelen.

In de onderhavige zaak kan ten slotte het verschil in de agioreserve - in beginsel een verschil in vermogensrechtelijke aanspraken - geen roet in het eten gooien. Een simpele omzetting daarvan zou tot een gelijk nominaal aandelenkapitaal leiden. Het totaal gestorte kapitaal verschilt en verandert in casu niet. Een verschil in agio leidt - evenals een verschil in nominale waarde - niet tot een soort, mits de gerechtigdheid tot de winstreserves (in verhouding tot het nominale en agiokapitaal tezamen) niet verschilt.

6.2 R.E. Zwier gaat in zijn commentaar op artikel 4.7 van de Wet IB 2001 in NDFR in op de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (zie 5.4). Ook hij acht die uitspraak onjuist:

Rechtbank Arnhem (...) oordeelde (mijns inziens ten onrechte) dat uitsluitend verschil in stemrecht voldoende is voor de soortbenadering, nu uit de parlementaire behandeling volgt dat alleen de aldaar expliciet genoemde benoemingsrechten zijn uitgezonderd van de soortbenadering en dat het stemrecht daar niet onder valt. Mijns inziens is de zeggenschap een criterium dat als zodanig sinds de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime in 1997 zijn belang heeft verloren voor deze regeling. De rechtbank ziet met zijn stelling dat geen wijziging is beoogd ten opzichte van het oude recht dit aspect over het hoofd.

In zijn commentaar gaat hij ook in op het door de rechtbank geconstateerde verschil in agioreserves tussen de aandelen A en B:

De vraag is echter of louter een verschil in omvang van de agioreserve (terwijl het gestorte kapitaal in totale omvang en de gerechtigdheid tot de winstreserves identiek zijn) voldoende is voor de soortbenadering. Mijns inziens is dat niet het geval. De economische gerechtigdheid van de aandelen A en B verschilt per saldo niet en net zoals verschillen in het nominale bedrag geen soortaandelen opleveren (zie hierna) zal dat voor een verschil in agio ook niet het geval zijn. Kortom, mijns inziens een onjuiste uitspraak van Rechtbank Arnhem.

6.3 De Vakstudie vermeldt de uitspraak van Hof Arnhem in aantekening 2 bij artikel 4.7 van de Wet IB 2001. Zij merkt allereerst op wat - volgens de hoofdregel - als soort aandeel moet worden aangemerkt:

Er is sprake van dezelfde soort (certificaten van) aandelen indien deze aandelen dooreen leverbaar zijn, dat wil zeggen indien de daaraan verbonden rechten - blijkens de statuten en ook feitelijk - identiek zijn. Zijn de aandelen niet dooreen leverbaar dan spreken we van een aparte soort aandelen. De aandelen zijn zogezegd niet onderling vervangbaar. Voor de aanmerkelijk belangregeling wordt dan vervolgens beoordeeld of de aandeelhouder van deze soortaandelen ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van deze soort bezit.

Vervolgens wordt ingegaan op letteraandelen:

Bij letteraandelen is niet per definitie sprake van een andere soort. Dit is zelfs niet het geval als de nominale waarde van de aandelen van de series verschilt. Zolang de gerechtigdheid tot de reserves van de vennootschap in gelijke verhouding staat tot de hoogte van de nominale waarde is op zichzelf beschouwd geen sprake van een aparte soort.

Bepalend is of de aandeelhouder tot andere reserves of andere vermogensbestanddelen van de vennootschap gerechtigd is dan andere aandeelhouders. Als de rechten identiek zijn, maar de serieaanduiding verschilt, dan is toch sprake van één soort. In de praktijk zijn de verschillende soorten veelal te onderscheiden ingeval de dividendreserves in omvang verschillen. Wel dooreen leverbaar en daarmee één soort zijn letteraandelen met een dividendreserve van gelijke omvang, mits ook overigens aan deze aandelen geen verschillende rechten zijn verbonden.

Aandelen behoren niet tot verschillende soorten indien de verschillen uitsluitend zijn terug te voeren op verschillen van niet-vermogensrechtelijke aard, aldus de Vakstudie; de opsomming in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt als niet-limitatief beschouwd:

In beginsel leidt elke afwijking in het complex van rechten en verplichtingen dat in een bepaald soort aandelen ten opzichte van een andere soort is belichaamd tot de slotsom dat sprake is van afzonderlijke soorten aandelen. Indien het verschil tussen twee soorten aandelen echter uitsluitend is terug te voeren op een verschil in 'niet-vermogensrechtelijke rechten' mogen beide soorten als één soort worden beschouwd voor de aanmerkelijkbelangregeling. Dit is uitdrukkelijk vastgelegd in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001. De achterliggende reden van deze bepaling is dat het in het aanmerkelijkbelangregime gaat om het economische belang bij de aandelen. Aandelen die alleen stemrechten kennen die afwijken van de normale zeggenschapsrechten van gewone aandelen, worden niet geduid als een aparte soort.

