Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU2005

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
10/03752
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2713
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU2005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap naar Turks recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1324
JWB 2011/525
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03752

Mr. P. Vlas

Parket, 2 september 2011

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

In deze zaak gaat het om de vaststelling van partneralimentatie en om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen naar Turks recht. De zaak komt naar mijn mening voor toepassing van art. 81 RO in aanmerking.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 15 juli 1976 te Sanliurfa Merkez, Turkije gehuwd. Onbestreden is dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Turkse recht van toepassing is.(1)

1.2 De man vormt met een partner en twee kinderen van de man en de partner een gezin. De partner van de man heeft geen eigen inkomsten. De man heeft een WAO/WIA-uitkering. De vrouw vormt met een meerderjarig gehandicapt kind van partijen een éénoudergezin. De vrouw heeft een WAO-uitkering en de zoon een Wajong-uitkering.(2)

1.3 Bij een op 24 juni 2005 gedateerd verzoekschrift heeft de man de rechtbank te Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en - voor zover thans nog van belang - de verdeling vast te stellen overeenkomstig de door de man aangegeven wijze.

1.4 De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden en heeft bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht haar ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud toe te kennen van € 500 per maand, te verhogen met de jaarlijkse indexeringsbedragen. Voorts heeft zij de rechtbank verzocht te bepalen dat haar de helft van de waarde van alle ten tijde van het huwelijk van partijen verworven vermogensbestanddelen toekomt en de verdeling vast te stellen zoals door de vrouw nader aangegeven. Ook heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan haar de woning in eigendom zal overdragen. De man heeft tegen dit zelfstandige verzoek verweer gevoerd.

1.5 Bij beschikking van 4 juli 2006 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 24 november 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor het overige heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de terechtzitting.

1.6 Bij beschikking van 18 juni 2009 heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw grotendeels afgewezen. Voor zover van belang heeft de rechtbank met betrekking tot de verzochte bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw overwogen, dat de vrouw geen behoefte heeft aan een uitkering. De rechtbank is derhalve niet toegekomen aan de vaststelling van de draagkracht van de man. Ten aanzien van de verdeling van de gemeenschappelijke zaken heeft de rechtbank een onderscheid gemaakt tussen de periode vanaf de datum van huwelijkssluiting tot 1 januari 2002 (de datum waarop het nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek in werking is getreden) en de periode vanaf 1 januari 2002. Voor de eerstgenoemde periode geldt, aldus de rechtbank, het Turkse huwelijksvermogensrecht, zoals dit tot 1 januari 2002 heeft gegolden. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft aangetoond dan wel onderbouwd. Het verzoek van de vrouw om een vergoeding vanwege de door haar gestelde inbreng is door de rechtbank afgewezen, nu niet, althans onvoldoende is aangetoond dat van de inkomsten van de vrouw door de man investeringen zijn gedaan. Voor de periode vanaf 1 januari 2002 (onder het nieuwe Turkse huwelijksvermogensrecht) heeft de rechtbank geoordeeld dat partijen onvoldoende gegevens in het geding hebben gebracht om de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap te kunnen vaststellen en hebben nagelaten om daarin voldoende duidelijkheid te verschaffen, zodat de rechtbank niet in staat is de verdeling van de gemeenschap tussen partijen vast te stellen.

1.7 De vrouw is tegen de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen. De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.8 Bij beschikking van 19 mei 2010 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 24 november 2006 bepaald op € 416 per maand. Tevens is bepaald dat de man in het kader van de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling op grond van het Turkse recht aan de vrouw een bedrag van € 61.500 verschuldigd is.

1.9 De man heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Middel 1 verwijt het hof bij de bepaling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man partijen ongelijk te hebben behandeld, doordat het hof de arbeidsongeschiktheid van de vrouw wel in aanmerking heeft genomen, maar geen rekening heeft gehouden met de WAO/WIA-uitkering van de man.

2.2 Het middel faalt. Het hof is voor de bepaling van de behoeftigheid van de vrouw uitgegaan van de aan het hof overgelegde gegevens, waaronder de stukken met betrekking tot de WAO-uitkering van de vrouw, en heeft daaruit een behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van € 416 bruto per maand afgeleid (rov. 9). Bij de beoordeling van de draagkracht van de man in rov. 10 heeft het hof vervolgens overwogen dat de man geen, althans nauwelijks (recente) financiële gegevens met betrekking tot zijn inkomsten en lasten in het geding heeft gebracht. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen draagkracht heeft om de bijdrage van € 416 per maand te voldoen, welk oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk is en in cassatie niet wordt bestreden. De toewijzing van deze bijdrage is derhalve niet gebaseerd op een ongelijke behandeling van de man ten opzichte van de vrouw, maar houdt (slechts) verband met het niet voldoen aan de stelplicht door de man.

