Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU1324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/03495
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU1324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1523

Conclusie

Nr. 10/03495

Mr. Hofstee

4 oktober 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 10 december 2009 wegens "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf en tot 60 uren werkstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak met griffienummer 10/01921, in welke zaak ik heden eveneens zal concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

4. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten.

5. In het bestreden arrest heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 11 juli 2008 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep (312 hennepplanten), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II".

6. Voorts heeft het Hof in zijn bestreden arrest het volgende overwogen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(...)

De advocaat-generaal en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, volgt dat:

- verdachte en zijn medeverdachten ter plaatse op de hoogte waren van de aanwezigheid van de hennepplanten in voornoemd bosperceel;

- verdachte en zijn medeverdachten in dat bosperceel en in de directe nabijheid van en tussen die hennepplanten ten minste vijf tot tien minuten voortdurend met elkaar in gesprek zijn geweest en zich gezamenlijk tussen de hennepplanten hebben verplaatst, waarbij (ten minste) één van hen handelingen heeft verricht;

- verdachte zich niet direct toen hij de hennepplanten zag hiervan heeft gedistantieerd, doch juist ten minste gedurende de vijf tot tien minuten die door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn waargenomen tussen de hennepplanten is gebleven.

Gelet hierop acht het hof - nu er naar 's hofs oordeel sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten -, anders dan de advocaat-generaal en de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten op 11 juli 2008 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging opzettelijk 312 hennepplanten aanwezig hebben gehad, zoals bewezen verklaard.

De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte dat hij vrijwel direct nadat hij in voornoemd bosperceel was gearriveerd door de verbalisanten werd aangehouden en derhalve, zo begrijpt het hof, geen mogelijkheid heeft gehad zich van de aldaar aanwezige hennepplanten te distantiëren, vindt weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen."

7. Het Hof heeft - voor zover hier relevant - de bewijsmiddelen 1, 2, 4, en 5 als volgt in zijn arrest opgenomen (de voetnoten zijn van het Hof):

"1.

Het relaas van bevindingen van [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, en [verbalisant 2], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven(1):

Op 8 juli 2008 kregen wij een melding van de regionale meldkamer dat er door twee jachtopzichters van de gemeente Maarheze in een bosgedeelte aan de [a-straat] [het hof begrijpt: te Maarheeze] een groot aantal hennepplanten ontdekt waren. Door de jachtopzichters is vervolgens de locatie aangewezen.

Ter plaatse zagen wij dat het ging om een grote hoeveelheid hennepplanten van ongeveer 30 centimeter hoog. Later bleek dat het om 312 hennepplanten ging. De hennepplanten stonden elk in een pot gevuld met potgrond. Er lagen verschillende zakken met potgrond. In overleg met de leiding van de afdeling [plaats] werd besloten de kwekerij in stand te houden, teneinde een onderzoek te kunnen instellen naar eventuele verdachten.

2.

Het relaas van bevindingen van [verbalisant 3], brigadier van regiopolitie Cranendonck Heeze Leende, en [verbalisant 4], surveillant van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven(2):

Op 11 juli 2008 omstreeks 14:05 uur bevonden wij ons deels gekleed in burger in een bosperceel gelegen aan de [a-straat] te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Bij ons was bekend dat in genoemd perceel een hoeveelheid hennepplanten werd geteeld. Kort voordat wij ter plaatse gingen werden wij op de hoogte gesteld van het feit dat een personenauto in de richting van dit perceel was gereden. Hierna gingen wij ter plaatse en benaderden omzichtig genoemd bosperceel. Toen wij het bosperceel waren genaderd, zagen wij dat een drietal personen tussen de genoemde planten met elkaar stond te praten. Om het gesprek van de mannen beter te kunnen volgen, slopen wij dichterbij totdat wij de mannen op een afstand van ongeveer 10 meter waren genaderd. Ik, verbalisant [verbalisant 3], hoorde dat een man tegen de anderen zei: 'Dat moet je zo doen'. Wij zagen de mannen min of meer in een kring bij elkaar staan. Wij zagen dat allen wat handelingen deden. Vervolgens kwamen wij tevoorschijn en riepen de mannen aan dat wij van de politie waren. Alvorens ter aanhouding over te gaan hebben wij de drie mannen [het hof begrijpt: de verdachten [betrokkene 1], [verdachte] en [medeverdachte 2]] geobserveerd, waarbij wij vaststelden dat er onderling gesproken en samengewerkt werd.

(...)

4.

De verklaring van voornoemde verbalisant [verbalisant 3], opgenomen in het proces-verbaal terechtzitting van de terechtzitting van het hof van 26 november 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Toen ik op 11 juli 2008 op het bureau kwam, werd mij verzocht te gaan naar een bosperceel dat is gelegen aan de [a-straat] in Maarheeze, gemeente Cranendonck. Eerder die week was er in dat bosperceel een groot aantal hennepplanten aangetroffen. In overleg is besloten die hennepplanten te laten staan, zodat er onderzoek gedaan kon worden naar eventuele verdachten.