Het onderscheidend criterium is derhalve of de aandelen recht geven op de verdeling van de jaarwinst, respectievelijk (een onderdeel van) de winstreserves. Geven de verschillende aandelen verschillende winstrechten, dan is sprake van verschillende soorten. Zijn de winstrechten gelijkluidend, dan is sprake van één soort, ook al kleven aan de verschillende aandelen allerlei andere bijzondere rechten. (...)

Het vorenstaande leidt ertoe dat in een kleiner aantal gevallen sprake is van een aandelenbezit dat als aanmerkelijk belang moet worden aangemerkt. Verschillende aandelen kunnen tot één groep worden gebundeld. Dit betekent dat de in de praktijk veelvuldig voorkomende prioriteitsaandelen in de regel niet als een afzonderlijke soort zijn aan te merken. De in deze aandelen geïncorporeerde extra zeggenschapsrechten zijn niet-vermogensrechtelijk van aard in die zin dat deze aandelen geen extra aanspraak geven op een afwijkend dividend of aanspraak op de winstreserves. (...)

6.4 In haar commentaar bij artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64 schrijft De Vakstudie in aantekening 183 over de in dat artikel vervatte soortbenadering:

In beginsel leidt elke afwijking in het complex van rechten en verplichtingen dat in een bepaald soort aandelen ten opzichte van een andere soort is belichaamd tot de slotsom dat sprake is van afzonderlijke soorten aandelen.

De wetgever heeft reeds onder de werking van art. 39, derde lid, laatste volzin, Wet IB 1964 (oud) zoals deze bepaling luidde sinds de Wet van 7 maart 1991, Stb. 94 (beperkte reparatie inzake het regime van de winst uit aanmerkelijk belang), op dit uitgangspunt een verzachting aangebracht. Indien het verschil tussen twee soorten aandelen uitsluitend is terug te voeren op een verschil in 'niet-vermogensrechtelijke rechten' mogen beide soorten als een soort worden beschouwd voor de aanmerkelijk-belangregeling. Daarbij gaat het om het recht dat de aandelen geven op de verdeling van de jaarwinst, respectievelijk (een onderdeel van) de winstreserves. Dit voorschrift leidt ertoe dat in een kleiner aantal gevallen sprake is van een aandelenbezit dat als aanmerkelijk belang moet worden aangemerkt. In art. 20a, derde lid, derde volzin, Wet IB 1964 is deze lijn voor het nieuwe regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang doorgetrokken.

Het vorenstaande betekent dat de in de praktijk veelvuldig voorkomende prioriteitsaandelen niet als een afzonderlijke soort zijn aan te merken. De in deze aandelen geïncorporeerde extra zeggenschapsrechten zijn niet-vermogensrechtelijk van aard in die zin dat deze aandelen geen extra aanspraak geven op een afwijkend dividend of aanspraak op de winstreserves.

6.5 In 2009 verscheen het rapport 'De fiscale positie van de DGA' van de hand van Van den Dool en Heithuis. In dit rapport doen de auteurs voorstellen om fiscale regelingen betreffende de directeur-grootaandeelhouder te uniformeren, te vereenvoudigen of te verbeteren. Het begrip soort aanmerkelijk belang, zoals dat onder de Wet IB 2001 is gecontinueerd, geeft - wat de auteurs betreft - niet direct aanleiding tot verbetering; de soortregeling kan vanwege mogelijke ontgaansconstructies worden gebillijkt. Toch hebben zij een punt van kritiek en komen zij tot een aanbeveling:(28)

Wel blijkt in de praktijk dat de uitzondering van het tweede lid van artikel 4.7 Wet IB 2001 door de gedetailleerde beschrijving van de zogenoemde formele rechten, nog wel eens als te beperkt wordt ervaren. In het ab gaat het er louter om inkomsten uit die aandelen te belasten die een economische gerechtigdheid tot winstreserves in de vennootschap vertegenwoordigen. Voor formele rechten die aan een aandeel zijn gekoppeld, geldt niet dat die een recht geven op de winstreserves van de vennootschap. Een minder gedetailleerde omschrijving van deze rechten zou de praktijk derhalve wat meer armslag geven zonder de ratio van de ab-regeling geweld aan te doen en zou de rechter de mogelijkheid bieden om ook aandelen waaraan andere formele rechten dan de in het tweede lid genoemde zijn verbonden, niet als een afzonderlijke soort te bestempelen.

