Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT7590

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
11/03158
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT7590
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep. Tegen beslissing op verzoek om schadevergoeding als bedoeld in art. 35 Wet Bopz, staat alsnog hoger beroep open op grond van art. 358 lid 1 Rv. Nieuwe beroepstermijn vangt aan daags na uitspraak in cassatie; art. 340, 358 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1251
NJ 2011/478
NJB 2011/1889
JWB 2011/487
JVGGZ 2011/39 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/03158

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 2 september 2011

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Alkmaar

In deze Bopz-zaak is toekenning van schadevergoeding verzocht.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij vonnis van 30 maart 2010 heeft de rechtbank te Alkmaar op de voet van art. 37 Wetboek van Strafrecht (Sr) gelast dat verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen. Het vonnis is op 1 april 2010 onherroepelijk geworden. Op 29 april 2010 is betrokkene vanuit het huis van bewaring opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Heiloo.

1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen op 4 april 2011, heeft de officier van justitie aan de rechtbank te Alkmaar verzocht een machtiging te verlenen tot het voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis(1).

1.3. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 april 2011 heeft de rechtbank betrokkene, zijn raadsman en de behandelend psychiater gehoord. Bij die gelegenheid heeft de raadsman namens betrokkene verzocht om toekenning van schadevergoeding op de voet van art. 35 Wet Bopz, op de grond - samengevat - dat het verzoek te laat door de officier van justitie is ingediend en dat betrokkene van 1 tot 13 april 2011 onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis is gehouden zonder dat daarvoor een titel bestond(2).

1.4. Bij beschikking van 13 april 2011 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot 1 april 2012. De rechtbank stelde vast dat de lopende verblijfstitel ex art. 37 Sr op 1 april 2011 was verstreken(3) en dat de officier van justitie het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf eerst heeft gedaan op 4 april 2011. De rechtbank was van oordeel dat dit laatste niet in de weg staat aan het verlenen van de verzochte machtiging(4).

1.5. Het in alinea 1.3 bedoelde verzoek om schadevergoeding is door de rechtbank afgewezen op de volgende gronden:

"Het ontbreken van een sanctie als niet ontvankelijkheid van de officier van justitie betekent evenwel niet dat het te laat instellen van een vordering tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf steeds zonder enkel gevolg dient te blijven. Ingevolge artikel 35 van de Wet Bopz kan in dergelijke gevallen een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding worden toegekend ten laste van de Staat. Voor toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 35 van de Wet Bopz is vereist dat de gestelde schade aannemelijk is en kan worden aangemerkt als een gevolg van de niet in acht genomen bepalingen van de Wet Bopz.

Hoewel de hier relevante bepalingen van de Wet Bopz in het geval van betrokkene niet in acht zijn genomen en er daardoor een termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank - gelet op de medische verklaring en het verhandelde ter zitting - aannemelijk dat de gedwongen opname van betrokkene in de periode tussen 1 april 2011 en 13 april 2011 feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was. Indien de juiste formaliteiten waren betracht, dan was betrokkene gezien de stoornis en het gevaar steeds gedwongen opgenomen geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat betrokkene materieel niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de bedoelde bepalingen onverkort zouden zijn nageleefd. Voorts is namens betrokkene geen ander nadeel gesteld dan dat hij had gerekend op een tijdige beslissing en hij (zo de rechtbank begrijpt) daarin is teleurgesteld. Hoewel begrijpelijk, acht de rechtbank dit onvoldoende voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding."

1.6. Namens betrokkene is - tijdig(5) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1. De beide middelen van cassatie zijn uitsluitend gericht tegen de afwijzing van het hiervoor genoemde verzoek om schadevergoeding. De toewijzing van het verzoek van de officier van justitie is onherroepelijk geworden.

2.2. Onderdeel I klaagt dat de (tweede, in alinea 1.5 hiervoor aangehaalde) overweging van de rechtbank, inhoudend dat de opname tussen 1 en 13 april 2011 feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was en dat indien de juiste formaliteiten zouden zijn betracht betrokkene - gezien de stoornis en het gevaar - steeds gedwongen opgenomen zou zijn geweest, in strijd is met het bepaalde in de Wet Bopz en art. 5 (lid 1 en lid 5) EVRM, althans ontoereikend is gemotiveerd: indien de wettelijke bepalingen zouden zijn nageleefd, zou betrokkene niet zonder titel zijn vastgehouden. Onderdeel II is gericht tegen de daarop volgende overweging, dat het gestelde nadeel onvoldoende grond is voor toewijzing van een schadevergoeding. Volgens de klacht wordt immateriële schade verondersteld te zijn geleden indien aan iemand wederrechtelijk de vrijheid is ontnomen. Het middelonderdeel acht de redenering van de rechtbank in strijd met het bepaalde in de Wet Bopz en art. 5 EVRM.

