Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU3597

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
10/05113
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4253
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU3597
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte haar dochtertje van het leven heeft beroofd en dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte daartoe haar dochtertje azijnessence heeft toegediend, althans daarmee een begin heeft gemaakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte haar eigen eventuele dood telkens verbindt met de dood van haar dochtertje en heeft het mede op grond daarvan niet aannemelijk geoordeeld dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Hierin ligt besloten dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht de mogelijkheid dat verdachtes handelingen met betrekking tot het flesje azijnessence slechts verband hielden met haar voorgenomen zelfmoord. Voor zover het middel klaagt dat het Hof deze mogelijkheid heeft opengelaten, mist het feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/84
NJB 2012/205
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05113

Mr. Machielse

Zitting 1 november 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 16 november 2010 voor "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

2. Mr. J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel valt in twee onderdelen uiteen. In de eerste plaats voert het aan dat met name de voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid nu de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open is gebleven dat de verdachte met haar handelingen met een flesje azijnessence zelfmoord heeft willen plegen. Het tweede onderdeel stelt dat de alternatief bewezenverklaarde causaliteit tussen de handelingen van verdachte en de levensberoving niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"zij op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade haar dochtertje [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] een hoeveelheid azijnzuur toegediend en/of de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.3. In zijn arrest heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen, waarin het hof redeneert, op basis van de door het hof vastgestelde feiten, waarom er sprake is geweest van voorbedachte raad. Het hof relateert daarin waar en hoe het slachtoffertje is aangetroffen en wat de verbalisanten ter plekke hebben bevonden ten aanzien van de aanwezigheid van een keukenmes, een flesje azijnessence en een pollepel. Uit de verklaringen van de partner van verdachte, [betrokkene 1], heeft het hof afgeleid dat de handelingen die hebben geleid tot de dood van het kind zich hebben afgespeeld in een periode van maximaal een uur. In die tijdspanne zijn het mes, de azijnessence en de pollepel vanuit de keuken naar de volgende verdieping gebracht. Het hof beredeneert dat deze voorwerpen door (toedoen van) verdachte moeten zijn verplaatst. Daaruit leidt het hof af dat verdachte uitvoering heeft willen geven aan een voorgenomen besluit en gelegenheid heeft gehad om zich te bezinnen. Aan het slot van de overweging is te lezen dat de dood van het kind voor verdachte samenhing met haar eigen eventuele suïcide.

3.4. Het middel betoogt dat het door het hof vastgestelde handelen van verdachte, erin bestaande dat zij de azijnessence, een mes en de pollepel naar boven heeft gebracht of doen brengen, evengoed uitsluitend in verband kan worden gebracht met het besluit van verdachte om door middel van het innemen van azijn zelfmoord te plegen na haar dochtertje te hebben gewurgd. Het hof heeft een tentamen suïcide van verdachte aannemelijk geacht.

3.5. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.(1)

3.6. Het hof heeft deze betekenis van voorbedachte raad niet miskend. Mijns inziens heeft het hof de voorbedachte raad voorts uit de door het hof vaststelde feiten kunnen afleiden. Wat er ook zij van de intentie die verdachte zou hebben gehad met de verplaatsing van de pollepel, het mes en de azijnessence naar een hogere verdieping, vaststaat wel dat deze handelingen verband hielden hetzij met een besluit om haar dochtertje om het leven te brengen, hetzij met haar besluit om een einde aan haar eigen leven te maken. Nu evenwel de dood van haar dochtertje onlosmakelijk verbonden was met haar besluit om haar eigen leven te beëindigen, staat met het besluit om suïcide te plegen, eventueel door azijnessence in te nemen, ook vast dat aan die suïcide de levensberoving van haar dochter in haar eigen beleving moest voorafgaan.

Dus ook als de handelingen van verdachte in de sleutel van haar eigen voornemen om zelfmoord te plegen moeten worden gezet, is daarmee onafscheidelijk gegeven dat zij, alvorens tot uitvoering van dat voornemen over te kunnen gaan, eerst haar dochtertje van het leven zou moeten beroven. Tegen deze achtergrond is het in dit kader niet relevant of verdachte aan haar dochtertje azijnzuur heeft toegediend voordat het kind is overleden of daarna, hoewel de tweede mogelijkheid natuurlijk veel minder voor de hand ligt dan de eerste.

Dit onderdeel van het eerste middel faalt.