6.6 Rijkers gaat in zijn artikel 'De fiscale positie van de DGA Aanmerkelijk belang' in op de aanbevelingen van Van den Dool en Heithuis.(29) Volgens hem is er voor wat betreft de soortregeling 'meer te wensen' (citaat zonder noten):

Bezwaarlijk is nu dat de wettekst geen definitie bevat van het begrip soortaandeel. Volgens de memorie van toelichting heeft een vennootschap meer soorten aandelen ingeval de aan de aandelen verbonden rechten niet identiek zijn.

Deze ruime omschrijving van het soortbegrip leidde ertoe dat vele jaren na invoering er opnieuw vragen over werden gesteld. Bij gelegenheid van het wetsvoorstel Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen waarin eveneens wordt onderscheiden naar soorten aandelen werd in de NV gesteld dat het gehanteerde begrip soorten aandelen overeenstemt met de soortbenadering in art. 4.7. De bewindsman spreekt dan over 'aandelen die op enigerlei wijze van elkaar verschillen en daardoor niet dooreen leverbaar zijn'. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt naar zijn mening uitsluitend voor de in art. 4.7, tweede lid omschreven niet-vermogensrechtelijke rechten. In ieder geval is volgens de staatssecretaris van aparte soorten sprake indien het aandelenkapitaal bestaat uit aandelen met verschillende letters en eigen winstreserves of de aandelen verschillende preferenties kennen bij dividenduitkering of bij liquidatie. Naar zijn mening behoren aandelen ook tot een aparte soort indien aan de aandelen speciale rechten zijn toegekend om belangrijke economische beslissingen zoals met betrekking tot fusie, splitsing, consolidatie, verkoop of afstoting van activa of wijzigingen in de aard van de onderneming te nemen.

Hieruit kan men afleiden dat geen sprake is van een vastomlijnd maar van een door de rechter naar doel en strekking in te vullen begrip. 'Op enigerlei wijze van elkaar verschillen' is immers een zo ruime omschrijving dat zij wel beperkt moet worden uitgelegd.

Aangezien het wezenskenmerk van de aanmerkelijkbelangregeling de winstgerechtigdheid is, zal ook bij de invulling van het begrip soort daarop getoetst moeten worden, wil men in twijfelgevallen tot een redelijke uitkomst komen. Zo zal, wanneer ten aanzien van aandelen in een beleggingsmaatschappij het valutarisico naar keuze in de een of andere valuta wordt gehedged zulks het rendement van de beleggingsmaatschappij als zodanig niet raken, althans niet in die zin of in die mate waarvoor de soortregeling - als anti-ontgaansregeling - is bedoeld.

Bij handhaving van het thans geldende 5%-criterium verdient de soortregeling daarom zo mogelijk nadere profilering door de wetgever. (...)

6.7 Rijkers en Van Dijck schrijven (citaat zonder noten):(30)

De wetgever baseert zich op een verschil in rechten. Zij zullen moeten worden bezien vanuit de aandeelhouder en niet vanuit het standpunt van een willekeurige koper van de aandelen. Het feit dat de waarde van letteraandelen van verschillende series op zeker moment gelijk is door een toevallige gelijkheid der winstreserves zegt daarom niets. De houders van letteraandelen A zijn niet gerechtigd in de dividendreserves van de letteraandelen B en omgekeerd. De rechten van de aandeelhouders A en B zijn daarom niet identiek, al hebben zij op een zeker moment dezelfde waarde. (...) Aan bepaalde aandelen kunnen rechten verbonden zijn die wel de waarde van de aandelen kunnen beïnvloeden, maar die geen bijzondere aanspraken op het vermogen van de vennootschap geven. Deze aandelen worden door de wet juist niet als een soort beschouwd (...). (...) Beslissend is dat aanspraken op het vermogen van de vennootschap in bepaalde aandelen geïndividualiseerd zijn met uitsluiting van andere.

(...)

Aanvaardt men voor het determineren van een soort de geïndividualiseerde aanspraken op het vennootschapsvermogen als significant dan onderscheiden aandelen zich door louter formele bevoegdheden niet van andere. In de memorie van toelichting wordt als niet significant genoemd: een benoemingsrecht, het recht op naamsbepaling, een bijzondere aanbiedingsregeling en daarmee vergelijkbare rechten c.q. regelingen. Nu de wet het begrip soort aandeel niet omschrijft, moesten de uitzonderingen met veel omhaal van woorden worden vastgelegd. (...)

