Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT7553

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
10/04607
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT7553
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging partneralimentatie op de voet van art. 1:401 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1260
JWB 2011/486
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 10/04607

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 15 juli 2011

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 1:401 lid 1 BW.

1. Feiten(1) en verkorte weergave van het procesverloop(2)

1.1 Verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn voormalige echtgenoten. Hun huwelijk, gesloten op 9 september 1994, is op 2 augustus 2006 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Dordrecht van 22 maart 2006.

Voor zover van belang is het verzoek van de vrouw om partneralimentatie in deze beschikking afgewezen omdat de man naar het oordeel van de rechtbank geen draagkracht had.

1.2 Bij beschikking van 14 maart 2007 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage in hoger beroep de beschikking van 22 maart 2006 vernietigd voor zover het de alimentatie ten behoeve van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende en voor zover thans van belang, de alimentatie met ingang van 1 oktober 2006 bepaald op € 800,- per maand.

1.3 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Dordrecht op 23 april 2008, heeft de man de rechtbank verzocht, met wijziging van de onder 1.2 genoemde beschikking van 14 maart 2007, de alimentatie ten behoeve van de vrouw op nihil te stellen met ingang van 13 oktober 2007, althans op een zodanig bedrag te bepalen en vanaf een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Aan zijn verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de destijds vastgestelde alimentatie niet langer in overeenstemming is met zijn draagkracht en dat er derhalve sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW. Hij heeft in dat kader voorts aangevoerd dat de vrouw in staat is om zelf inkomsten te verwerven.

De vrouw heeft tegen het verzoek van de man gemotiveerd verweer gevoerd.

1.4 Bij beschikking van 15 oktober 2008 heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van het hof 's-Gravenhage van 14 maart 2007 en voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 15 oktober 2008 bepaald op € 144,- per maand.

1.5 De vrouw is van deze beschikking, onder aanvoering van één grief, in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Gravenhage. Zij heeft het hof verzocht de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man in zijn verzoek tot wijziging van de alimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen, althans een zodanig bedrag aan alimentatie vast te stellen als het hof juist acht en ten aanzien van de wijziging geen terugwerkende kracht toe te passen, althans de wijziging niet eerder te laten ingaan dan op 15 oktober 2008.

De man heeft de grief bestreden.

1.6 Bij beschikking van 21 juli 2010 heeft het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man alsnog afgewezen en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.7 De man heeft - tijdig(3) - cassatieberoep ingesteld.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieberoep bevat twee cassatiemiddelen.

Middel I valt uiteen in drie onderdelen en een aantal subonderdelen.

Onderdeel 1 klaagt in de kern dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Het voert in dat verband aan dat het hof de man niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de namens de vrouw op 22 maart 2010 ingediende brief met bijlagen. In die brief heeft de vrouw een reactie gegeven op de namens de man op 27 januari 2010 in het geding gebrachte stukken. De namens de vrouw ingezonden bijlagen betreffen volgens het onderdeel "bekende stukken en, in het kader van deze procedure, onbekende stukken, waaronder in ieder geval begrepen een proces-verbaal uit een voorgaande procedure (het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 22 maart 2006)".

2.2 Het onderdeel faalt omdat het voorbij ziet aan hetgeen partijen ter zitting van het hof hebben afgesproken. Ik wijs in dat verband op het volgende.

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter terechtzitting van 12 augustus 2009. Daarbij heeft het de zaak pro forma aangehouden tot zaterdag 28 november 2009 teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen om bij de man "de stukken op te vragen die zij wil zien". Ter zitting is afgesproken dat de vrouw binnen twee weken na de zitting aan de man en het hof zou laten weten welke stukken zij van de man wil hebben, dat de man vervolgens één maand de tijd zou krijgen om de verzochte stukken te verzamelen en naar de vrouw en het hof op te sturen, en dat de vrouw gelegenheid zou krijgen om binnen drie weken na ontvangst van de stukken daarop te reageren(4).

2.4 Bij brief van 25 augustus 2009 heeft de advocaat van de vrouw het hof en de advocaat van de man bericht welke stukken de man naar haar mening zou moeten overleggen.

Anders dan afgesproken heeft de man niet de door de vrouw verzochte stukken binnen één maand na het verzoek aan de vrouw en het hof doen toekomen. Eerst bij brief van 27 januari 2010 heeft de advocaat van de man een brief van de man van 16 januari 2010 met bijlagen in het geding gebracht.

