Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU4206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
CPG 09/04587 P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Vaststelling verkrijging voordeel door strafbaar feit en opgave van bm. 2. Misslagen in berekening w.v.v. Ad 1. De ontnemingsrechter moet ingevolge art. 36e.2 Sr o.g.v. de stukken van het dossier en het verhandelde ttz. vaststellen dat de betrokkene a.g.v. een strafbaar feit waarvoor hij veroordeeld is of a.g.v. een ander strafbaar feit voordeel heeft verkregen. Anders dan voor de schatting van het bedrag van het w.v.v., geldt voor die vaststelling niet dat i.g.v. art. 511e.1 Sv (in e.a.) en art. 511g.2 Sv (in h.b.) art. 359.3 Sv van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent dat de uitspraak alleen de bm. moet vermelden waaraan het w.v.v. is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, v.zv. bevattende de voor die schatting redengevende f&o. Kennelijk a.g.v. een misslag is het vonnis van de Rb opgenomen onder de bm. Het Hof heeft de schatting van het w.v.v. niet aan de inhoud van dit vonnis ontleend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Ad 2. De HR herstelt misslagen in de berekening van het w.v.v. en stelt het bedrag waarop het w.v.v. wordt geschat opnieuw vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 09/04587 P

Mr. Hofstee

Zitting: 8 november 2011

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 30 oktober 2009 het door de betrokkene, ter zake van het "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 102.424,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 92.000,-.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de griffienummers 10/00883P, 10/04587P, 10/04608P en 10/04610P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de betrokkene heeft mr. I. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, zes middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat het eerste door het Hof gebezigde bewijsmiddel niet de inhoud bevat waaraan de schatting van het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

5. Het eerste bewijsmiddel houdt blijkens de aanvulling op het arrest het volgende in:

"1. Het veroordelende vonnis in de strafzaak tegen de veroordeelde d.d. 20 oktober 2006, met parketnummer 09-757697-05, van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te 's-Gravenhage."

6. Naar uit het bepaalde in art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 359, derde lid, Sv volgt, dient de uitspraak van de (appel)rechter op straffe van nietigheid de inhoud van de bewijsmiddelen te bevatten waaraan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.(1) In de rechtspraktijk wordt het aanhalen van een vonnis of arrest wel gebruikt om aan te geven dat de betrokkene daadwerkelijk is veroordeeld wegens een strafbaar feit in de zin van art. 36e, eerste lid, Sr. In zoverre heeft dat bewijsmiddel een redengevend karakter. Doorgaans wordt echter het vonnis of arrest in de hoofdzaak als bewijsmiddel in de ontnemingzaak opgenomen, omdat mede uit een in dat vonnis of arrest gebruikt bewijsmiddel de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden afgeleid. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat met een eenvoudige aanduiding van het bewijsmiddel in de ontnemingzaak kan worden volstaan indien het bewijsmiddel al in de hoofdzaak is gebruikt. Dat neemt echter niet weg, dat met een enkele verwijzing naar het arrest of het vonnis niet kan worden volstaan.(2) Van zo een enkele verwijzing is in de onderhavige zaak sprake. Het Hof heeft het onherroepelijk geworden strafvonnis van de Rechtbank niet in kopie aan bewijsmiddel 1 in de ontnemingzaak gehecht. Daarbij teken ik aan dat in dat strafvonnis van de Rechtbank geen bewijsmiddelen zijn opgenomen; er is tegen dat vonnis geen hoger beroep ingesteld, zodat een nadere uitwerking met betrekking tot de gebezigde bewijsmiddelen niet nodig was. Wel is (vanzelfsprekend) in het strafvonnis nauwkeurig aangeduid welke feiten zijn bewezen verklaard en op welke wijze. Dat punt is hier van betekenis, nu het Hof met betrekking tot de locaties '[b-straat 1]' en '[a-straat]' bij de bepaling van de periode waarover het aantal oogsten dient te worden berekend, de aanvangsdatum van 1 mei 2005 enkel heeft ontleend - en kennelijk enkel heeft kunnen ontlenen - aan de inhoud van die bewezenverklaringen.