6.8 Heithuis komt tot de volgende uitleg van het begrip soort aandelen (citaat zonder noten):(31)

Een vennootschap heeft verschillende soorten aandelen ingeval de aan de aandelen verbonden rechten niet identiek zijn, hetgeen het geval is als de aandelen niet onderling vervangbaar, d.w.z. dooreen leverbaar, zijn. Of aandelen onderling vervangbaar resp. dooreen leverbaar zijn , dient te worden vastgesteld aan de hand van de toets of de belastingplichtige 'gerechtigd is tot enig vermogensbestanddeel of reserve van de vennootschap waarin niet alle aandeelhouders (...) voor gelijke delen zijn gerechtigd.' (...) Het gaat hierbij niet alleen om statutair aan de aandelen toegekende rechten, maar ook om feitelijke verschillen in gerechtigdheid, waarbij alleen moet worden gekeken naar vermogensrechten en niet naar zeggenschapsrechten. Dit laatste blijkt uit art. 20a, derde lid, derde volzin, Wet IB (...).

6.9 Ook Blokland gaat in op de vraag wanneer van een aparte soort aandelen gesproken kan worden. Hij omschrijft wanneer daarvan niet gesproken kan worden (citaat zonder noten):(32)

Het recht om een directeur of commissaris te benoemen of voor te dragen, een wat afwijkende blokkeringsregeling met betrekking tot de overdraagbaarheid van de aandelen, en andere statutaire rechten in die lijn - die mitsdien niet zien op winst en/of reserves van de vennootschap - leidt ten deze dan ook niet tot een afzonderlijk soort aandeel.

De loutere letteraanduiding, in de vorm van aandelen A en aandelen B, doet dat evenmin. Ook de verdere verbijzondering, in de zin dat de winstreserves worden verdeeld in winstreserves A en B, leidt op zichzelf nog niet tot afzonderlijke soorten aandelen.

Wel is sprake van afzonderlijke soorten aandelen indien door de aandeelhouders A geput is uit de winstreserves A, terwijl de aandeelhouder van de B-aandelen geen of minder dividend heeft opgenomen. Alsdan immers zijn de aandelen onderling, in hun rechten op vennootschappelijke winst en reserves gaan verschillen.

7. Beschouwing

7.1 De wetgever heeft destijds gekozen voor een soortbenadering ter bepaling van de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang, omdat anders - door het toekennen van bijzondere rechten aan aandelen op de winst of winstreserves - de aanmerkelijk belangheffing betrekkelijk eenvoudig kon worden ontlopen door verwatering van het aandelenbezit. Ook onder het aanmerkelijk belangregime zoals dat vanaf 1 januari 1997 gold in de Wet IB'64 en thans in de Wet IB 2001, bleef/blijft zonder een soortbenadering manipulatie mogelijk (zie 4.1 en 6.5). De soortbenadering heeft derhalve een anti-ontgaanskarakter en past, zoals de wetgever heeft aangegeven, binnen de ratio van de aanmerkelijk belangregeling (zie 3.3 tweede citaat).

7.2 Artikel 4.7 van de Wet IB 2001, artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64 noch artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud) bevat een duidelijke definitie van het begrip soort aandeel, als bedoeld in die artikelen. Toch zijn in de wetsgeschiedenis omschrijvingen te vinden, waaruit valt op te maken waaraan de wetgever heeft gedacht met het gehanteerde begrip (zie 3.2 en 4.5): een vennootschap heeft meerdere soorten aandelen ingeval de aan de aandelen verbonden rechten niet identiek zijn, waardoor zij niet dooreen leverbaar zijn (in de zin van niet onderling vervangbaar). In de door de wetgever gegeven omschrijvingen maakt het in beginsel niet uit waarin die verschillen bestaan. De verschillen kunnen bestaan in de gerechtigdheid tot de winst, de reserves en een eventueel liquidatiesaldo van de vennootschap, maar ook in een verschil in stemrecht of benoemingsrecht, of in combinaties van die verschillen. De wetgever heeft dit nadrukkelijk tot uitdrukking gebracht bij de introductie van het begrip soort aandeel in artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud). Zie 3.2, 3.3 en 3.4. Deze uitleg van het begrip soortaandeel wordt ondersteund door de wijze waarop de uitzondering (de fictie) van artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001, van artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64 en van artikel 39, derde lid, laatste volzin, van de Wet IB'64 (oud; vanaf 1 januari 1992) is vormgegeven.

