Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT7600

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
10/04358
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT7600
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging partneralimentatie; art. 1:401 BW. Draagkracht man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1258
JWB 2011/488
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 10/04358

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 15 juli 2011

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Deze alimentatiezaak, waarin uitsluitend de draagkracht van de man als alimentatieplichtige aan de orde is, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Op verzoek van de man heeft de rechtbank Maastricht bij beschikking van 23 juni 2009 de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 april 2006, voor zover daarbij de man werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.200,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, gewijzigd en die bijdrage met ingang van 1 oktober 2008 nader bepaald op € 3.060,- per maand.

1.2 Deze beschikking is in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij beschikking van 7 juli 2010 vernietigd. Het hof heeft daarbij, opnieuw rechtdoende en met wijziging van zijn beschikking van 27 april 2006, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in de periode van 1 januari 2008 tot 7 juli 2010 vastgesteld op het bedrag dat hij in die periode feitelijk maandelijks aan de vrouw heeft betaald en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage met ingang van 7 juli 2010 bepaald op € 747,- per maand.

1.3 De vrouw heeft tegen de beschikking van 7 juli 2010 tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld(2).

De man heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Het cassatiemiddel bevat zeven paragrafen (6.1 t/m 6.7) en is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.9.4, 3.9.6, 3.9.7, 3.11 tot en met 3.15 en het dictum onder 4. Paragraaf 6.1 klaagt dat deze overwegingen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. De klacht wordt nader uitgewerkt in de subonderdelen 6.2 tot en met 6.7(3).

1.5 Paragraaf 6.3 neemt tot uitgangspunt dat de man alleen de (definitieve) jaarstukken in het geding heeft gebracht en niet de daarop gebaseerde of daarmee samenhangende belastingaangiften- en/of aanslagen, en dat de vrouw er in de procedure op heeft aangedrongen dat de man de IB-aangiften en/of aanslagen vanaf het jaar 2007 in het geding brengt. Nu de IB-aangiften en/of aanslagen niet meer in het geding zijn gebracht, acht het subonderdeel de redengeving voor het oordeel van het hof gebrekkig, althans doet zich volgens het subonderdeel een wezenlijk vormverzuim voor.

1.6 Het subonderdeel faalt reeds op de grond dat het hof niet verplicht was om bij het bepalen van het inkomen van de man rekening te houden met de aangiften en/of aanslagen IB. Het stond hem vrij, zoals het hof ook heeft gedaan (zie rov. 3.9.6 en 3.9.7), om het bedrijfsresultaat van de man vast te stellen op het gemiddelde van de resultaten van de jaren 2007 tot en met 2009, zoals blijkt uit de jaarstukken zelf. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van partijen en het in cassatie niet, althans niet specifiek genoeg bestreden oordeel daarover van het hof. Ik wijs in dat verband op het volgende.

1.7 Voor zover thans van belang heeft de vrouw gesteld dat de bedrijfsresultaten van de man slechts op papier zijn teruggelopen, dat de jaarstukken - in ieder geval die vanaf 2006 - onbetrouwbaar, onvolledig en niet conform de werkelijkheid zijn opgesteld, en dat de man door een gebrek aan accountants- en fiscale controle van de boekhouding zijn cijfers heeft kunnen manipuleren(4). De vrouw heeft het hof verzocht een accountant als deskundige te benoemen en aan de hand van de resultaten van diens onderzoek de alimentatie vast te stellen.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw (uitsluitend) stellingen poneert, doch die niet onderbouwt. Voor zover van belang heeft hij verder aangevoerd dat hij al jaren hetzelfde, acceptabele kantoorbeleid voert en dat hij al vijfentwintig jaar dezelfde registeraccountant heeft die niet zal meewerken aan malafide praktijken. De man heeft voorts gesteld dat de fiscus de jaarstukken steeds heeft geaccepteerd en dat de mogelijkheid voor hem om te frauderen tevens nagenoeg nihil is, aangezien zijn cliëntenbestand voor een groot deel uit verzekeringsmaatschappijen bestaat. Voor zover van belang heeft hij tot slot aangevoerd dat een eenmanszaak niet is onderworpen aan accountantscontrole, dat een door een accountant afgegeven samenstellingsverklaring volstaat en dat deze verklaring is gevoegd bij alle jaarrekeningen die hij in het geding heeft gebracht(5).