2.3. De eisen die de rechtbank in de door onderdeel I bestreden overweging stelt aan het oorzakelijk verband tussen de schade en de verweten gedraging, lijken mij te zijn ontleend aan de rechtspraak van de bestuursrechter betreffende verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad na vernietiging van het besluit van een bestuurorgaan. Die rechtspraak is op haar beurt geïnspireerd door de zgn. leer van Demogue en Besier(6). Aan de vraag of deze leer voor (overeenkomstige) toepassing in aanmerking komt indien de verzoeker stelt onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te zijn gehouden zonder dat daarvoor een rechtsgrondslag bestond, kom ik echter niet toe om de navolgende reden.

2.4. Ten aanzien van de beslissing tot het verlenen van de machtiging tot voortgezet verblijf sluit art. 17 lid 2, in verbinding met art. 9 lid 5, Wet Bopz hoger beroep uit. Tegen die beslissing is rechtstreeks beroep in cassatie mogelijk op grond van art. 398 Rv. Met betrekking tot de beslissing op het verzoek om schadevergoeding daarentegen staat op de voet van art. 358 lid 1 Rv gewoon hoger beroep open(7).

2.5. In een klachtprocedure op de voet van art. 41a Wet Bopz, waar het cassatieberoep zowel was gericht tegen de ongegrondverklaring van de klacht over een bepaalde behandeling als tegen de uit die ongegrondverklaring voortvloeiende afwijzing van het verzoek om schadevergoeding ter zake van diezelfde behandeling, heb ik het standpunt verdedigd dat de connexiteit van beide beslissingen meebracht dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding kon worden 'meegenomen' in het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van de klacht(8). In de huidige zaak is van connexiteit geen sprake: het cassatieberoep is uitsluitend gericht tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. Bovendien staat het gestelde onrechtmatige overheidshandelen (de detentie vóór 13 april 2011) los van de beslissing op het verzoek van de officier van justitie.

2.6. De slotsom is dat betrokkene in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen: art. 78 lid 5 Wet RO. De beslissing van de rechtbank op het verzoek om schadevergoeding kan desgewenst in hoger beroep worden voorgelegd aan het gerechtshof te Amsterdam(9).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie art. 15 in verbinding met art. 51 lid 1 Wet Bopz.

2 Zie nader: de bestreden beschikking, blz. 2 onder b. De andere aangevoerde grond voor schadevergoeding, die betrekking heeft op een detentie in 2010, is in cassatie niet langer aan de orde.

3 Dit oordeel vindt steun in HR 25 mei 1990, NJ 1990/826 m.nt. ThWvV: niet het tijdstip waarop de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen bepaalt de aanvang van het tijdvak van één jaar als bedoeld in art. 37 lid 1 Sr, maar de dag waarop het vonnis van de strafrechter onherroepelijk is geworden.

4 Deze beslissing is in cassatie niet bestreden. De rechtbank heeft mogelijk het oog gehad op HR 19 januari 1996, NJ 1996/604 m.nt. JdB, maar in die zaak werd het verblijf in het ziekenhuis na het verstrijken van de eerdere machtiging geacht te zijn voortgezet op vrijwillige basis (rov. 3.3). Ik merk nog op dat indien het verzoekschrift tot verlening van een opvolgende machtiging vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging is ingediend, de voorgaande machtiging nog een zekere nawerking heeft omdat de geneesheer-directeur eerst op het in art. 48 lid 1 (juncto art. 51 lid 1) Wet Bopz genoemde tijdstip gehouden is de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis te verlenen.

5 Het cassatierekest is op 13 juli 2011 als faxcopie ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

6 Over dit onderwerp is veel geschreven. Ik volsta op deze plaats met verwijzing naar H.D. van Wijk, Hoofdstukken van bestuursrecht, bewerkt door W. Konijnenbelt en R. van Male, 2008, blz. 759 - 767 met verdere vindplaatsen in de kantnoten. Zie voorts: Rb Arnhem 27 april 2009 (LJN: BI4997), BJ 2009/39 m.nt. H.E. Bröring, en de noot van W. Dijkers onder Rb Amsterdam 25 maart 2010 (LJN: BM7550), BJ 2010/52.

7 MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 239, nr. 3, blz. 9; Kamerstukken II 1990/91, 21 239, nr. 9, blz. 7; Tekst en Commentaar Gezondheidsrecht*, 2011, aant. 6 op art. 35 Wet Bopz (P. Vlaardingerbroek).

8 Conclusie voor HR 16 maart 2007 (LJN: AZ3539), NJ 2007/378, BJ 2007/14 m.nt. Bröring, alinea's 3.24 - 3.27, en de conclusie voor HR 29 januari 2010 (LJN: BK5992), BJ 2010/4, alinea 2.20.

9 Zie voor de appeltermijn: art. 340 in verbinding met art. 358 lid 2 Rv.