7.3 De enkele omstandigheid dat het aandelenkapitaal van een vennootschap is verdeeld in meerdere soorten als hiervoor bedoeld, brengt echter nog niet mee dat ook moet worden geconcludeerd tot de aanwezigheid van een soort aanmerkelijk belang indien een belastingplichtige - kort gezegd - houder is van 5% van de aandelen in het kapitaal van die soort. Artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64 bewerkstelligt immers dat aandelen in een vennootschap en de aandelen in die vennootschap die zich daarvan uitsluitend onderscheiden doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, of doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, worden beschouwd als behorende tot één soort. Een gelijkstelling bijwege van fictie derhalve.

7.4 De vorenbedoelde uitzondering beoogt mogelijke overkill van de soortbenadering te voorkomen, aldus de indieners van het aangenomen amendement waarmee de uitzondering werd geïntroduceerd, door soort aandelen die enkel van elkaar te onderscheiden zijn door verschillen in 'andere dan vermogensrechtelijke aanspraken' als behorende tot één soort te beschouwen (zie 3.4). Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer zijn voorbeelden gegeven van die niet-vermogensrechtelijke aanspraken, namelijk een benoemingsrecht of het recht de naam van een vennootschap te mogen bepalen (zie 3.6 tweede citaat). Bij de introductie van de soortbenadering in artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud) werd de uitzondering ook zo vormgegeven. Die tekst hield door de nieuwe invulling van het begrip vermogensrecht in het nieuwe BW echter niet lang stand (zie 3.7). Met ingang van 1 januari 1992 is (uiteindelijk) gekozen voor de gewijzigde, positieve formulering van de laatste volzin van artikel 39, derde lid, van de Wet IB'64 (oud). Die formulering is in nagenoeg ongewijzigde bewoordingen overgenomen in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64 en - later - in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001. Uit de wetsgeschiedenis komt niet naar voren dat de wetgever met de gewijzigde formulering ook een inhoudelijke wijziging van de uitzondering (lees inperking tot de genoemde gevallen) heeft willen bewerkstelligen.

7.5 De vraag kan worden opgeworpen of de wetgever met de uitzondering in artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64 voor de daar genoemde (niet-vermogensrechtelijke) aanspraken/rechten een limitatieve opsomming heeft willen geven, of dat de uitzondering zich breder uitstrekt, namelijk tot alle niet-vermogensrechtelijke aanspraken, dus alle aanspraken die geen betrekking hebben op de winst, de reserves of het liquidatiesaldo van de vennootschap. De Staatssecretaris bepleit een beperkte uitleg en betoogt daarom dat het eerste het geval is. Tekstueel lijkt mij dit standpunt niet goed te verdedigen. Het woord 'uitsluitend' dient mijns inziens ter afbakening van de vermogensrechtelijke verschillen die wel leiden tot een aparte soort en zegt niets over de (al dan niet) limitatieve uitleg van de uitzonderingsbepaling. De tekst van het tweede lid laat duidelijk de mogelijkheid open dat andere, niet genoemde maar overigens vergelijkbare (niet-vermogensrechtelijke) aanspraken/rechten delen in de uitzondering en aldus worden beschouwd te behoren tot één soort. De wetgever heeft zich bij de introductie van de uitzondering in de huidige formulering (per 1 januari 1992) naar mijn mening ook in die zin uitgelaten (zie 3.9), al blijkt daaruit niet wat de wetgever precies als 'daarmee vergelijkbare rechten of regelingen' heeft gezien. Uit de wetsgeschiedenis komt ook niet naar voren dat de wetgever met de gewijzigde formulering tevens een inhoudelijke wijziging van de uitzondering (lees inperking tot de genoemde gevallen) heeft willen bewerkstelligen ten opzichte van de situatie van vóór 1 januari 1992 (zie 3.8). Het is eerder andersom: de wetgever heeft de uitbreiding naar 'daarmee vergelijkbare gevallen' juist opgenomen omdat de uitzonderingsbepaling anders te beperkt zou kunnen uitwerken en daarmee haar doel voorbij zou schieten (zie 3.9). In dat kader merk ik op dat het benoemingsrecht en het recht om de naam van de vennootschap te wijzigen, toekomen aan de stemgerechtigde aandeelhouder indien deze rechten niet zijn afgezonderd. Het hebben van (extra) stemrecht of beslissingsmacht houdt zodoende ook een benoemingsrecht in of het recht om een naam van de vennootschap te wijzigen. In zoverre is naar mijn mening sprake van een 'daarmee vergelijkbaar geval' waarop de uitzondering ziet. Ook in de literatuur wordt veelal verdedigd dat verschillen van niet-vermogensrechtelijke aard niet leiden tot het in aanmerking nemen van meerdere soorten. Zie onderdeel 6. Rijkers wijst in dit verband naar mijn mening terecht op het wezenskenmerk van de aanmerkelijk belangregeling, de winstgerechtigdheid, en doel en strekking van de soortbenadering, te weten het treffen van een anti-ontgaansregeling. In dat licht past een restrictieve uitleg van artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64 niet goed.

