Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT8775

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
10/01823
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT8775
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. De vraag of iemand zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken is niet in algemene zin te beantwoorden en hangt af van de omstandigheden van het geval (HR LJN BM7508). Zonder nadere motivering die ontbreekt is ’s Hofs oordeel dat de verdachte zich had kunnen en moeten onttrekken aan de aanranding niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1432
NJ 2011/542

Conclusie

Nr. 10/01823

Mr Jörg

Zitting 11 oktober 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 20 april 2010 verzoeker wegens - kort gezegd - openlijke geweldpleging veroordeeld tot een geldboete van € 400,-, subsidiair acht dagen hechtenis.

2. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen [medeverdachte] met griffienummer S 10/01853 waarin ik op 17 mei jongstleden reeds heb geconcludeerd.

3. Namens verzoeker heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer.

5. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

"hij op 09 oktober 2006 te Utrecht met anderen, op de openbare weg, Stationsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of schoppen tegen het lichaam van [betrokkene 1] en

- het tegen het lichaam van [betrokkene 2] slaan en/of trappen

- het tegen het lichaam van [betrokkene 3] slaan en/of trappen en

- het tegen het lichaam van [betrokkene 4] slaan."

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof in hoger beroep blijkt dat de raadsman van verzoeker het volgende heeft aangevoerd:

"Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde ontkent mijn cliënt de feiten en omstandigheden niet. Hij is alleen van mening dat hij niet strafbaar is en dat het beroep op noodweer onterecht door de rechtbank is verworpen.

Gelet op de verklaringen in het dossier is het onmogelijk vast te stellen wie wat gedragen heeft en wie wat gedaan heeft.

Het verhaal van mijn cliënt en zijn broer is heel duidelijk. Zij zeggen naar Utrecht te zijn gegaan op uitnodiging van een vriend. De broers [betrokkene 6 en 7] lopen vooraan wanneer zij aankomen in Utrecht. Mijn cliënt loopt met zijn broer er achteraan en zij hebben geprobeerd de broers [betrokkene 6 en 7] te ontzetten, waarna zij direct klappen hebben gekregen. Het letsel in het dossier is een vaststaand gegeven. Op het moment dat zij zelf werden geslagen, hebben zij zichzelf moeten ontzetten.

De groep uit Amersfoort verklaart dat zij zijn aangevallen, maar uit het dossier, pagina 44, blijkt dat dat verhaal niet geloofwaardig is. De hamers en staven die de groep uit Tilburg zou hebben meegenomen, worden aangetroffen bij de groep uit Amersfoort.

Ook onderling zitten er discrepanties in de verklaringen van de groep uit Amersfoort. Zo zou het shirt van [betrokkene 2] gescheurd zijn, maar uit het proces-verbaal van raadkamer, pagina 25, foto 4, blijkt dat het geheel intact is.

De taxichauffeur ziet dat er gevochten wordt, maar hij heeft het niet goed gezien. Anders dan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] zegt hij dat de groep van mijn cliënt achter de andere groep is aangerend, terwijl buiten kijf staat dat de groep mijn cliënt achterna gezeten heeft.

Al met al staat vast dat mijn cliënt met zijn broer en twee vrienden naar Utrecht [is] gegaan voor hun eigen belang. Hadden zij moeten weten dat er gesproken zou worden met de groep uit Amersfoort? Dat zou kunnen, maar zouden zij moeten vermoeden dat er een handgemeen zou ontstaan? Er zou alleen gepraat worden. Het is te kort door de bocht om dan te zeggen dat je jezelf in de situatie hebt gebracht dat er geknokt zou worden.

Of ze weg hadden kunnen rennen is moeilijker vast te stellen. Mijn cliënt heeft eerst geprobeerd de andere jongens te ontzetten en op dat moment heeft hij ook klappen gekregen met een hamer en een staaf. Dan is het lastiger de benen te nemen. Dan probeer je jezelf eerst te ontzetten.

Al met al is het moeilijk te zeggen wat er is gebeurd. De verklaring van mijn cliënt dat hij uit noodweer heeft gehandeld, is aannemelijk. Ik verzoek u derhalve mijn cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Wanneer u een andere mening bent toegedaan, dan vind ik de oplossing van de advocaat-generaal chi[c], waarbij wel de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht, dient te worden afgetrokken."

7. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

"Beroep op noodweer

De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep betoogd dat verdachte behoort te worden ontslagen van rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf en hij derhalve uit noodweer handelde.

Hij heeft hiertoe - kort samengevat - het volgende gesteld.

Zijn cliënt is samen met zijn broer, medeverdachte [medeverdachte], op uitnodiging van de broers [betrokkene 6 en 7] naar Utrecht gegaan. [Betrokkene 6 en 7] zijn toen aangevallen en verdachte heeft samen met zijn broer getracht hen te ontzetten. Vervolgens hebben zij zelf direct klappen gekregen met een hamer en een ijzeren staaf, waardoor zij zichzelf moesten ontzetten. Volgens verdachte wist hij van tevoren niet dat het tot een handgemeen zou komen op het station en heeft hij slechts geduwd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de door [betrokkene 7] afgelegde verklaring ten overstaan van de politie blijkt het volgende. Op 9 oktober 2006 hoorde hij van zijn moeder dat zijn broer ([betrokkene 6]) onderweg was naar Utrecht nadat hij kort daarvoor gebeld was door iemand en dat [betrokkene 6] er erg zenuwachtig uitzag. [Betrokkene 7] heeft zijn broer gebeld en zij zijn vervolgens samen met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar het station in Utrecht gereden. Onderweg heeft [betrokkene 6] op een vraag van [betrokkene 7] wat er aan de hand was geantwoord dat hij door een onbekende gebeld was en uitgescholden werd. Ze hadden vervolgens nog een paar minuten met elkaar gesproken, maar omdat niet duidelijk werd wat er aan de hand was, werd besloten in Utrecht af te spreken om het uit te praten.