2.3 Middel 2a klaagt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is waarom het hof in rov. 10 vanwege het ontbreken van informatie over de hoogte van de WAO/WIA-uitkering van de man in 2010 ten laste van de man een op 24 november 2006 ingaande alimentatie heeft vastgesteld, terwijl de financiële informatie over 2006 wel voorhanden was. Middel 2b betoogt dat de door het hof opgelegde alimentatie leidt tot een restantinkomen van de man en zijn nieuwe gezin dat onder het vrij te laten deel (90%) van de bijstandsnorm ligt. Ervan uitgaande dat de vrouw niet betwistte dat de man een uitkering krachtens de WAO/WIA genoot en geen sprake was van een aanmerkelijke stijging of daling van de uitkering, is volgens middel 2c voorts onbegrijpelijk waarom het hof desondanks nadere informatie over de uitkering in 2010 behoefde.

2.4 Ook dit middel kan in al zijn onderdelen niet tot cassatie leiden. In het kader van de vaststelling van alimentatie is het aan de man om de rechter ervan te overtuigen dat hij onvoldoende draagkracht heeft een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen. Naar het kennelijke - en gelet op de gedingstukken ook niet onbegrijpelijke - oordeel van het hof is de man hierin niet geslaagd. De man heeft nagelaten een gespecificeerd overzicht van zijn inkomsten en lasten aan het hof voor te leggen, terwijl uit de wel overgelegde gegevens het hof onvoldoende is gebleken dat de man niet voldoende draagkrachtig is. Aldus stond het het hof vrij het verzoek van de vrouw om een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud als onvoldoende weersproken toe te wijzen.

2.5 Bovendien wordt door het middel miskend dat de in de beschikking van de Hoge Raad van 23 januari 1998(3) ontwikkelde regel, dat het (bij de berekening van de draagkracht) buiten beschouwing laten van een inkomensvermindering van de onderhoudsplichtige in ieder geval niet ertoe mag leiden dat het totale inkomen van de onderhoudsplichtige zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm, slechts geldt in gevallen van een onherstelbare inkomensvermindering aan de zijde van de onderhoudsplichtige. Bij een herstelbaar inkomensverlies blijft de (werkelijke) draagkracht hetzelfde en kan het resultaat wel zijn dat het totale inkomen van de onderhoudsplichtige onder 90% van de toepasselijke bijstandsnorm zakt.(4) De verwijzing naar art. 475d Rv (in verband met de verhaalbaarheid van de rechterlijke uitspraak) in de bovengenoemde beschikking maakt dat niet anders, nu het volgens vaste rechtspraak bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het vermogen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven.(5) De hierop toegespitste klacht faalt eveneens vanwege het niet voldoen aan de stelplicht. De gedingstukken, in het bijzonder het cassatieverzoekschrift, bevatten geen enkele aanwijzing dat in het zich hier voordoende geval sprake is van een door eigen gedragingen van de onderhoudsplichtige ontstane inkomensdaling, laat staan de vraag of deze vermindering in het inkomen al dan niet voor herstel vatbaar is.

2.6 Middel 3 komt met een motiveringsklacht op tegen rov. 18-21, waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat de vrouw met haar volledige inkomen heeft bijgedragen in de kosten van de hypothecaire geldlening. Bij gebreke van een tussen partijen gemaakte afspraak bestrijdt de man de daaraan ten grondslag gelegde gedachtegang van het hof dat (1) uit een aantal bankafschriften blijkt dat de aan de vrouw toekomende uitkering is gestort op de ten name van de man gestelde rekening en (2) dat de man een deel van het op die rekening staande tegoed gebruikte om te voldoen aan de verplichtingen van hem en de vrouw jegens de hypotheeknemer.