7.6 De vraag rijst of een verschil in beslissingsbevoegdheid binnen de Algemene vergadering van aandeelhouders kan worden aangemerkt als een onderscheid van niet-vermogensrechtelijke aard, waarop de uitzondering van artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB 2001 ziet. Een onderscheid in beslissingsbevoegdheid kan meer inhouden dan een onderscheid in benoemingsrechten. Zo geeft artikel 23, lid 11, van de statuten van A aan aandeelhouders B de macht om belangrijke beslissingen die de kern van de vennootschap raken te blokkeren, zoals beslissingen met betrekking tot dividendpolitiek, fusie, splitsing, consolidatie, verkoop van activa, wijzigingen in de aard van de onderneming of zelfs het voortbestaan van de vennootschap. Zonder die specifieke regeling zouden de aandeelhouders B in ieder geval ten tijde van de verlettering van de aandelen zijn overgeleverd aan de wil van de aandeelhouders A omdat die destijds de meerderheid van alle aandelen in A bezaten. De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling van de Wet inzake de belastingheffing op excessieve beloningsbestanddelen gesteld dat dergelijke rechten in beginsel ingrijpender zijn dan benoemingsrechten en het recht om de naam van de vennootschap te wijzigen (zie 4.8). Zij bieden de aandeelhouders B weliswaar niet direct extra aanspraken op de winst of de reserves of het liquidatiesaldo van de vennootschap, maar hebben wel in potentie gevolgen voor de waarde van de vennootschap en daarmee voor de waarde van de aandelen. Het aan aandelen gekoppelde extra stemrecht heeft derhalve voor de aandeelhouder B een waarde. De houders van de aandelen A (de andere soort) 'profiteren' echter, voor zover overigens sprake is van een gelijke gerechtigheid in winsten en reserves, gelijkelijk van de beslissende stem van de houders van de aandelen B. In zoverre komt de extra beslissingsmacht (het vetorecht) niet tot uitdrukking in een verschil in de waarde van de verschillende aandelen. Aandelen die verschillen op het punt van stemgerechtigdheid kunnen mitsdien worden beschouwd als behorende tot één soort, als bedoeld in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64.

7.7 Daarbij komt dat de wetgever ten tijde van de totstandkoming van de soortbenadering met het onderscheid in vermogensrechtelijke aanspraken louter verschillen in gerechtigdheid tot de winsten, de reserves en het liquidatiesaldo van de vennootschap voor ogen lijkt te hebben gehad en niet (tevens) verschillen in stemrechten of andere zeggenschapsrechten (zie 3.2 en 3.4) .