Ik ben die dag samen met mijn collega's [verbalisant 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ter plaatse gegaan. Collega [verbalisant 4] en ik hadden een burgerjas aan, collega's [betrokkene 3] en [betrokkene 4] waren in uniform.

Ik ben samen met collega [verbalisant 4] in een omtrekkende beweging naar het betreffende bosperceel geslopen. Collega's [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn een stukje omgelopen en hebben het bosperceel vanaf de andere kant benaderd, teneinde eventuele vluchtwegen af te sluiten.

Toen collega [verbalisant 4] en ik in de buurt van de hennepplanten kwamen, zagen wij drie personen staan. Op ongeveer tien meter afstand van deze drie personen zijn wij op onze buik in het gras gaan liggen en hebben de drie personen vijf tot tien minuten geobserveerd, terwijl wij wachtten op collega's [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. De drie personen waren continu met elkaar in gesprek en verplaatsten zich gezamenlijk tussen de hennepplanten. Ik heb gezien dat één van de drie personen op een gegeven moment bukte, waarbij het leek alsof hij een handeling verrichtte, terwijl de andere twee personen toekeken. De persoon die bukte heb ik later ook een zak potgrond zien oppakken. Op het moment dat collega's [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ter plaatse kwamen, hebben wij de drie personen aangehouden. Deze personen bleken de verdachten [betrokkene 1], [medeverdachte 2] en de hier aanwezige [verdachte] te zijn.

5.

De verklaring van verdachte, opgenomen in het proces-verbaal terechtzitting van de terechtzitting van het hof van 26 november 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op 11 juli 2008 met de auto naar een bosperceel gelegen aan de [a-straat] in Maarheeze gereden. Ik ben het bosperceel ingelopen. [Betrokkene 1] en [medeverdachte 2] waren daar ook. In het bosperceel zag ik een groot aantal hennepplanten staan. Op het moment dat [betrokkene 1], [medeverdachte 2] en ik door de politie in dat bosperceel werden aangehouden, stonden wij in de directe nabijheid van de hennepplanten. Wij hebben daar met elkaar gesproken."

8. Volgens de toelichting op het middel kan uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verzoeker de hennepplanten zelf aanwezig heeft gehad, noch dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten. De steller van het middel wijst daarbij in het bijzonder op de volgende ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 november 2009 door de raadsman van verzoeker gedane mededeling, welke door het Hof onweersproken is gebleven:

"(...)

[Betrokkene 1] heeft achteraf aan mijn cliënt verteld dat hij mijn cliënt en medeverdachte [medeverdachte 2] bij zijn criminele handelen wilde betrekken. [Betrokkene 1] had mijn cliënt, voordat mijn cliënt naar het onderhavige bosperceel kwam, niet verteld wat hij van plan was.(...)"

9. Voor de beoordeling van het middel is echter nog van belang dat de hiervoor geciteerde mededeling deel uitmaakt van een groter geheel, nu deze mededeling door de raadsman als volgt werd afgerond dan wel gecompleteerd:

"(...)Vrijwel direct nadat mijn cliënt in het bosperceel was gearriveerd, werd hij aangehouden. Dit betekent dat mijn cliënt op geen enkel moment gelegenheid heeft gehad zich te distantiëren van de plannen en uitvoeringshandelingen van [betrokkene 1](...)"

10. Voor medeplegen is een bewuste en nauwe (volledige) samenwerking tussen de mededaders vereist. Daarvoor moet sprake zijn van een intensieve samenwerking die kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. Niet vereist is dat alle mededaders de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten.(3)

11. De onderhavige zaak is niet heel rijk aan bewijsmateriaal waarop het bewezenverklaarde 'medeplegen' kan steunen. Niettemin meen ik dat de daartoe redengevende feiten en omstandigheden, welke zijn vervat in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, voldoende dragend zijn voor de bewezenverklaring. Ik neem daarbij de volgende relevante feiten en omstandigheden in het bijzonder in aanmerking, te weten dat: (i) op 8 juli 2008 in het bedoelde bosperceel te Maarheeze door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] 312 hennepplanten werden aangetroffen; (ii) op 11 juli 2008 door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werd waargenomen dat verzoeker en de medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] op voornoemd bosperceel tussen de hennepplanten onderling stonden te praten en met elkaar samenwerkten; (iii) laatstgenoemde verbalisanten toen en aldaar de drie voornoemde verdachten vijf tot tien minuten hadden geobserveerd, waarbij zij zagen dat de verdachten continu met elkaar in gesprek waren en zich gezamenlijk tussen de hennepplanten verplaatsten; (iv) verbalisant [verbalisant 3] hoorde dat één van voornoemde verdachten tegen de andere twee zei: "Dat moet je zo doen", en voorts dat beide verbalisanten zagen dat de verdachten min of meer in een kring bij elkaar stonden en zij allen wat handelingen deden; (v) verbalisant [verbalisant 3] zag dat één van de drie verdachten op een gegeven moment bukte, waarbij het leek alsof hij een handeling verrichtte, terwijl de andere twee verdachten toekeken, en dat de persoon die bukte later ook een zak potgrond oppakte; (vi) verzoeker zelf heeft verklaard dat hij bedoeld bosperceel is ingelopen, daar een groot aantal hennepplanten zag staan en met medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] had gesproken in de directe nabijheid van die hennepplanten.