7. Dat het Hof hier enkel heeft verwezen naar het strafvonnis van de Rechtbank, hoeft naar mijn mening niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de inhoud van de hier betreffende bewezenverklaringen duidelijk is terug te vinden in het strafvonnis van de Rechtbank en het Hof in zijn bestreden arrest onder het kopje 'Motivering van de op te leggen maatregel' ten aanzien van beide locaties expliciet heeft vermeld (p. 10 en p. 12), dat het de door de Rechtbank bewezenverklaarde aanvangsdatum van 1 mei 2005 als vertrekpunt heeft genomen bij de berekening van het aantal weken en het aantal oogsten in de ontnemingzaak van de betrokkene. In dat licht beschouwd valt naar mijn mening niet in te zien dat en waarom in dit geval de betrokkene in enig rechtens relevant belang is geschaad.

8. Voor het overige steunen de schatting en de vaststelling van het Hof van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het BOOM-rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht' van 14 april 2005 alsmede op de bewijsmiddelen 2 t/m 5, te weten het 'proces-verbaal rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel' ten aanzien van de onderhavige drie locaties ([b-straat 1], [a-straat] en [c-straat]), het 'proces-verbaal van bevindingen ontruimen hennepkwekerij' (betreffende de locatie [a-straat]), het 'proces-verbaal van de raadsheer-commissaris', inhoudende de verklaring van de getuige [betrokkene 2] over de locatie [a-straat] en een geschrift, opgemaakt door de medeveroordeelde [betrokkene 2] ter zake de locatie [a-straat] (zie over deze notitie nader hieronder in 20 e.v.).

9. Naar ik meen is het middel tevergeefs voorgesteld.

10. Het tweede middel keert zich met een rechtsklacht tegen het uitgangspunt van het Hof dat de betrokkene ten aanzien van de kwekerijen aan de [b-straat] en de [c-straat] het voordeel daadwerkelijk wederrechtelijk zou hebben genoten. In het derde middel is de klacht vervat dat het Hof het verweer dat geen pondspondsgewijze verdeling dient plaats te vinden met betrekking tot de hennepkwekerijen aan de [b-straat] en de [c-straat] op onjuiste dan wel onbegrijpelijke gronden heeft verworpen. Deze middelen lenen zich mijns inziens voor gezamenlijke bespreking.

11. Namens de betrokkene is blijkens de in het procesdossier gevoegde pleitnota (p. 2-6) ter terechtzitting van het Hof van 18 september 2009 door de raadsvrouw het verweer gevoerd dat uit de bewijsmiddelen in de hoofdzaak weliswaar blijkt dat de betrokkene betrokken was bij de hennepkwekerijen aan de [b-straat] en de [c-straat], maar niet dat de betrokkene heeft gedeeld in de winst uit de opbrengst van deze kwekerijen. De betrokkene zou bij deze kwekerijen enkel adviezen hebben verstrekt of ondersteunende werkzaamheden hebben verricht, die niet (afzonderlijk) werden beloond. Gelet op de gestelde ondergeschikte rol van de betrokkene, mocht geen pondspondsgewijze verdeling worden toegepast, aldus de raadsvrouw.

12. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Gevoerde verweren

1. Verdeling van de winst; ondergeschikte rol en pondspondsgewijze verdeling

(pleitnota pag. 2-6)

* [b-straat 1] en de [c-straat]

Door de verdediging is ter terechtzitting van 18 september 2009 bepleit, kort gezegd, dat de veroordeelde met betrekking tot de kwekerijen aan de [b-straat 1] en de [c-straat] een ondergeschikte rol heeft gespeeld en geen winstaandeel heeft genoten.

Het hof overweegt als volgt.

In de situatie waar een persoon is veroordeeld als medepleger van het telen van hennep en waar door het openbaar ministerie in het kader van die veroordeling een onderbouwde vordering tot ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel is ingediend, acht het hof het, mede gelet op het beginsel van een redelijke verdeling van de bewijslast, in beginsel niet aannemelijk dat er geen wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten. Dit wordt anders indien de veroordeelde concreet en met feitelijkheden onderbouwd aannemelijk kan maken dat zijn rol en/of de verdeling van de opbrengst van de hennepkwekerij anders is geweest dan door het openbaar ministerie is betoogd.

De enkele bewering - zakelijk weergegeven - dat de verklaring van de veroordeelde (met betrekking tot zijn rol bij de kwekerijen) in verschillende opzichten bevestiging vindt in de onderzoeksresultaten, zonder concreet aan te geven in welke opzichten en welke onderzoeksresultaten, is gelet op het bovenstaande onvoldoende. Bij het ontbreken van een voldoende concrete en feitelijke onderbouwing van het bepleite slaagt de verdediging er niet in aannemelijk te maken dat de rol van de veroordeelde ten aanzien van de betreffende hennepkwekerijen anders is geweest dan door het openbaar ministerie is betoogd.