7.8 De andere verschillen tussen de aandelen A en de aandelen B, te weten de mogelijke verjaring van de dividendvordering van aandeelhouders A en de preferentie tot het liquidatiesaldo van aandeelhouders B, zijn naar mijn opvatting vermogensrechtelijke verschillen waarop de soortbenadering ziet. Het gaat om rechten met betrekking tot de winst, de reserves of het liquidatiesaldo van A (dus met betrekking tot het object van de aanmerkelijk belangheffing) en niet om zeggenschapsrechten. Het lijkt mij niet van belang dat deze rechten mogelijk van secundair belang zijn voor de aandeelhouders; ze zijn hoe dan ook niet te verwaarlozen. De vraag is nog wel of die verschillen eerst een soort aanmerkelijk belang vormen wanneer de dividendvordering daadwerkelijk verjaart of wanneer A in liquidatie treedt (welke omstandigheden zich niet hebben voorgedaan).(33) Het Hof is van oordeel dat dit het geval is en verwijst in r.o. 6.7 naar twee passages uit de wetsgeschiedenis. In de eerste passage is gesteld (zie 3.3) dat letteraandelen tot één soort behoren zolang er nog geen of gelijke dividendreserves zijn gevormd (mits ze overigens dooreen leverbaar zijn). Ik meen dat de opvatting van het Hof eraan voorbijgaat dat van eenzelfde soort aandelen slechts sprake is indien de aandelen dooreen leverbaar zijn. Daarvan zal door de bestaande vermogensrechtelijke verschillen tussen de aandelen A en aandelen B geen sprake zijn. Het is moeilijk voor te stellen dat een aandeelhouder B bereid is om zijn aandelen (met gesloten beurs) te ruilen voor aandelen A. De aandelen B zijn hem meer waard vanwege de preferentie tot een mogelijk liquidatiesaldo en de onmogelijkheid van verjaring van zijn dividendvordering. Ofwel: de aandelen A nemen niet dezelfde plaats in als de aandelen B en zijn niet onderling vervangbaar. Dat ligt anders bij het in de wetsgeschiedenis gegeven voorbeeld van letteraandelen met nog niet gevormde dividendreserves of dividendreserves van gelijke grootte. In die gevallen zal (ceteris paribus) wel sprake zijn van dooreen leverbaarheid. In dit verband is terecht gesteld dat de vermogensrechtelijke preferenties van aandeelhouders B werden versterkt door de gekozen wijze van besluitvorming in de Algemene vergadering van aandeelhouders, waardoor de aandeelhouders B bepaalde beslissingen betreffende A, waaronder dividendpolitiek en het voortbestaan van de onderneming, konden tegenhouden. De tweede pasage uit de wetsgeschiedenis waarnaar het Hof verwijst in r.o. 6.7 heeft betrekking op aandelen met bijzondere gerechtigdheid tot het liquidatiesaldo (zie 3.4, laatste volzin van het citaat). Ik kan daarin niet lezen dat pas wanneer de vennootschap in liquidatie treedt, het verschil in gerechtigheid relevant is. De tekst van de passage wijst op het tegendeel.

7.9 De omstandigheid dat de overnemende partij, het Amerikaanse, beursgenoteerde bedrijf, ter bepaling van de overnameprijs van de aandelen in A geen onderscheid heeft gemaakt in aandelen A en aandelen B, doet hier mijns inziens - en anders dan het Hof heeft geoordeeld in r.o. 6.6 - niet aan af. De overnemende partij heeft immers alle aandelen in A overgenomen. Voor hem waren de bestaande verschillen tussen de aandelen in A niet (langer) relevant. Deze overnameprijs zegt dan ook niets over het antwoord op de vraag of de aandelen dooreen leverbaar zijn. In het algemeen geldt trouwens dat zelfs aandelen van dezelfde soort of dooreen leverbare aandelen niet altijd dezelfde prijs hebben; dat leren de dagelijkse koersen op de effectenbeurzen. De prijs van een aandeel is immers sterk afhankelijk van vraag en aanbod op de markt en wordt dus niet alleen bepaald door zijn soort.

8. Beoordeling van het middel

8.1 De aan de aandelen A en aandelen B verbonden rechten en plichten verschillen van elkaar voor wat betreft de beslissingsmacht binnen de Algemene vergadering van aandeelhouders (kort gezegd: er bestaat een vetorecht voor aandeelhouders B). Daarnaast gelden als verschillen dat een dividendvordering van aandeelhouders A kan verjaren en dat de aandeelhouders B een preferentie ten aanzien van een liquidatiesaldo hebben.

8.2 Het verschil in beslissingmacht is van niet-vermogensrechtelijke aard en deelt - op zichzelf beschouwd - in de uitzonderingsbepaling van artikel 20a, derde lid, derde volzin, van de Wet IB'64. Middelonderdeel b dat hiertegen opkomt, faalt. Anders dan de Staatssecretaris in cassatie betoogt, is het oordeel van het Hof niet gebaseerd op niet meer van toepassing zijnde wetsgeschiedenis. De geciteerde wetsgeschiedenis heeft ook voor de beslechting van onderhavige zaak haar belang behouden. Het hiertegen gerichte middelonderdeel c faalt eveneens.

8.3 De overige verschillen zijn wel van vermogensrechtelijke aard. Ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat die verschillen niet leiden tot het in aanmerking nemen van een afzonderlijke soort als bedoeld in artikel 20a, derde lid, van de Wet IB'64, omdat de aan bedoelde verschillen ten grondslag liggende omstandigheden zich niet hebben voorgedaan. Dat oordeel ziet eraan voorbij dat de aandelen A en aandelen B, vanwege die verschillen, niet inwisselbaar zijn en dus ook niet dooreen leverbaar. Dat de overnemende partij bereid is geweest voor beide aandelen eenzelfde prijs te betalen, doet hier niet aan af. Middelonderdeel a slaagt.