12. Gezien de hiervoor opgesomde, in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat het Hof - blijkens zijn bewijsoverwegingen - daaruit kort gezegd heeft afgeleid dat: (a) verzoeker en zijn medeverdachten wetenschap hadden van de aanwezigheid van de hennepplanten in het bosperceel, (b) verzoeker en zijn medeverdachten gedurende 5 á 10 minuten ter plaatse aanwezig waren en ten minste één van de verdachten handelingen heeft verricht, en (c) verzoeker zich niet direct heeft gedistantieerd van de aldaar aanwezige hennepplanten doch daar al die tijd is gebleven. Bovendien waren verzoeker en zijn medeverdachten niet louter ter plaatse, maar verplaatsten zij zich gezamenlijk tussen de hennepplanten en waren zij daarbij voortdurend met elkaar in gesprek, aldus het Hof. Uit het gebezigde bewijsmiddel 2 kan ten slotte worden afgeleid dat er zelfs "samengewerkt werd" en dat "allen wat handelingen deden".

13. Nu uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de drie verdachten, waaronder verzoeker, handelingen verrichtten met betrekking tot de aldaar aanwezige hennepplanten en dat deze planten zich derhalve in de machtssfeer van de verdachten bevonden(4), kan ook het bewezenverklaarde 'aanwezig hebben' van de hennepplanten uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

14. Gelet op het vorenstaande geeft het oordeel van het Hof dat sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verzoeker en zijn medeverdachten, dat verzoeker tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk 312 hennepplanten aanwezig heeft gehad, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

15. Voor zover het middel klaagt over de wijze waarop het Hof heeft gereageerd op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verzoeker - welke verklaring hiervoor onder punt 8 en 9 is weergegeven -, is het middel eveneens tevergeefs voorgesteld. Immers, de interpretatie van een 'uitdrukkelijk voorgedragen verweer' in de zin van art. 358, derde lid, Sv dan wel een 'uitdrukkelijk onderbouwd standpunt' in de zin van art. 359, tweede lid, Sv is als kwestie van feitelijke aard aan het oordeel van de feitenrechter onderworpen.(5) Het Hof heeft het aangevoerde kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk voorgedragen bewijsverweer, al dan niet in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarin de verdediging stelt dat verzoeker geen mogelijkheid had zich ten tijde van het delict te distantiëren. Dat oordeel is, gelet op hetgeen verzoeker heeft verklaard, niet onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor de verwerping van het verweer, aangezien de stelling van verzoeker inderdaad - zoals het Hof heeft overwogen - haar weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Nu de bewering van verzoeker dat hij - voordat hij naar het bosperceel toeging - niet op de hoogte was van het plan van medeverdachte [betrokkene 1], kan worden begrepen als een deelargument van het gehele verweer betreffende 'het zich niet distantiëren' en het Hof dit verweer afdoende heeft verworpen, heeft het Hof in voldoende mate voldaan aan zijn motiveringsplicht ingevolge art. 358, derde lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid, Sv.

16. De bewezenverklaring van het tenlastegelegde 'medeplegen' is daarom naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

17. Het middel faalt.

18. Het voorgestelde middel leent zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 (voetnoot 1 van het Hof) Het door voornoemde verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 24 juli 2008, nummer PL2202/08-127410 (pagina's 11 van het proces-verbaal van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, dossiernummer PL2202/08-006712 [hierna te noemen: PV Politie]).

2 (voetnoot 2 van het Hof) Het door voornoemde verbalisanten in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 24 juli 2008, nummer PL2202/08-127410 (pagina's 13 van het PV Politie).

3 Vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 29 bij art. 47 (bewerkt door Machielse; bij t/m 9 februari 2009) en Tekst & Commentaar Strafrecht, achtste druk, 2010, aant. 6c bij art. 47 (bewerkt door Van Woensel & Arendse).

4 Vgl. HR 19 maart 2002, LJN AD8939, NS 2002, 143.

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2008, p. 185.