3.7. Het tweede onderdeel klaagt dat de bewezenverklaring meerdere alternatieven bevat over de toedracht. Zo een bewezenverklaring moet evenwel voor elke der alternatieven steun vinden in de bewijsmiddelen. Die steun ontbreekt wat betreft het alternatief van de levensberoving door toediening van azijnzuur.

3.8. Het hof heeft over de mogelijke toediening van azijnessence aan het kind het volgende overwogen:

"Daarnaast acht het hof, anders dan de raadsman, voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte aan [slachtoffer] azijnessence heeft toegediend, althans daar een begin mee heeft gemaakt.

Het verslag voorlopige bevindingen van de arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (pv blz 72) noemt als mogelijke doodsoorzaak naast afsluiting van de luchtwegen door bijvoorbeeld smoren -waarvoor geen nadere aanwijzingen zijn gevonden- en samendrukkend geweld op de hals, ook uitdrukkelijk een toxicologische oorzaak door inname van irriterende stoffen dan wel een combinatie van deze oorzaken. Ook uit het toxicologisch rapport van 17 maart 2008 blijkt dat een vergiftiging met azijnzuur weliswaar niet kan worden vastgesteld maar ook niet kan worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof vormt de op de hals van [slachtoffer] aangetroffen huidverkleuring, die niet gepaard gaat met een onderhuidse bloeduitstorting en blijkens het nadere rapport van de patholoog van 2 juni 2010 goed past bij een uitwendige irritatie door een lokaal aangebrachte stof op de huid, daarvoor de duidelijkste aanwijzing. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat deze plek door azijnessence is veroorzaakt, mogelijk door morsen. Morsen vereist dat met het toedienen een aanvang is gemaakt hetgeen ook kan sporen met de door de patholoog-anatoom genoemde verschijnselen onder B3 in voornoemd rapport. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] voordien op haar hals geen afwijking had en dat zij een blauwe plek op de hals van [slachtoffer] heeft gezien op het moment dat zij, zoals zij verklaart, in de kinderslaapkamer "bij zinnen kwam" naast de op de grond liggende [slachtoffer] die nergens meer op reageerde. Voor deze irritatieplek is ook geen andere verklaring gegeven. Het hof wijst ook op de hierboven gerelateerde bevinding dat het truitje van [slachtoffer] naar azijn rook wat de veronderstelling dat sprake is geweest van morsen bij (het begin van) toedienen ondersteunt. Dat er, zoals de raadsman benadrukt, op meer plekken op de tweede verdieping een sterke azijnlucht hing, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] uitdrukkelijk melding maken van deze bevinding in relatie tot het truitje. Het hof ziet ook in de bovenvermelde bevinding van verbalisant [verbalisant 1] dat er schuim uit haar neus en mond kwam, hiervoor een mogelijke indicatie. Dat bij het onderzoek van de monsters van neus en mond geen aanwijzingen voor azijnessence zijn aangetroffen, doet hieraan niet af. Deze monsters zijn genomen na de beademingssessie van ongeveer een half uur. Ook uit de aanwezigheid van een kring op de vloer van de kinderslaapkamer, van welke kring in het NFI-rapport van 15 oktober 2010 is vastgesteld dat die is veroorzaakt door azijnessence, en het aldaar aantreffen van de dop van het flesje blijkt dat het flesje met azijnessence in de kinderslaapkamer is gebruikt en verplaatst. Daaraan doet niet af dat het flesje is verplaatst naar de badkamer."