2.7 Ter beoordeling van de vraag of de vrouw heeft bijgedragen aan de lasten van de op naam van de man staande voormalige echtelijke woning heeft het hof in rov. 18-21 minutieus de in het geding gebrachte rekeningafschriften onderzocht. Vervolgens is het hof na een uitvoerige en feitelijke onderbouwing tot de slotsom gekomen dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat zij met haar volledige inkomen heeft bijgedragen in de kosten van de hypothecaire geldlening. Verkort weergegeven heeft het hof overwogen dat de hypothecaire geldleningen door beide partijen zijn aangegaan, de aflossing en de rentebetalingen ten behoeve van de hypothecaire geldlening van twee rekeningen zijn voldaan, te weten een 'en/of rekening' en een rekening die alleen op naam van de man staat, maar waarop de GAK-uitkering van de vrouw is gestort. Dat op deze laatste rekening alleen de naam van de man staat vermeld, is niet van belang, nu het overzicht van een rekening die op meer namen staat blijkens een in het geding gebrachte brief van de Fortis Bank alleen wordt gericht aan de eerstgenoemde rekeninghouder, wat kennelijk de man is. Tegen dit uitvoerig onderbouwde, feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel is de klacht van dit middel niet bestand.

2.8 Middel 4a klaagt dat het hof zonder enig inzicht te verlenen in zijn gedachtegang volledig is voorbijgegaan aan het in het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut te 's-Gravenhage (hierna: het IJI) toegelichte en sedert 1 januari 2002 geldende wettelijke (overgangsrechtelijke) Turkse huwelijksvermogensregime. Middel 4b klaagt dat het hof heeft gekozen voor twee kennelijk met dat wettelijk systeem strijdige uitspraken van het Turkse Hooggerechtshof. Middel 4c klaagt dat het hof in rov. 17 de regeling van art. 227 van het nieuwe Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) van toepassing heeft verklaard op het onderhavige geval dat echter bij gebreke van een na 1 januari 2002 verkregen goed en krachtens Turks overgangsrecht beheerst blijft door het vóór 1 januari 2002 geldende huwelijksvermogensregime. Daarmee heeft het hof art. 227 TBW ten onrechte toepasselijk geacht, althans is zijn beslissing zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

2.9 Voor zover de middelonderdelen klagen dat het hof het Turkse recht onjuist heeft toegepast, kunnen deze niet tot cassatie leiden, gelet op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b Wet RO. Klachten over de motivering van de uitleg en de toepassing van vreemd recht door het hof kunnen in beginsel wel tot cassatie leiden. Daarbij geldt dat de door de feitenrechter aan het vreemde recht gegeven uitleg diens beslissing moet kunnen verklaren, hetgeen een uitdrukking vormt van het algemene vereiste dat de rechter voldoende inzicht moet geven in de door hem gevolgde gedachtegang en dat de motivering van zijn beslissing duidelijk en concludent moet zijn. Daarnaast geldt dat de feitenrechter bij de uitleg en vaststelling van vreemd recht niet zonder meer mag voorbijgaan aan de standpunten van de procespartijen dienaangaande.(6) Op verzoek van partijen heeft het IJI de rechtbank, en in hoger beroep het hof, voorgelicht over het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke Turkse recht.(7) De uitleg en de waardering van het door het IJI opgestelde deskundigenrapport is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

2.10 Het IJI heeft in zijn rapport een uiteenzetting gegeven over het sedert 1 januari 2002 gewijzigde Turkse huwelijksvermogensrecht en daarbij het Turkse overgangsrecht betrokken. In dat kader heeft het IJI onderzocht in hoeverre het nieuwe, vanaf 1 januari 2002 geldende wettelijke stelsel terugwerkende kracht heeft en of de vrouw in dat verband aanspraak kan maken op een vergoeding of verrekening van haar inbreng in de investeringen ten behoeve van de vóór 1 januari 2002 verworven woning en eventuele andere goederen op naam van de man. Ter beantwoording van die vraag heeft het IJI een uitspraak van het Turks Hooggerechtshof van 7 februari 2006 aangehaald en daaromtrent gesteld:

'Op grond van dit arrest wordt het recht op compensatie van de meerwaarde zoals bepaald in artikel 227 TBW in gevallen die worden bestreken door het oude én het nieuwe stelsel berekend gedurende het hele huwelijk.

De correspondent heeft nogmaals uitdrukkelijk bevestigd dat partners ook recht hebben op compensatie van de bijdrage die zij hebben geleverd aan goederen van hun echtgenoot vóór de inwerkingtreding van het nieuwe TBW. De compensatie wordt berekend als een percentage van de marktwaarde op het moment van ontbinding. Indien een vrouw bijvoorbeeld heeft meebetaald aan de koop van een huis, wordt (eventueel door middel van een taxatie) haar aandeel in de aankoop berekend, waarna zij bij wijze van compensatie recht heeft op een gelijk aandeel van de marktwaarde op moment van ontbinding (...)'.(8)

