Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU4215

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/05092
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU4215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing; art. 1:256, 262 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1553
JWB 2011/600
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/05092

Mr L. Strikwerda

Parket, 30 sept. 2011

conclusie inzake

[De moeder]

tegen

[De vader]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van de moeder de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2010, waarbij de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de op [geboortedatum] 2007 uit het huwelijk van de moeder en thans verweerder in cassatie, hierna: de vader, geboren minderjarige [de zoon] tot respectievelijk 14 december 2010 en 1 september 2010 heeft verlengd.

2. De vader heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het cassatieberoep, althans tot verwerping daarvan. De moeder heeft bij schriftuur van 28 maart 2011 op het verweerschrift van de vader gereageerd.

3. De vader heeft de niet-ontvankelijk van de moeder in haar cassatieberoep ingeroepen. Hij heeft daartoe gesteld dat de moeder geen belang heeft bij haar cassatieberoep aangezien de einddata van de door de rechtbank uitgesproken en in hoger beroep bekrachtigde verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging uithuisplaatsing inmiddels zijn verstreken.

4. Dit verweer faalt. In lijn met HR 24 juni 2011, LJN BQ2292, NJ 2011, 390 nt. S.F.M. Wortmann, moet worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat de geldigheidsduur van de bedoelde maatregelen is verstreken, niet voldoende is om de moeder haar procesbelang bij het instellen van beroep in cassatie te ontzeggen.

5. Het cassatieberoep berust op één middel dat, als ik het goed zie, twee klachten bevat. Deze klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

6. De eerste klacht van het middel houdt in dat het hof ervan blijk heeft gegeven niet een onafhankelijk rechter te zijn "omdat het hof zijn oren liet hangen naar de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg".

7. De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat zij niet voldoet aan de eisen van art . 426a lid 2 Rv. De klacht geeft immers niet, althans niet met de vereiste bepaaldheid en precisie, aan waarom welke beslissing of overweging in de bestreden beschikking grond zou kunnen zijn voor het verwijt dat het hof zich niet als een onafhankelijk rechter heeft gedragen. Vgl. HR 5 november 2010, LJN: BN6196, RvdW 2010, 1328.

8. De tweede klacht verwijt het hof de moeder niet een fair trial te hebben gegeven doordat het hof "niet bereid was de beslissing van de rechtbank te toetsen aan de beginselen van behoorlijk bestuur nu die beslissing van de rechtbank stoelde op de eerdere beslissing van de rechtbank van december 2007 waarbij voorlopige voogdij voorziening was uitgesproken door een rechter die daartoe onbevoegd was".

9. De klacht faalt omdat niet valt in te zien waarom het hof bij de toetsing van de beslissing van de rechtbank beginselen van behoorlijk bestuur in acht had te nemen en, zo al, welk beginsel van behoorlijk bestuur het hof dan heeft veronachtzaamd.

10. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat het hof zich alsnog onbevoegd had moeten verklaren (en door dat niet te doen de moeder in haar recht op een eerlijk proces heeft tekort gedaan) omdat de rechtbank onbevoegd was toen zij haar eerdere beslissing van 14 december 2007 gaf, kan de klacht evenmin doel treffen. Nog daargelaten dat de omstandigheid dat de rechtbank onbevoegd zou zijn geweest toen zij haar eerdere beslissing van 14 december 2007 gaf, niet meebrengt dat de Nederlandse rechter zich in de onderhavige procedure onbevoegd had moeten verklaren, kan de juistheid van de beslissing van 14 december 2007, waartegen blijkens de gedingstukken geen hoger beroep werd ingesteld (zie de als bijlage 10 bij het appelschrift zijdens de vrouw overgelegde beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 juli 2009), thans niet meer ter discussie worden gesteld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,