Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BU1263

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
11/00418
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU1263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/49
JWB 2012/15
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/00418

Mr L. Strikwerda

Zt. 21 okt. 2011

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

de Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Inzet is de vraag of verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1975, 132, hierna: TOS, de bij zijn geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd en de TOS in werking trad (25 november 1975) heeft behouden en, zo neen, of hij nadien door optie de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de rechtbank. Zij komen op het volgende neer.

(i) [Verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1970 te Suriname.

(ii) Zijn ouders verkregen op 17 november 1963 de Nederlandse nationaliteit. Bij zijn geboorte verkreeg [verzoeker], door afstamming van een Nederlandse vader, eveneens de Nederlandse nationaliteit.

(iii) In het paspoort van [verzoeker] met nummer [001] staat een stempel met "Gezien voor vertrek op 18-11-1975". In dit paspoort staat eveneens een stempel met: "Suriname Immigratie Paramaribo in: 24-01-76". Als woonplaats van [verzoeker] staat in dit paspoort vermeld "Paramaribo".

(iv) [Verzoeker] heeft in 1987 een studievisum voor Nederland aangevraagd.

3. [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift d.d. 12 november 2007 op de voet van art. 17 RWN de rechtbank 's-Gravenhage verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zijn bij de geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit altijd heeft behouden, omdat hij met zijn ouders op het moment dat Suriname onafhankelijk werd, geen woonplaats had in Suriname, althans dat hij ingevolge art. 6 lid 4 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij - door de visumaanvraag in 1987 - voor het Nederlanderschap heeft geopteerd.

4. Verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 21 januari 2010 als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat [verzoeker] niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Volgens de Staat heeft [verzoeker] bij de Surinaamse onafhankelijkheid de Nederlandse nationaliteit verloren en is niet gebleken van een rechtsgeldige optieverklaring voor de Nederlandse nationaliteit ex art. 6 lid 4 TOS.

5. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 21 oktober 2010 het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

6. Met betrekking tot de vraag of [verzoeker] bij de Surinaamse onafhankelijkheid de Nederlandse nationaliteit heeft behouden, overwoog de rechtbank onder meer (r.o. 4.1):

"Verzoeker kan niet in zijn standpunt worden gevolgd dat hij met zijn ouders op het moment dat Suriname onafhankelijk werd, geen woonplaats had in Suriname omdat zij in het buitenland verbleven. Uit het door hem overgelegde paspoort (...) volgt immers dat Paramaribo als woonplaats van verzoeker werd aangemerkt en zij slechts ongeveer tien weken buiten Suriname verbleven. Deze periode is te kort om aan te nemen dat verzoeker en zijn ouders hun feitelijke woonplaats hadden verlegd naar buiten Suriname. Dat verzoeker en zijn ouders hun woonplaats daadwerkelijk hadden verplaatst, volgt evenmin uit andere stukken die door verzoeker zijn overgelegd. De vader en moeder van verzoeker verkregen ten tijde van de Surinaamse onafhankelijkheid derhalve de Surinaamse nationaliteit op grond van artikel 3 TOS en verloren op dat moment de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 2 lid 1 TOS. Verzoeker zelf verkreeg de Surinaamse nationaliteit op grond van artikel 6 lid 1 TOS, omdat minderjarigen - kort samengevat - de nationaliteit van hun vader volgen."

7. Ten aanzien van de vraag of [verzoeker] door optie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [verzoeker] op art. 6 lid 4 TOS faalt (r.o. 4.2). Dit oordeel van de rechtbank berust op twee gronden. De eerste grond is dat [verzoeker] niet aan de voorwaarden van art. 6 lid 4 TOS voldoet, aangezien hij, als hij op het moment van inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zou zijn geweest, eveneens de Surinaamse nationaliteit had verkregen en de Nederlandse nationaliteit had verloren. De tweede grond is dat, ook al zou [verzoeker] wel aan de voorwaarden van art. 6 lid 4 TOS voldoen, niet is gebleken van een rechtsgeldige optieverklaring, nu zijn visumaanvraag niet kan worden aangemerkt als een verklaring in de zin van art. 6 lid 4 TOS en, zo al, [verzoeker] ten tijde van de visumaanvraag nog minderjarig was, terwijl art. 6 lid 4 TOS bepaalt dat de verklaring binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarige leeftijd moet worden afgelegd.