Wat betreft een eventuele toepassing van het beginsel van de redelijkheid en billijkheid door de Turkse rechter bij een verdeling van goederen tussen partijen na echtscheiding is het IJI door zijn correspondent gewezen op een tweetal arresten van het Turks Hooggerechtshof (een van 6 november 2001 en een van 20 oktober 2005). Over deze uitspraken en de opmerkingen van de correspondent schrijft het IJI in het rapport dat

'onder het oude Turkse recht als zodanig geen acht werd geslagen op het beginsel van redelijkheid en billijkheid bij een verdeling tussen partners na echtscheiding. Wel is het zo dat de jurisprudentie aan vrouwen recht op compensatie heeft toegekend voor financiële bijdragen die zij hebben geleverd aan goederen van hun echtgenoot. Dat recht werd gebaseerd op de verplichting van de man om in de kosten van de huishouding te voorzien. Om een dergelijk recht geldend te kunnen maken, moet een vrouw echter wel in staat zijn om haar bijdragen aan te tonen'.(9)

2.11 Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen heeft de vrouw zich met een beroep op de uitspraak van 7 februari 2006 in het rapport van het IJI op het standpunt gesteld dat het toepasselijke oude wettelijke stelsel van uitsluiting op de vóór 1 januari 2002 aangeschafte of verworven vermogensbestanddelen niet inhoudt dat zij geen aanspraak kan maken op verrekening.(10) Voor zover ik heb kunnen nagaan - een verwijzing naar een vindplaats in de gedingstukken ontbreekt - is de man niet dan wel nauwelijks op de in het rapport genoemde jurisprudentie ingegaan en heeft de man kortweg aangevoerd dat de vrouw niets toekomt, omdat zij niet heeft bijgedragen aan het aflossen van de hypotheek.(11) Tegen de tweede grief van de vrouw in hoger beroep heeft de man slechts het verweer gevoerd dat de vrouw geen nieuwe gegevens heeft overgelegd en dat de vrouw haar vorderingen (op grond van het Turks huwelijksvermogensrecht) aldus onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de man ontbreken met name bewijsstukken dat zij heeft meebetaald aan de aanschaf van de voormalig echtelijke woning, zodat verrekening en/of verdeling niet aan de orde is.

2.12 Het hof heeft de stelling van de vrouw dat zij recht heeft op compensatie gebaseerd op haar financiële inbreng gedurende de gehele huwelijkse periode, gegrond bevonden en de stelling van de man dat het oude Turkse recht gedurende het hele huwelijk van toepassing is en dat de vrouw derhalve geen recht op compensatie heeft, verworpen. Daartoe heeft het hof in rov. 17 de vrouw in haar standpunt gevolgd dat uit het rapport van het IJI volgt dat het Turkse recht, ondanks het vóór 1 januari 2002 geldende stelsel van 'koude uitsluiting', de mogelijkheid biedt om het recht op meerwaarde als bedoeld in artikel 227 TBW te berekenen over de gehele huwelijkse periode. Dit feitelijke oordeel van het hof is, mede gelet op het hierboven geschetste processuele debat tussen partijen, niet onbegrijpelijk, zodat ook de motiveringsklachten falen. Het niet voldoen aan de stelplicht speelt de man ook hier klaarblijkelijk parten.(12)

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2006, p. 1 en rov. 14 van de beschikking van het hof van 19 mei 2010.

2 Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2009, p. 1-2.

3 LJN: ZC2556, NJ 1998/707 m.nt. JdB.

4 Zie HR 23 november 2001, LJN: AD4010, NJ 2002/80, m.nt. JdB; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 625a.

5 Zie de conclusie van thans plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 23 november 2001, LJN: AD4010, NJ 2002/80, m.nt. JdB.

6 Zie A-G Strikwerda in zijn conclusie voor HR 17 maart 1989, LJN: AD0680, NJ 1990/426 m.nt. JCS. Zie ook HR 24 december 2010, LJN: BO3528, NJ 2011/18.

7 Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2006, p. 2 (voorlaatste alinea).

8 Zie p. 18-19 van het rapport.

9 Zie p. 20-23 van het rapport.

10 Zie de brief van 6 maart 2007, p. 1-2; de pleitaantekeningen van de vrouw van 4 februari 2008, p. 1-2; de pleitaantekeningen van de vrouw van 16 februari 2009, p. 2; het hoger beroepschrift, nr. 17 e.v. (grief 2).

11 Zie de pleitaantekeningen van de man van 4 februari 2008, p. 2, 4e alinea.

12 Vgl. de keerzijde van het 'feitelijke' aspect van de toepassing van buitenlands recht in de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 17 maart 1989, LJN: AD0680, NJ 1990/426 m.nt. JCS, onder 3.14.