Nu het hof dergelijke omstandigheden evenmin uit het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen zijn gebleken, acht het hof, mede gelet op het bovenstaande, veroordeeldes verklaring in zoverre onaannemelijk. Het hof ziet in het door de verdediging aangevoerde ook overigens geen aanleiding een andere verdeling van het na te melden wederrechtelijk verkregen voordeel toe te passen, dan een pondspondsgewijze verdeling tussen de veroordeelde en zijn medeveroordeelden c.q. mededaders. Het hof verwerpt het verweer."

13. Blijkens de toelichtingen op de middelen komt de steller van de middelen op tegen de overweging van het Hof dat het in beginsel niet aannemelijk is dat de betrokkene geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Met deze overweging heeft het Hof volgens de steller van de middelen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de verdeling van de bewijslast en is dit oordeel in strijd met de onschuldpresumptie ex art. 6 EVRM in ontnemingzaken, nu het Hof als uitgangspunt heeft genomen dat wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten terwijl daarvoor geen concrete aanwijzingen zijn. Voorts wordt geklaagd dat het Hof zonder nadere motivering geen pondspondsgewijze verdeling had mogen toepassen, gelet op het ter terechtzitting gevoerde en onderbouwde verweer dat de betrokkene een ondergeschikte rol speelde.

14. Vooropgesteld dient te worden dat de omstandigheid dat, indien de officier van justitie het genoten voordeel aannemelijk heeft gemaakt, het aan de betrokkene is de desbetreffende vordering gemotiveerd te bestrijden, niet in strijd is met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in art. 6 EVRM.(3) Het Hof heeft het onaannemelijk geacht dat de betrokkene geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Dit oordeel is gelet op het door het Hof genoemde feit dat verzoeker in de hoofdzaak als medepleger voor zijn aandeel in de drie hennepkwekerijen is veroordeeld, niet onbegrijpelijk. Met deze overweging - dat het onaannemelijk is dat verzoeker geen voordeel heeft genoten -, heeft het Hof de bewijslast niet onevenredig omgekeerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat hier enkel sprake is van een verklaring van de betrokkene, die, naar het Hof terecht heeft vastgesteld, op geen enkele wijze concreet en steekhoudend is onderbouwd.

15. Gelet op het voorgaande is het Hof aldus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat de betrokkene meedeelde in de winst van de hennepkwekerijen.

16. Uitgangspunt is dat de betrokkene dat deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen dat hij daadwerkelijk heeft verkregen. De rechter moet aan de hand van alle bekende omstandigheden beoordelen welk deel van het totale voordeel aan ieder van de betrokkenen valt toe te rekenen. Indien de omstandigheden van het geval daartoe onvoldoende aanknopingspunten bieden, kan de rechter tot pondspondsgewijze toerekening overgaan.(4) Nu het Hof de verklaring van de betrokkene dat hij met betrekking tot de hennepkwekerijen aan de [b-straat] en de [c-straat] een ondergeschikte rol zou hebben gespeeld niet aannemelijk heeft geacht en er geen andere omstandigheden bekend zijn (geworden) omtrent de precieze verdeling van het totaal verkregen voordeel, kon het Hof, zoals het heeft gedaan, overgaan tot de pondspondsgewijze verdeling.

17. De middelen twee en drie falen.

18. Het vierde middel klaagt dat het Hof het verweer omtrent de hoogte van het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel op ontoereikende gronden heeft verworpen.

19. Blijkens de eerder genoemde pleitnota (p. 16-19) is namens de betrokkene ter terechtzitting - kort gezegd - het verweer gevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de hennepkwekerij aan de [a-straat] acht moet worden geslagen op de aangetroffen notitie van medeveroordeelde [betrokkene 2], volgens de raadsvrouw inhoudend dat de betrokkene na drie geslaagde oogsten ongeveer € 14.400,- heeft verdiend, en dat bij de berekening geen gebruik mag worden gemaakt van de gestandaardiseerde en fictieve gegevens uit het rapport 'Wederrechtelijk Verkregen Voordeel Hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht', nu door de verbalisanten bewust is nagelaten om de werkelijke gegevens te noteren.