3.9. Bewijsmiddel 1, de verklaring van verdachte, houdt in dat verdachte de keel van haar dochtertje heeft dicht gedrukt in de slaapkamer van het meisje. Daarna heeft verdachte haar dochtertje klaarblijkelijk nog naar de badkamer verplaatst. Bewijsmiddel 2 geeft de bevindingen weer van verbalisanten die het slachtoffertje hebben aangetroffen. Een van de verbalisanten zag schuim uit haar neus en mond en hij rook een sterke azijnlucht. Bewijsmiddel 3, het rapport van de patholoog, houdt onder meer in dat verschijnselen aan het slijmvlies van de keel van het slachtoffertje, aan de slokdarm en de maag kunnen passen bij contact met irriterende stoffen zoals azijnzuur. Ook een uitwendige verkleuring aan de hals kan passen bij irritatie door een lokaal aangebrachte stof op de huid. Andere verschijnselen passen weer bij verstikking door afsluiting van de luchtwegen. De patholoog concludeert dat bij sectie geen anatomische doodsoorzaak is gebleken. Bewijsmiddel 4 is een rapport door een apotheker van het NFI opgemaakt. Deze deskundige maakt melding van het aantreffen in de maaginhoud van het slachtoffertje van azijnzuur. Azijnzuur kan ook postmortaal in het lichaam worden gevormd. Op grond van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek (bewijsmiddel 5) kan vergiftiging met azijnzuur worden vastgesteld noch uitgesloten. Inname van een sterke azijnzuuroplossing, zoals bijvoorbeeld een oplossing van 80% die het aangetroffen flesje heeft bevat, zal lokale sporen op de mond, keel en slokdarm achterlaten die bij sectie waarneembaar kunnen zijn. Het inwendig gebruik van azijnzuur kan tot de dood leiden.

Bewijsmiddel 6 houdt als bevindingen van verbalisanten in dat het truitje van het slachtoffer nat was en naar azijn rook. Ook op de kinderslaapkamer zijn op de vloer sporen van azijnzuur aangetroffen (bewijsmiddel 7).

3.10. Strafrechtelijk bewijs bestaat erin dat is aangetoond dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt. Absolute zekerheid behoeft er niet te zijn.(2) De bewezenverklaring noemt als mogelijke doodsoorzaak het toedienen van een hoeveelheid azijnzuur, het dichtknijpen van de keel van het slachtoffertje of een combinatie van beide. Al deze mogelijkheden zullen steun moeten vinden in de bewijsconstructie.(3)

3.11. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen en uit de overigens vastgestelde feiten geconcludeerd dat het kind het slachtoffer is geworden van uitwendig verstikkend geweld en van het slikken van azijnzuur. Die conclusie is toereikend verantwoord, gelet op het sterke vermoeden van aanwezigheid van azijnzuur op het truitje van het kind, de uitwendige verkleuring in de hals, de verschijnselen in keel, slokdarm en maag, het aantreffen van een leeg flesje waarin azijnessence 80% heeft gezeten, het aantreffen van sporen azijnzuur in de kinderslaapkamer. Het toxicologisch onderzoek kan een vergiftiging met azijnzuur vaststellen noch uitsluiten, omdat het onderzoek kwalitatief van opzet was. Het hof heeft beredeneerd geconcludeerd dat aan het slachtoffer azijnzuur moet zijn toegediend. Zo een intoxicatie met azijnzuur kan dodelijk zijn.

Het tweede onderdeel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat aangewezen onderdelen van bewijsmiddel 1, de in hoger beroep door verdachte afgelegde verklaring, niet redengevend kunnen zijn voor de voorbedachte raad voor zover betrekking hebbend op het alternatief van levensberoving door adembeneming. Het gaat om de volgende passages:

"Ze beweegt niet meer. Ik zat op dat moment op mijn knieën. Ik heb haar nog door elkaar geschud en in de badkamer nat gemaakt."

En:

"Op het moment dat ik weer bij zinnen kwam door de pijn in mijn slokdarm en mijn dochter naast me zag liggen, zag ik een verkleuring in haar hals."

4.2. Mijns inziens ziet het middel er aan voorbij dat de voorbedachte raad op levensberoving van het meisje te baseren is op de onlosmakelijkheid van deze gebeurtenis met het voornemen om zelf suïcide te plegen. Uit een eigen verklaring van verdachte staat vast dat zij de keel van het kind heeft dichtgeknepen. In dat licht moet de eerste passage worden gezien. De eigen waarneming van de verkleuring in de hals van het kind kan betrekking hebben op de bloeduitstorting ter hoogte van het strottenhoofd die ook door een verbalisant (bewijsmiddel 2) is waargenomen, maar ook bij de constatering van de patholoog die onder A3 in haar rapport is verwoord. Wat daarvan ook zij, het hof heeft het bewijs van de voorbedachte raad niet van deze zinnen afhankelijk gemaakt, maar dat bewijs afgeleid uit de omstandigheden die in de bewijsoverweging in het arrest zijn vermeld.

Het middel faalt.

5. Beide voorgestelde middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Bijv. HR 8 september 2009, LJN BI4080.

2 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, zevende druk, p. 674.

3 HR 5 juli 2005, LJN AT5722.