8.4 Een en ander heeft tot gevolg dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen voor de behandeling van de geschilpunten zoals door het Hof geformuleerd in diens r.o. 4.3.2 tot en met 4.3.5. Die geschilpunten zijn door het Hof onbehandeld gelaten.

9. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 De inspecteur van de Belastingdienst/P.

2 Rechtbank Haarlem, 15 december 2008, nr. AWB 07/5723, niet gepubliceerd.

3 Gerechtshof 's-Gravenhage, 5 januari 2010, nr. 08/00527, niet gepubliceerd.

4 De Staatssecretaris heeft eveneens beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Hof Arnhem in een zaak over het begrip soort aanmerkelijk belang (als bedoeld in artikel 4.7 van de Wet IB 2001). Zie onderdeel 5.5. In die zaak met nr. 10/00158 neem ik eveneens conclusie.

5 In de uitspraak verwijst de Rechtbank ter motivering van haar beslissing naar de rechtsoverwegingen in haar uitspraak van gelijke datum en met nummer 07/4877, LJN: BH8208, gepubliceerd in NTFR 2009/1170. Ik citeer uit de laatstbedoelde uitspraak. Een geanonimiseerde versie daarvan was aan de uitspraak gehecht.

6 Wet tot wijziging van de inkomstenbelasting (beperkte reparatie van het regime inzake de winst uit aanmerkelijk belang) van 7 maart 1991, Stb. 1991/94.

7 Van de drie geciteerde volzinnen golden de eerste twee van 20 maart 1991 tot 1 januari 1997 en gold de laatste van 20 maart 1991 tot 1 januari 1992. Zie over de laatste volzin 3.7.

8 MvT, Kamerstukken 1988-1989, 21 033, nr. 3, p. 5.

9 MvA, kamerstukken 1988-1989, 21 033, nr. 5, p. 5.

10 MvA, kamerstukken 1988-1989, 21 033, nr. 5, p. 6.

11 Amendement van de leden Vreugdenhil en Van der Vaart, Kamerstukken 1989-1990, 21 033, nr. 9, p. 2-3.

12 Handelingen TK 69-3830.

13 MvA, kamerstukken 1990-1991, 21 033, nr. 118, p. 3-4.

14 MvT, kamerstukken 1991-1992, 22 442, nr. 3, p. 3.

15 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken 1991-1992, 22 442, nr. 6, p. 4.

16 Artikel 20a, lid 6, onderdeel h, van de Wet IB 1964 (tekst 2000) jo. artikel 20e van de Wet IB 1964 (tekst 2000).

17 MvT, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 3, p. 43.

18 Verslag, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 6, p. 4 en 8.

19 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 7, p. 8.

20 Advies Raad van State en Nader Rapport, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. B, p. 14.

21 Advies Raad van State en Nader Rapport, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. B, p. 14-15.

22 MvT, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 3, p. 43-44.

23 Verslag, kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 6, p. 48.

24 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken 1995-1996, 24 761, nr. 7, p. 59.

25 MvT, Kamerstukken 1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 198.

26 Nota n.a.v. het nader verslag, kamerstukken 2007-2008, 31 459, nr. 9, p. 21.

27 Gerechtshof Arnhem, 1 december 2009, nr. 08/00145, LJN: BK6117, gepubliceerd in NTFR 2009/2722 met commentaar van Ganzeveld en zonder aantekening in V-N 2010/7.1.4.

28 R.P. van den Dool en E.J.W. Heithuis, De fiscale positie van de DGA, Rapport in opdracht van de Samenwerkende Registeraccountants en Administratieconsulenten (SRA) en de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB), Kluwer, Deventer 2009, p. 15.

29 A.C. Rijkers, De fiscale positie van de DGA Aanmerkelijk belang, TFO 2009/76.

30 A.C. Rijkers en J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling in de Wet IB 1964 en de Wet IB 2001, fed fiscale brochures, FED, Deventer 2000 (7e druk), p. 83-84.

31 E.J.W. Heithuis, Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen, Fiscale monografieën nr. 89, Kluwer, Deventer 1999, p. 119.

32 T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale Monografieën nr. 19, Kluwer, Deventer 1999, p. 77.

33 Overigens was het voortbestaan van A zonder de kapitaalinjecties van de externe financiers kennelijk allerminst zeker. In zoverre was een liquidatiepreferentie niet zonder betekenis, ook al heeft de situatie zich uiteindelijk niet voorgedaan.