Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU6488

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
10/04870
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU6488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1500
JWB 2011/580
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04870

Mr L. Strikwerda

Zt. 16 sept. 2011

conclusie inzake

[Verzoekster]

tegen

de Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Inzet is de vraag of verzoekster tot cassatie, hierna: [verzoekster], op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1975, 132, hierna: TOS, de bij haar geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd en de TOS in werking trad (25 november 1975) heeft behouden en, zo neen, of zij nadien door optie de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen.

2. In cassatie dient van de volgende feiten te worden uitgegaan (zie r.o. 3.1 van de beschikking van de rechtbank):

(i) [Verzoekster] is op [geboortedatum] 1963 geboren in het distrikt Suriname, Suriname, als wettig kind van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

(ii) [Verzoekster] verkreeg bij haar geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder a, van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (WNI) als dochter van een Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit.

(iii) Uit de basisadministratie van de gemeente Amsterdam blijkt dat [verzoekster] van 26 september 1975 tot 28 september 1978 in Nederland woonachtig was.

3. [Verzoekster] heeft op 11 juni 2009 bij de rechtbank te 's-Gravenhage op de voet van art. 17 RWN een verzoekschrift tot vaststelling van haar Nederlanderschap ingediend. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname (25 november 1975) haar Nederlandse nationaliteit heeft behouden, omdat zij toen haar woonplaats of werkelijk verblijf niet in Suriname had, maar in Nederland. Voorts heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij in augustus 1995 bij aanvraag van een toeristenvisum voor Nederland heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.

4. Verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 11 maart 2010 als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat [verzoekster] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Volgens de Staat heeft verzoekster bij de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkregen, waardoor zij de Nederlandse nationaliteit verloor, en is niet gebleken dat [verzoekster] binnen vijf jaar na haar meerderjarigheid gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit.

5. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 augustus 2010 het verzoek van [verzoekster] afgewezen.

6. Ten aanzien van de vraag of [verzoekster] op 25 november 1975 haar Nederlandse nationaliteit heeft behouden, overwoog de rechtbank (r.o. 3.2):

"Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS was verzoekster minderjarig, zodat zij op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 van de TOS haar vader volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. De beide ouders van verzoekster verbleven op 25 november 1975 in Suriname en verkregen daardoor beiden de Surinaamse nationaliteit en verloren de Nederlandse nationaliteit."

7. Met betrekking tot de vraag of [verzoekster] door optie de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen, overwoog de rechtbank:

"3.3 Verzoekster heeft op grond van artikel 6 lid 4 van de TOS de gelegenheid gehad binnen vijf jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster zou immers, indien zij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, vanaf genoemde datum de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, omdat zij op dat moment woonachtig was in Nederland. Aangezien verzoekster door haar huwelijk op 12 oktober 1980 meerderjarig is geworden, liep de optietermijn af op 12 oktober 1985.

3.4 Nu niet is gesteld of gebleken dat verzoekster vóór 12 oktober 1985 heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit, komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoekster op 25 november 1975 haar Nederlandse nationaliteit heeft verloren en nadien niet heeft herkregen. Artikel 6 lid 4 van de TOS geeft verzoekster niet de mogelijkheid ná het verstrijken van de in dat artikel genoemde termijn van 5 jaar na het bereiken van de meerderjarigheid alsnog te opteren voor de Nederlandse nationaliteit."

8. [Verzoekster] is op de voet van art. 18 lid 2 RWN tegen de beschikking van de rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de middelen bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Middel I is gericht tegen de verwerping door de rechtbank - in r.o. 3.2 - van de stelling van [verzoekster] dat zij ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname haar bij haar geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit heeft behouden. Het middel betoogt dat het oordeel van de rechtbank onjuist is, omdat de rechtbank heeft miskend dat voor de beoordeling van de vraag of [verzoekster] de Nederlandse nationaliteit heeft behouden alleen beslissend is waar [verzoekster] op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd haar woonplaats of werkelijk verblijf had, en dat niet ter zake doet waar haar ouders toen verbleven.

10. Het middel faalt, omdat het oordeel van de rechtbank juist is. De rechtbank heeft, onbestreden in cassatie, vastgesteld dat [verzoekster] op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd en de TOS in werking trad (25 november 1975) minderjarig was. Voorts heeft de rechtbank, eveneens onbestreden in cassatie, vastgesteld dat de ouders van [verzoekster] op dat tijdstip in Suriname verbleven en daardoor beiden de Surinaamse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren. Uitgangspunt van de TOS is dat de minderjarige de nationaliteit van de vader volgt. Zie daarover H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, diss. 1998, blz. 113 e.v. Dit uitgangspunt is vastgelegd in art. 6 lid 1 van de TOS. Is de vader overleden of wettelijk onbekend dan volgt de minderjarige de nationaliteit van de moeder (lid 1). Hetzelfde geldt indien en zolang de minderjarige met de moeder in een ander land verblijft dan de vader (lid 2). Uit hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, volgt dat geen van deze uitzonderingen zich in het onderhavige geval voordoet. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat [verzoekster] op grond van het bepaalde in art. 6 lid 1 TOS haar vader volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.

11. Middel II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank - in r.o. 3.3 - dat voor [verzoekster] de optietermijn als bedoeld in art. 6 lid 4 TOS afliep op 12 oktober 1985. Zie ik het goed dan strekt het middel ten betoge dat het oordeel van de rechtbank in strijd is zowel met art. 7, aanhef en onder 5, WNI, als met art. 6 lid 4 TOS.

12. Voor zover het middel de rechtbank schending van art. 7, aanhef en onder 5, WNI verwijt, moet het reeds falen omdat het bepaalde in art. 7, aanhef en onder 5, WNI slechts van toepassing is op buiten het Koninkrijk (en de Republiek Indonesië) geboren Nederlanders. Uit hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, volgt dat [verzoekster] is geboren binnen het Koninkrijk. Het bepaalde in art. 7, aanhef en onder 5, WNI is op [verzoekster] derhalve niet van toepassing.

13. Voor zover het middel de rechtbank schending van art. 6 lid 4 TOS verwijt, kan het evenmin doel treffen. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, vangt de in art. 6 lid 4 TOS bedoelde optietermijn van vijf jaar niet aan bij het bereiken door betrokkene van het 18e levensjaar, maar bij het bereiken van de meerderjarigheid. De rechtbank heeft, onbestreden in cassatie, vastgesteld dat [verzoekster] - vanwege haar huwelijk op die datum - op 12 oktober 1980 meerderjarig is geworden. Het oordeel van de rechtbank dat de optietermijn voor [verzoekster] afliep op 12 oktober 1985 is derhalve juist. Van schending door de rechtbank van art. 6 lid 4 TOS is geen sprake.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,