Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU5777

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
10/05514
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU5777
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek tot verlenen vervangende toestemming voor erkenning op de voet van art. 1:204 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1450
JWB 2011/557

Conclusie

10/05514

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 16 september 2011

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

[De man]

1. In deze zaak, over erkenning van een minderjarig kind, kan worden volstaan met een verkorte conclusie. Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit op [geboortedatum] 2006 een dochter is geboren. De moeder, thans verzoekster tot cassatie, heeft van rechtswege het gezag. Bij beschikking van 25 maart 2009 is mr. J.J. Brugge benoemd tot bijzonder curator over de dochter.

2. De man, gerekestreerde in cassatie, heeft zich gewend tot de rechtbank te Middelburg met het verzoek hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de dochter (art. 1:204 lid 3 BW). Ook heeft hij verzocht een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft het verzoek tegengesproken.

3. Bij beschikking van 12 augustus 2009 heeft de rechtbank de verzochte toestemming verleend en de behandeling van het verzoek om een omgangsregeling aangehouden.

4. Op het hoger beroep van de moeder heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage (nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch) op 21 september 2010 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof stelde vast dat niet in geschil is dat de man de verwekker van de dochter is (rov. 3.10). Na de wettelijke maatstaf te hebben vooropgesteld in rov. 3.11(1), besprak het hof de wederzijdse stellingen. Het hof kwam tot de slotsom dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij toewijzing van het verzoek van de man haar belangen of die van de dochter worden geschaad (rov. 3.13). De bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming hadden geen bezwaar tegen de door de man verzochte toestemming (rov. 3.6 - 3.7).

5. Namens de moeder is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

6. Middel I is gericht tegen rov. 3.8. In eerste aanleg had de moeder als reden voor haar weigering opgegeven dat een erkenning van het kind door de man bij haar spanningen zal oproepen waarvoor zij mentaal onvoldoende draagkracht heeft. Zij heeft last van chronische vermoeidheid en ontvangt opvoedingsondersteuning. Bemoeienis van de man met het leven van de dochter zal voor de moeder grote psychische druk opleveren, welke zijn weerslag op het kind zal hebben. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen: (i) dat de moeder hulp kan zoeken en dat de verwachting is dat bedoelde spanningen niet onomkeerbaar zijn en (ii) dat bovendien niet aannemelijk is gemaakt dat de moeder als gevolg van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is de dochter het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat de dochter nodig heeft(2). In hoger beroep heeft de moeder dit verweer herhaald (grief I). Nadat het hof de mondelinge behandeling had aangehouden voor mediation, heeft de moeder door een psycholoog onderzoek laten doen naar mogelijk seksueel misbruik van de dochter. Het door deze psycholoog op 29 april 2010 opgemaakte onderzoeksverslag is door de moeder overgelegd. Tijdens de tweede mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder het hof verzocht een onderzoek te laten instellen door de raad voor de kinderbescherming. Het hof heeft dit voorstel tot nader onderzoek van de hand gewezen omdat het hof, gelet op de processtukken en de mondelinge behandeling, zich voldoende voorgelicht achtte om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

7. Het cassatiemiddel wijst op de samenvatting van het verweer van de moeder in rov. 3.4. Daarin zijn volgens de moeder nog niet meegenomen de nieuwe ontwikkelingen waarop de raadsman van de moeder in zijn brief van 29 april 2010 aan het hof een beroep had gedaan, te weten: het verloop van de speltherapie en het onderzoeksverslag van de psycholoog. Volgens de klacht kan de inhoud van dat verslag bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat het gedragsmatige en emotionele functioneren en de psychoseksuele ontwikkeling van de dochter de rapporteur zorgen baren. Naar de vervolgvraag, of de man daarbij betrokken is en/of daarin een aandeel heeft gehad, is volgens het cassatiemiddel geen onderzoek ingesteld. Indien het hof aan deze onderzoeksbevindingen geloof heeft gehecht was er volgens het middel aanleiding voor een nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming en is het oordeel dat het hof zich voldoende voorgelicht acht onbegrijpelijk. Indien het hof aan deze bevindingen geen geloof heeft gehecht, handelt het hof in strijd met art. 8 EVRM, nu de moeder, nadat zij van deze ontwikkelingen kennis had genomen, in het belang van de dochter haar in bescherming heeft willen nemen (lees: door toestemming tot erkenning te weigeren)(3).