Voor zover van belang heeft mr. Van Lange in zijn brief van 27 januari 2010 het volgende aan het hof geschreven:

"In bovengenoemde kwestie beloofde ik u al eerder een reactie. Echter, verloor ik in eerste instantie het contact met cliënt, vervolgens duurde een reactie zijnerzijds wel erg lang.

(...)

Voor de gehele gang van zaken bied[] ik mijn excuses aan.

Tegelijkertijd ligt de situatie nu zo dat cliënt meer dan ruimschoots te laat is met het aanleveren van de stukken zoals gevraagd door de wederpartij. Desalniettemin gaan hierbij de stukken die cliënt in het geding zou moeten brengen, vergezeld van een begeleidend schrijven van zijn eigen hand. (...).

Alhoewel ik verwacht en veronderstel dat uw Hof reeds doende is met het opstellen van een beschikking, wil ik, namens cliënt, toch vragen om coulance. Immers, de wederpartij zou nu nog kunnen reageren op de ingediende stukken en haar conclusie kunnen mededelen. Daarmee zou de zaak alsnog, zoals oorspronkelijk beoogd, kunnen worden afgewikkeld. (...)"

2.5 Nadat de advocaat van de vrouw bij brief van 2 februari 2010 bezwaar had gemaakt "tegen het alsnog op deze wijze overleggen van de stukken die bovendien incompleet en onvolledig zijn", heeft het hof de advocaat van de vrouw bij brief van 9 februari 2010 bericht dat het de namens de man overgelegde stukken zal accepteren en dat zij tot uiterlijk 9 maart 2010 de gelegenheid heeft om daarop te reageren. Nadat deze termijn was verstreken heeft het hof de vrouw nogmaals in de gelegenheid gesteld om op de stukken te reageren, hetgeen zij vervolgens heeft gedaan bij brief van 22(5) maart 2010.

2.6 Nu partijen ter zitting van 12 augustus 2009 expliciet afspraken hebben gemaakt over de gang van zaken na afloop van de zitting, van deze afspraken geen deel uitmaakte dat de man nog kon reageren op de reactie van de vrouw en deze afspraken in de hiervoor geciteerde brief van de advocaat van de man nog eens zijn bevestigd, kan er in cassatie niet met succes over worden geklaagd dat het hof de man ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de namens de vrouw in de brief van 22 maart 2010 geponeerde stellingen.

2.7 Hetzelfde heeft m.i. te gelden voor de namens de vrouw in het geding gebrachte bijlagen, waarnaar in de brief wordt verwezen. De bijlagen dienen alle uitsluitend ter ondersteuning van het betoog van de vrouw dat bepaalde stellingen van de man in zijn brief van 16 januari 2010 niet juist zijn, althans dat zij haaks staan op eerder door hem geponeerde stellingen. De bijlagen betreffen alle stukken die eerder in de onderhavige procedure zijn ingebracht(6). De stelling van het onderdeel dat "het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 22 maart 2006(7)" een in deze zaak onbekend stuk is, mist feitelijke grondslag langs twee wegen. Het betreft allereerst een bladzijde uit de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 22 maart 2006. Daarnaast ziet het onderdeel over het hoofd dat de man deze beschikking zelf in het geding heeft gebracht als productie 4 bij het inleidend verzoekschrift. Het betreft derhalve een de man bekend stuk.

2.8 De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen rechtsoverweging 7, waarin het hof met betrekking tot de draagkracht van de man het volgende heeft overwogen:

"Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat hij de in 2007 door het hof vastgestelde partneralimentatie niet meer kan betalen. Onduidelijk is thans nog wat er met de opbrengst van circa € 125.000,- van de verkoop van de woning van de man in Spanje is gebeurd. Daarnaast stelt de man dat hij diverse schulden heeft afbetaald met geld dat hij op dat moment had, maar laat hij na van de schulden en de afbetalingen bewijs over te leggen, terwijl de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat er nog sprake is van enige schuld. Voorts legt hij geen enkel schriftelijk stuk over van een onroerende zaak die hij heeft of had in Palm Springs, terwijl in de in eerste aanleg overgelegde brief van 3 september 2008 van zijn advocaat is erkend dat deze onroerende zaak op enig ogenblik tot het vermogen van de man behoorde.

