Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU2039

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
11/02207
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU2039
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating tot schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 2 onder d F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1322
JWB 2011/518
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02207

Mr. L. Timmerman

Parket: 25 augustus 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Verkorte conclusie

1 Bij vonnis van 7 april 2011 heeft de rechtbank Alkmaar het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen omdat binnen de periode van tien jaar een schuldsaneringsregeling op [verzoeker] van toepassing is geweest die tussentijds is beëindigd zonder toekenning van de schone lei en niet is gebleken van een uitzonderingsgrond.

2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Het hof heeft de zaak ter zitting van 27 april 2011 behandeld. Bij arrest van 3 mei 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

4 Het verzoekschrift bevat één cassatiemiddel dat uiteen valt in verschillende klachten.

Het middel is gericht tegen rov. 2.5 waarin het hof heeft overwogen dat het beroep van [verzoeker] op een uitzondering op de regel van art. 288 lid 2 onder d Fw niet kan slagen. Het imperatieve karakter van de afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 onder d Fw brengt volgens het hof mee dat al het door [verzoeker] gestelde niet kan leiden tot een ander oordeel en [verzoeker] niet heeft aangetoond dat zijn nalatig handelen van destijds hem niet te verwijten valt. De onderdelen 2.1.1 en 2.1.2 klagen dat het hof heeft miskend dat er drie uitzonderingen zijn die de imperatieve afwijzingsgrond kunnen doorbreken nu het hof het beroep op de uitzondering bij voorbaat afwijst. Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 2.1.3 voert aan dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat zijn nalatig handelen destijds hem niet te verwijten valt, rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het hof heeft aan de ene kant geoordeeld dat de aangevoerde uitzonderingsgrond niet ter zake doet en aan de andere kant overwogen dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat hem niets te verwijten valt.

5 In rov. 2.5 heeft het hof overwogen dat [verzoeker] zijn verzoek binnen tien jaar na beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Op grond van art. 288 lid 2 onder d Fw dient het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling in beginsel dan ook te worden afgewezen. Art. 288 lid 2 onder d Fw kent drie uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn: (i) de eerdere schuldsaneringsregeling is geëindigd omdat alle schulden betaald konden worden (art. 350 lid 3 onder a Fw); (ii) de schuldenaar kon indertijd de betaling van zijn schulden hervatten (art. 350 lid 3 onder b Fw); of (iii) de schuldsaneringsregeling is beëindigd wegens het ontstaan of onbetaald laten van nieuwe, bovenmatige schulden, hetwelk de schuldenaar niet kon worden verweten (art. 350, lid 3 onder d Fw). Uit het vonnis van de rechtbank van 20 november 2008 blijkt dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd omdat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen (art. 350 lid 3 onder c Fw). Art. 288 lid 2 onder d Fw kent voor deze beëindiging van de schuldsaneringsregeling geen uitzondering op de tien jaar termijn. [Verzoeker] kon dan ook geen beroep doen op de uitzondering dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd wegens het ontstaan of onbetaald laten van nieuwe, bovenmatige schulden, hetwelk hem niet verweten kon worden. Kennelijk heeft het hof dat in rov. 2.5 duidelijk willen maken door te overwogen dat het imperatieve karakter van de afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 onder d Fw reeds meebrengt dat het door [verzoeker] gestelde niet kan leiden tot een ander oordeel. Vervolgens overweegt het hof dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat het nalatig handelen van destijds hem niet te verwijten valt. Het hof doelt daarmee op het niet nakomen van de afdrachtverplichting en het niet nakomen van de informatieverplichting. [Verzoeker] heeft voor het niet nakomen van deze verplichtingen geen verklaring geven waaruit blijkt dat deze hem niet te verwijten vallen, zodat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Gelet op het bovenstaande falen de onderdelen.

6 Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 10 mei 2011, overeenkomstig de in art. 292 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.