20. De in het verweer bedoelde en als bewijsmiddel 5 gebezigde notitie houdt in:

"Ten aanzien van de locatie [a-straat], terzake één oogst:(5)

€ 31350 totaal opgebracht

16950 tot onkosten

31350-16950

= 14400:3= 4800 p.p

Over | | |

Jo He Mar"

21. Het Hof heeft het namens de betrokkene gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"5. [a-straat]

* Notitie zaaksdossier [A] en verklaring cliënt (pleitnota pag. 16-19)

Met betrekking tot hetgeen door de raadsvrouw terzake is aangevoerd, overweegt het hof als volgt.

Gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen is naar 's hofs oordeel aannemelijk geworden dat de handgeschreven notitie betrekking heeft op de hennepkwekerij aan de [a-straat], met vermelding van de verdeelsleutel voor de opbrengst van de kwekerij over drie ontvangers; de veroordeelde, medeveroordeelde [betrokkene 3] en een derde. Het hof zal bij zijn berekeningen dan ook hier vanuit gaan. Nu gesteld noch gebleken is dat de rol van de betrokkenen gedurende de bewezenverklaarde periode per oogst zou zijn veranderd, zal het hof deze verdeelsleutel bij alle drie de oogsten toepassen.

Voorts overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het kosten- en opbrengstenplaatje zoals die kenbaar wordt uit de notitie, betrekking heeft gehad op meerdere oogsten. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de veroordeelde bij de raadsheer-commissaris d.d. 20 juli 2007 heeft verklaard dat de kwekerij op enig moment € 31.350,- heeft opgebracht. De verdediging heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de bedragen op de notitie betrekking hebben op meerdere oogsten. Het hof is dan ook van oordeel dat voornoemde notitie een sterke aanwijzing vormt voor de opbrengst en kosten van één oogst van de kwekerij en zal de opbrengst van één oogst aldus berekenen. Terzake de opbrengst en kosten van de overige twee oogsten acht het hof veroordeeldes verklaring met betrekking tot de ziekte die zich in de plantjes zou hebben geopenbaard evenmin aannemelijk geworden. Voor het overige heeft de verdediging geen inzicht gegeven in de concrete kosten en opbrengsten van andere oogsten. Het hof zal voor de berekening van de overige twee oogsten dan ook uitgaan van de gegevens uit het ontnemingsrapport en de gestandaardiseerde gegevens uit het BOOM-rapport. Het hof verwerpt het verweer.

* Gebruik gestandaardiseerde gegevens (pleitnota pag. 17-18)

De raadsvrouw heeft het BOOM-rapport aangehaald en citeert uit dit rapport de passage, kort gezegd, dat gebruik mag worden gemaakt van de gestandaardiseerde gegevens slechts indien de werkelijke gegevens ontbreken. In het kader hiervan stelt de raadsvrouw dat door de betreffende verbalisanten doelbewust is nagelaten de werkelijke gegevens van de kwekerij te noteren (met name het aantal hennepplanten per m2), zodat [cursivering van mij, EH] het onmogelijk is gemaakt een concrete en aanvaardbare berekening te maken.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof valt uit het dossier

geenszins af te leiden dat doelbewust is nagelaten de afmetingen van de hennepkwekerij te noteren, met het doel om bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te kunnen gaan van de gestandaardiseerde gegevens in plaats van de werkelijke gegevens. Nu uit het dossier niet blijkt wat deze werkelijke gegevens waren en de veroordeelde evenmin in enig opzicht nadere gegevens heeft verschaft omtrent de afmetingen van deze kwekerij, terwijl hij wel zijn nauwe betrokkenheid bij deze kwekerij erkent zodat het toch in de eerste plaats op zijn weg zou liggen nadere gegevens te verstrekken, hanteert het hof bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel de standaardgegevens (tenzij hiervan uitdrukkelijk wordt afgeweken). Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw terzake is aangevoerd geen aanleiding hier vanaf te wijken en verwerpt het verweer."

22. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het Hof - dat de notitie betrekking zou hebben op één oogst - onbegrijpelijk is, nu de inrichtingskosten werden betaald van de opbrengst van één oogst en een tweede oogst maar deels slaagde door ziekte onder de planten. Daarom is het volgens de steller van het middel aannemelijk dat de notitie (wel) ziet op de opbrengst van alle oogsten. Het Hof kon aldus niet volstaan met de overweging dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de bedragen op de notitie betrekking hebben op meer dan één oogst en dat de verklaring omtrent de ziekte niet aannemelijk is geworden.