8. [Verzoeker] is op de voet van art. 18 lid 2 RWN tegen de beschikking van de rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatie beroep te verwerpen.

9. Het middel bestrijdt zowel het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] bij de Surinaamse onafhankelijkheid de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, als het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [verzoeker] op art. 6 lid 4 TOS faalt.

10. Tegen het eerstbedoelde oordeel komt het middel op met een rechtsklacht. Volgens het middel is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip woonplaats c.q. werkelijk verblijf in de zin van art. 3 TOS door het standpunt van [verzoeker] dat hij en zijn ouders op het moment dat Suriname onafhankelijk werd, geen woonplaats hadden in Suriname omdat zij in het buitenland verbleven, te verwerpen.

11. Maatstaf bij de beantwoording van de vraag of een persoon zijn woonplaats in de zin van de TOS heeft verplaatst, is of op grond van de feiten en omstandigheden van het concrete geval in redelijkheid niet getwijfeld kan worden aan de wil van die persoon om zijn woonplaats prijs te geven. Vgl. HR 2 maart 2001, LJN AB0383, NJ 2001, 462. Zie nader over de begrippen woonplaats en werkelijk verblijf in de zin van het TOS: H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, diss. 1998, blz. 93-106. Het oordeel van de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat de ouders van [verzoeker] gedurende de periode van 18 november 1975 tot 24 januari 1976 buiten Suriname verbleven, niet voldoende is om te kunnen aannemen dat bij de ouders de wil bestond om hun woonplaats in Suriname prijs te geven, geeft niet blijk van miskenning of onjuiste toepassing van genoemde maatstaf. De klacht faalt derhalve. Ter zijde teken ik aan dat in dit geval de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door de ouders van [verzoeker] niet op art. 3, maar op art. 4 (onder b sub 2) van de TOS lijkt te berusten. Voor de beoordeling van de klacht maakt dit geen verschil.

12. Het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [verzoeker] op art. 6 lid 4 TOS faalt, bestrijdt het middel, als ik het goed zie, met twee klachten.

13. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] niet aan de voorwaarden van art. 6 lid 4 TOS voldoet omdat, indien [verzoeker] op het moment van inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zou zijn geweest, hij eveneens de Surinaamse nationaliteit had verkregen en de Nederlandse nationaliteit had verloren.

14. De klacht, die kennelijk berust op het uitgangspunt dat [verzoeker] op het moment dat Suriname onafhankelijk werd geen woonplaats in Suriname had, faalt op de gronden die hierboven onder 11 zijn uiteengezet.

15. De tweede klacht keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] geen optieverklaring als bedoeld in art. 6 lid 4 TOS heeft afgelegd. Naar ik begrijp strekt de klacht ten betoge dat de rechtbank ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken dat [verzoeker] in 1980 in de Gemeente Zoetermeer een optieverzoek heeft uitgebracht.

16. Deze klacht kan om verschillende redenen niet tot cassatie leiden. In de eerste plaats strandt de klacht op gebrek aan belang, aangezien de eerste grond waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat het beroep van [verzoeker] op de bepaling van art. 6 lid 4 TOS faalt ([verzoeker] voldoet niet aan de voorwaarden van de bepaling), door het middel tevergeefs is bestreden en dat oordeel zelfstandig kan dragen. Voorts kan de klacht geen doel treffen omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat [verzoeker] in de procedure bij de rechtbank heeft aangevoerd dat hij in 1980 in de Gemeente Zoetermeer een optieverzoek heeft uitgebracht (het middel noemt ook geen vindplaatsen), zodat de klacht berust op een ontoelaatbaar novum in cassatie. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 137.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,