8. Uit de beschikking onder 2.5 blijkt dat het hof kennis heeft genomen van de brief van de raadsman van 29 april 2010 met bijlage. Uit het proces-verbaal van de tweede mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat ter zitting betrekkelijk uitgebreid is gesproken over het onderzoeksverslag van de psycholoog dat de moeder had overgelegd. In rov. 3.13 is het hof ingegaan op dit onderzoeksverslag. Het hof is - op de aldaar aangegeven gronden - van oordeel dat aan dit rapport niet die waarde toegekend kan worden welke de moeder daaraan toegekend wil zien. Volgens het hof is het onderzoeksverslag enkel gebaseerd op uitlatingen van de moeder en informatie afkomstig van de peuterzaal. Het hof wijst erop dat deze laatste informatie in belangrijke mate afwijkt van die van de moeder. Daarbij komt volgens het hof dat de bijzondere curator noch de raad voor de kinderbescherming (na van dit onderzoeksverslag van de psycholoog te hebben kennis genomen) bezwaar hadden tegen toewijzing van het verzoek van de man. In het licht hiervan is de beslissing van het hof om geen opdracht tot nader onderzoek aan de raad voor de kinderbescherming te verstrekken niet onbegrijpelijk. Voor het overige gaat het om een beslissing die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ten overvloede heeft het hof nog overwogen dat de erkenning waarvoor toestemming is verzocht, slechts meebrengt dat de relatie tussen de man en de dochter wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking.

9. In het cassatierekest onder 13.6 en 13.7 wordt geklaagd dat het hof, met zijn overweging dat het rapport enkel is gebaseerd op informatie van de moeder en de peuterzaal, het eigen onderzoek door de psycholoog miskent. Deze klacht berust m.i. op een onjuiste lezing van de beschikking. Het onderzoeksverslag vermeldt dat de psycholoog bij de dochter tests heeft afgenomen en in zoverre eigen onderzoek heeft verricht. Het hof maakt in rov. 3.13 dan ook melding van het psychodiagnostisch onderzoek van de dochter door de psycholoog en gaat nader in op de bewijswaarde van het onderzoeksverslag.

10. Voorts zou het hof hebben miskend dat het rapport van de raad voor de kinderbescherming dateert van 25 juni 2009, ver vóór het onderzoek van de psycholoog d.d. 29 april 2010. Deze klacht faalt omdat het hof niet slechts verwijst naar het rapport van de raad van 25 juni 2009, opgemaakt in het kader van een eerder onderzoek, maar ook naar het actuele standpunt van de raad (rov. 3.7 en rov. 3.13 aan het slot). De slotsom is dat middel I geen doel treft.

11. Middel II klaagt dat het hof bij de beoordeling van de in art. 1:204 lid 3 BW bedoelde 'belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind', ten onrechte niet tot de in aanmerking komende belangen rekent: de "signalen die opkomen ter zake van seksueel misbruik, in een situatie dat nog moet worden uitgezocht op welke wijze de vader daarbij is betrokken dan wel daarin een aandeel heeft". De overweging ten overvloede aan het slot van rov. 3.11, dat erkenning slechts een familierechtelijke rechtsbetrekking tot gevolg heeft, is volgens het middel onbegrijpelijk: er wordt immers een verbondenheid tot stand gebracht welke, gelet op art. 8 EVRM, niet in het belang van het kind is.

12. Het middel veronderstelt "een situatie dat van seksueel misbruik sprake lijkt te zijn" (cassatierekest 14.4) en dat "gebleken is dat het kind bescherming nodig heeft ter afwering van inbreuken die op het kind worden gepleegd" (cassatierekest 14.5). Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, gaat het in dit geval niet om een situatie waarin vaststaat of aannemelijk is dat het kind seksueel is misbruikt en slechts nog de identiteit van de dader moet worden vastgesteld. In zoverre mist zij feitelijke grondslag. Voor het overige gaat het om een vaststelling en waardering van de feiten, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht. Het oordeel is toereikend gemotiveerd.

13. Toepassing van art. 81 R.O. wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Het hof verwees ook naar HR 16 februari 2001, NJ 2001, 571 m.nt. J. de Boer.

2 Rov. 4.2.1 Rb.

3 Aldus, samengevat, de klacht in de middelonderdelen 13.3 - 13.5. De daaraan voorafgaande onderdelen dienen slechts ter inleiding.