1.8 Het hof heeft in rechtsoverweging 3.9.4 eerst overwogen dat de man de stellingen die de vrouw ter rechtvaardiging van het gelasten van een deskundigenonderzoek heeft aangevoerd, met zijn eigen stellingen overtuigend heeft weerlegd. Voor zover van belang overwoog het hof vervolgens dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de jaarstukken onderzoek door een deskundige behoeven. Tegen die rechtsoverweging wordt in cassatie niet, althans niet specifiek genoeg, opgekomen. In het oordeel ligt besloten dat er geen (enkel) aanknopingspunt is om tot het oordeel te komen dat de jaarstukken zelf ondeugdelijk zijn. Zodoende boden de daarin opgenomen cijfers voldoende grondslag om het inkomen van de man vast te stellen en vervolgens mede aan de hand van de bedrijfsresultaten zoals die blijken uit de jaarstukken de draagkracht van de man te bepalen. In dat verband wijs ik er verder op dat het hof de door de man aangevoerde redenen voor de - aanzienlijke - terugloop van zijn bedrijfsresultaat voldoende aannemelijk heeft geacht (zie rov. 3.9.5, in cassatie niet bestreden, en rov. 3.9.6, in cassatie niet specifiek genoeg bestreden).

1.9 De paragrafen 6.4 tot en met 6.6 hebben betrekking op een aantal specifieke kostenposten die zijn opgenomen in de door de man in het geding gebrachte jaarstukken.

Paragraaf 6.4 klaagt dat het hof de lening bij [A] Beheer BV en de daarmee samenhangende rentelast buiten beschouwing had moeten laten nu de man noch de reden noch de noodzaak van het aangaan van die lening heeft aangegeven en/of verduidelijkt(6). Volgens paragraaf 6.6 geldt hetzelfde voor de in de (evenmin nader gespecificeerde) jaarstukken opgenomen post BMW Financial Lease.

Paragraaf 6.5 neemt tot uitgangspunt dat in de (niet specifiek aangeduide) jaarstukken een "extreme althans bovenmatige" voorziening wordt getroffen op de post debiteuren. Het subonderdeel klaagt dat het hof, gezien een expliciete "klacht" van de vrouw(7), zich de vraag had moeten stellen (en/of die beantwoorden) of een dergelijke voorziening tot het opgevoerde bedrag door de fiscus toelaatbaar is geoordeeld, althans "dat het bij uitstek een vraag voor een deskundige is om te duiden welke percentages in de markt gangbaar zijn, respectievelijk welke binnen de specifieke beroepsgroep van hier de advocatuur gebruikelijk zijn". Het subonderdeel klaagt dat een beslissing hierover van het hof ontbreekt.

1.10 Voor zover de klachten voldoen aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.(8) en voor zover in de in de paragrafen genoemde passages in de processtukken concreet genoeg (relevante) stellingen zijn betrokken, meen ik dat het hof die stellingen genoegzaam heeft besproken in de in 1.8 genoemde rechtsoverwegingen 3.9.4-3.9.6. Zoals gezegd, ligt in het oordeel besloten dat er geen (enkel) aanknopingspunt is om tot het oordeel te komen dat de jaarstukken zelf ondeugdelijk zijn. Zodoende kon het hof rekening houden met de daarin opgenomen cijfers. Voor een herbeoordeling van genoemde posten is in cassatie geen plaats.

1.11 Paragraaf 6.7 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en dient het lot daarvan te delen.

1.12 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is op 7 oktober 2010 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.

2 Het verzoekschrift bevat onder 7 een voorbehoud tot aanvulling of verbetering van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de zitting van 26 mei 2010 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

3 Ik vermeld hierna alleen de paragrafen waarin een klacht is opgenomen.

4 Zie voor de stellingen van de vrouw rov. 3.9.2 van de bestreden beschikking, in cassatie niet bestreden.

5 Zie voor de stellingen van de man rov. 3.9.3 van de bestreden beschikking, in cassatie niet bestreden.

6 Het subonderdeel verwijst naar p. 2 onder 2 van het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep.

7 Het subonderdeel verwijst naar p. 4 onder 10 van het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep.

8 Par. 6.6 vermeldt niet waar de vrouw in de processtukken (relevante) stellingen met betrekking tot die post heeft geponeerd.