Op het station is het vervolgens tot een vechtpartij gekomen tussen voornoemde vier mannen en vier andere mannen, te weten [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. [Betrokkene 7] heeft verklaard dat hij niet meer weet wie er begon te slaan, maar dat iedereen een beetje begon. Daarnaast hebben de getuigen [betrokkene 8] en [betrokkene 10] een verklaring afgelegd. [Betrokkene 8] heeft verklaard dat beide partijen elkaar hebben geslagen en getrapt. [Betrokkene 10] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat een groep van zeven of acht jongens met elkaar in gevecht was en dat er over en weer werd geslagen en gestompt.

Naar het oordeel van het hof kan uit de door [betrokkene 7] afgelegde verklaring worden afgeleid dat naar aanleiding van het gesprek in de auto het voor verdachte reëel was te verwachten dat er een confrontatie zou volgen op het station in Utrecht en heeft hij er bewust voor gekozen om mee te gaan. Evenmin heeft hij zich ter plaatse en ten tijde van de confrontatie gedistantieerd van hetgeen gebeurde.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat er geen sprake was van een situatie waarvan gezegd kan worden dat deze verdachte noopte tot verdediging van eigen of andermans lijf nu niet is gebleken dat verdachte geen reële mogelijkheid heeft gehad zich op enig moment aan de situatie te onttrekken.

De slotsom luidt dat het hof het verweer verwerpt."

8. Blijkens de toelichting op het middel kan de motivering ter verwerping van het beroep op noodweer door het hof langs twee wegen worden geïnterpreteerd. Ofwel het hof is niet toegekomen aan de vraag of aan de voorwaarden van een beroep op noodweer is voldaan en heeft het verweer ten onrechte enkel verworpen op basis van de eigen gedragingen van verzoeker voorafgaande en tijdens de confrontatie. Ofwel het hof is wel uitgegaan van een noodweersituatie maar heeft geoordeeld dat de culpa in causa aan het beroep op noodweer in de weg staat. Hierbij heeft het hof miskend dat verzoeker zich op het moment dat hij de broers [betrokkene 6 en 7] te hulp schoot toen zij plotseling werden aangevallen zich niet kon onttrekken aan de confrontatie.

9. Ik ben met de steller van het middel eens dat het hof geen dan wel onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Indien het hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het beroep op noodweer wordt verworpen wegens het ontbreken van de noodzaak tot verdediging omdat hij bewust de confrontatie heeft gezocht, getuigt 's hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Want de omstandigheid dat iemand zich willens en wetens in een situatie begeeft waarin een agressieve reactie van (het) latere slachtoffer(s) te verwachten is, sluit op zichzelf niet uit dat het handelen van de verdachte tijdens die confrontatie (toch) als "geboden door de noodzakelijke verdediging" kan worden aangemerkt.(1) In dit licht behoeft 's hofs oordeel dus nadere(2) motivering.(3) Een reële verwachting van een confrontatie maakt een beroep op noodweer niet illusoir; daarvan kan onder andere sprake zijn als men op een gewelddadige confrontatie uit is en geweld van de tegenstander uitlokt, waartegen men meent zich dan te moeten verdedigen.

Indien het hof heeft bedoeld het beroep op noodweer te verwerpen op de grond dat geen sprake was van een noodweersituatie omdat verzoeker zich had kunnen (en moeten) onttrekken aan de situatie/aanranding, kan deze redenering de verwerping van het verweer evenmin dragen. Immers, verzoeker heeft onder meer ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de broers [betrokkene 6 en 7] werden aangevallen en dat hij hen wilde ontzetten. Daarna werden verzoeker en zijn broer aangevallen en hebben zij zich verdedigd. Toen zijn broer bij de bushalte weer werd geslagen heeft verzoeker "ze" weggeduwd en gezegd dat ze dat niet moesten doen, aldus verzoeker. Voor verzoeker bestond dus de noodzaak om zijn vrienden en broer te verdedigen; hij komt iemand te hulp die wordt aangevallen; dan bestaat eerder een morele plicht tot hulpverlening dan de strafrechtelijke plicht om zich, zo enigszins mogelijk, te distantiëren. Onder die omstandigheden kan een beroep op noodweer niet worden verworpen op de grond dat "niet is gebleken dat verdachte geen reële mogelijkheid heeft gehad zich op enig moment aan de situatie te onttrekken."

10. Het middel slaagt.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 HR 28 maart 2006, LJN AU8087, NJ 2006/509 m.nt. Buruma.

2 Zie over de aanscherping van de motiveringseisen van de verwerping van een beroep op noodweer(exces) wegens "eigen schuld": T. Bertens, Eigen schuld en noodweer, in Welberaden. Beschouwingen over de rechtsontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, onder redactie van Duker, Pieterse en Schild, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p. 1-13.

3 Waarbij ik erop wijs dat uit de door [betrokkene 7] ten overstaan van de politie afgelegde verklaring blijkt dat hij in bijzijn van verzoeker en diens broer met [betrokkene 6] in de auto heeft gesproken over het telefoongesprek dat [betrokkene 6] heeft gevoerd met een voor hem onbekende man en dat besloten was in Utrecht af te spreken om het uit te praten (curs.v.NJ). In mijn ogen kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat sprake is van een gezochte confrontatie.