23. Ik meen dat deze klacht geen doel treft. Gezien de overweging van het Hof dat de betrokkene bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de kwekerij op enig moment € 31.350,- heeft opgebracht en er door en namens de betrokkene geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere conclusie nopen, is het oordeel van het Hof dat het niet aannemelijk is dat de notitie op meer dan één oogst ziet, niet onbegrijpelijk, terwijl daarmee het verweer toereikend gemotiveerd is verworpen.

24. Voorts behelst de toelichting op het middel de klacht dat het Hof niet adequaat heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot het gebruik van gestandaardiseerde gegevens in relatie tot de locatie aan de [a-straat]. De steller van het middel voert aan dat het Hof zou hebben gereageerd op het betoog dat doelbewust is nagelaten de afmetingen van de kwekerij te noteren met het doel om bij de berekening uit te kunnen gaan van de gestandaardiseerde gegevens, terwijl de strekking van het verweer zou zijn dat de politie heeft nagelaten om het concrete aantal planten per m2 te berekenen zodat het niet meer mogelijk was om uit te gaan van de werkelijke gegevens.

25. Het Hof heeft overwogen dat naar zijn oordeel "uit het dossier geenszins [valt] af te leiden dat doelbewust is nagelaten de afmetingen van de hennepkwekerij te noteren, met het doel om bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit te kunnen gaan van de gestandaardiseerde gegevens in plaats van de werkelijke gegevens". Nu de werkelijke afmetingen niet bekend waren, kon het Hof enkel uitgaan van de gestandaardiseerde gegevens. Het Hof heeft mijns inziens met de geciteerde overweging toereikend gereageerd op het namens de betrokkene gevoerde verweer dat (en niet, in de bewoordingen van de raadsvrouw: zodat) het niet mogelijk was uit te gaan van de werkelijke gegevens.

26. Het middel faalt.

27. Het vijfde middel klaagt dat de berekeningen van het Hof met betrekking tot de aftrekbare huurkosten van de panden '[b-straat]' en '[a-straat]' niet zonder meer begrijpelijk zijn.

28. Blijkens de meergenoemde pleitnota is ter terechtzitting ten aanzien van de huurkosten voor het pand aan de [b-straat] het volgende aangevoerd:

"[b-straat 1] te Voorburg

(...)

Kosten

Huur

De rechtbank heeft met betrekking tot de huurkosten bepaald dat over een periode van 9 maanden huur zou zijn betaald, waarbij (kennelijk) alleen de huur voor de periode waarover het voordeel is berekend in ogenschouw is genomen.

Uit de verklaringen van getuige [betrokkene 5] blijkt evenwel dat hij zich herinnert dat de "huidige huurders" het pand al minimaal een jaar ter beschikking hadden op het moment dat door de politie in het pand werd binnengetreden.

Het is in zaken als de onderhavige niet ongebruikelijk dat verdachten niet direct nadat ze het pand ter beschikking krijgen met de opbouw van een kwekerij beginnen. Desalniettemin loopt de huur van een dergelijk pand dan vanzelfsprekend door. Omdat de kosten van de huur in feite worden gemaakt om te zijner tijd in de gelegenheid te zijn een kwekerij te starten, dienen die kosten eveneens te worden meegenomen bij de berekening van het vermeend verkregen voordeel. De kosten staan namelijk wel degelijk in directe relatie tot de voltooiing van het delict.

In het onderhavige geval betekent zulks dat de kosten voor huur dienen te worden vastgesteld op 12 x € 2.000,- = € 24.000,-. Deze kosten zijn door de rechtbank ten onrechte niet geheel afgetrokken."

29. Met betrekking tot de huurkosten van het pand aan de [a-straat] wordt blijkens de pleitnota een soortgelijk standpunt ingenomen:

"Kosten Juliana

(...)

Huur/energiekosten

Ten aanzien van zowel de huur- als energiekosten wordt door de rechtbank (in afwijking van de berekening in de ontnemingsrapportage) ten onrechte slechts uitgegaan van een periode van 9 maanden, in plaats van de 13 maanden dat het pand daadwerkelijk in gebruik was.

De rechtbank heeft in haar beschikking dienaangaande overwogen dat de langere periode die door de verdediging in eerste aanleg is aangevoerd niet in voldoende directe relatie staat tot de bewezen periode waarin veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De verdediging kan deze redenering geenszins volgen. Een deel van de 13 maanden dat het pand in gebruik was en derhalve huur werd betaald werd gebruikt voor de opbouw van de kwekerij, staat derhalve in directe relatie tot de voltooiing van het delict en dient dan ook in het geheel als kostenpost in mindering te worden gebracht.

Voorts heeft de rechtbank de borgsom van drie maanden huur (€ 5.100,-) ten onrechte niet meegerekend als kostenpost."

30. Het Hof heeft hieromtrent overwogen:

"2. Kosten; investering, knipkosten, overige kosten, e.d.

(...)

Terzake de kwekerijen aan de [b-straat 1] en de [a-straat] is voorts bepleit dat, kort gezegd, de huurkosten van de panden over de gehele huurperiode dienen te worden berekend in plaats van over slechts de bewezenverklaarde periode, waarin de betrokken feiten bewezen zijn verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Naar 's hofs oordeel is door de verdediging voldoende aannemelijk gemaakt dat (...) de huurkosten van het pand aan de [b-straat 1] en het pand aan de [a-straat] tijdens de gehele huurperiode in een zodanige relatie tot het telen van de hennep staan, zodat het hof ook deze kosten zal meenemen in zijn berekeningen."

31. De steller van het middel heeft hier een punt. Naar het mij voorkomt heeft het Hof bij de berekening van de bedoelde huurkosten abusievelijk de onderscheiden perioden waarin de hennepkwekerijen volgens de bewezenverklaringen in de hoofdzaak in werking waren, tot uitgangspunt genomen, en wel als volgt: van 1 mei 2005 tot en met 3 oktober 2005 (= 5 maanden x € 2000,-) voor wat betreft de hennepkwekerij aan de [b-straat], en van 1 mei 2005 tot 12 januari 2006 (= ongeveer 9 maanden x € 1.700,-) voor zover het gaat om de hennepkwekerij aan de [a-straat].(6) Daarmee verdraagt zich echter niet het oordeel van het Hof dat door de verdediging voldoende aannemelijk is gemaakt dat de huurkosten van het pand aan de [b-straat 1] en het pand aan de [a-straat] tijdens de gehele huurperiode in een zodanige relatie tot het telen van de hennep staan, zodat het Hof ook deze kosten zal meenemen in zijn berekeningen. In zoverre is de berekening van het Hof van de huurkosten als aftrekpost onbegrijpelijk.

32. Het middel slaagt.

33. Het zesde middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft gereageerd op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de borgsom voor het pand aan de [a-straat] als aftrekbare kostenpost.

34. Blijkens het hierboven onder 29 weergegeven citaat, heeft de raadsvrouw gesteld, maar niet gespecificeerd onderbouwd, dat de borgsom met betrekking tot voornoemd pand als door de betrokkene gemaakte kosten zou moeten worden afgetrokken. Ik meen dat het Hof hierin terecht niet een verweer of standpunt heeft gelezen of beluisterd waarop het gehouden was gemotiveerd te responderen. Daarbij merk ik tevens op dat de motiveringsplicht van de rechter niet zo ver gaat dat op ieder detail van een verweer moet worden gerespondeerd.(7)

35. Het middel faalt.

36. Afgezien van het vijfde middel dat slaagt, kunnen lijkt mij de overige vijf middelen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 28 augustus 2007, LJN BA5629, NJ 2008, 96 m.nt. Reijntjes en HR 22 februari 2005, LJN AS2513.

2 Vgl. HR 19 maart 1996, LJN AD2509, NJ 1997, 60 m.nt. Knigge.

3 HR 5 december 1995, LJN ZD0312, NJ 1996, 411 (r.o. 6.3.2.) m.nt. Schalken. Zie ook HR 28 mei 2002, LJN AE1182, NJ 2003, 96 m.nt. Mevis.

4 HR 7 december 2004, LJN AQ8491, NJ 2006, 63. Vgl. ook HR 9 december 2009, LJN BG1667, NJ 2009, 19 en HR 10 oktober 2006, LJN AY7386.

5 Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de vetgedrukte zin van de hand van de raadsheer-commissaris is.

6 Zie hierboven in punt 6.

7 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, r.o. 3.8.4., m.nt. Buruma.