Verder stelt de man in 2008 een bruto inkomen te hebben gehad van ongeveer € 1.580,- per maand, dit blijkt ook uit de door de man bij brief van 27 januari 2010 overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2008. De man heeft voorts gesteld dat hij van voornoemd bruto inkomen een bedrag aan huur, premie zorgverzekering en Inkomstenbelasting betaalt van totaal € 12.700,- per jaar. Blijkens de door de man overgelegde transactieoverzichten zou hier nog bijkomen een bedrag van € 74,- per maand aan premie levensverzekering en een bedrag van € 177,- per maand aan de vereniging van eigenaren. De totale lasten van de man bedragen derhalve € 15.712,- per jaar tegenover een bruto inkomen van € 18.960,- per jaar. Uitgaande van voornoemd inkomen en voornoemde lasten zou de man per jaar € 3.248,- overhouden voor zijn eigen levensonderhoud en eventuele belastingen, zijnde afgerond € 271,- per maand. De man verduidelijkt niet op welke wijze hij hiervan kan rondkomen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man een volstrekt onvolledig beeld van zijn inkomens- en vermogenspositie heeft gegeven en, ondanks dat hem verschillende malen door het hof - bij brief van 11 juni 2009, tijdens de mondelinge behandeling en daarna - en door de wederpartij is verzocht om stukken over te leggen waaruit zijn financiële situatie blijkt, niet heeft aangetoond dat hij niet in staat is de bij beschikking van 14 maart 2007 door het hof vastgestelde partneralimentatie van € 800,- te voldoen. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de man alsnog afwijzen."

2.9 Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof dat de man niet heeft aangetoond dat hij de in 2007 door het hof vastgestelde partneralimentatie niet kan betalen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting(8), althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd. De klacht wordt uitgewerkt in de subonderdelen 2a tot en met 2d.

2.10 Subonderdeel 2a is gericht tegen het oordeel van het hof in de vierde volzin van de bestreden rechtsoverweging dat de man geen enkel schriftelijk stuk in het geding heeft gebracht van een onroerende zaak die hij heeft of had in Palm Springs, terwijl in de in eerste aanleg overgelegde brief van 3 september 2008(9) van zijn advocaat is erkend dat deze onroerende zaak op enig ogenblik tot het vermogen van de man behoorde. Volgens het subonderdeel is deze laatstgenoemde feitelijke vaststelling onjuist, "hetgeen betekent dat de motivering van het hof om te komen tot het bestreden oordeel (zie onderdeel 4 van dit middel) onvoldoende is, althans onvoldoende begrijpelijk". Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat in de brief van 3 september 2008 slechts staat dat de failliete vennootschap van de man de gedeelde eigendom van deze woning heeft gehad.

2.11 Anders dan de verwijzing in het subonderdeel suggereert, bevat het eerste middel geen onderdeel 4. Voor zover het subonderdeel voor het overige aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. voldoet, faalt het. Kern van de bestreden overweging is het oordeel van het hof dat de man heeft nagelaten voldoende duidelijkheid te verschaffen over de woning in Palm Springs, terwijl dit wel op zijn weg lag. Dit oordeel is gelet op het partijdebat niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. In haar brief van 25 augustus 2009(10) heeft de advocaat van de vrouw verzocht dat de man een notariële afrekening van de woning in Palm Springs in het geding brengt, alsmede een kopie van het rekeningafschrift waarop de verkoopopbrengst is gestort. De man vermeldt in zijn brief van 16 januari 2010(11) dat deze bescheiden niet zijn te verstrekken, "aangezien dit pand eigendom was van Eurochemie Holding B.V. en de curator dit pand wel zal hebben verkocht". In haar reactie (brief van 22 maart 2010(12)) herhaalt de (advocaat van de) vrouw haar stelling dat de notariële afrekening met betrekking tot de verkoop van de woning te Palm Springs ontbreekt. Vervolgens schrijft zij:

"(...) Als dit pand door de curator zou zijn verkocht, zou dit uit de stukken moeten blijken. De man verschaft hier onvoldoende inzage in. In het financieel eindverslag van de curator komt deze woning in elk geval niet voor. Nu de man bevestigt dat sprake is van een onroerende zaak in Palm Springs (terwijl hij dit eerder ontkende) en hij nalaat aan te tonen dat deze is verkocht en geleverd en bovendien dat de opbrengst ten dele richting curator is gegaan - de man heeft gesteld dat deze woning deels op naam van de BV stond, maar heeft dit ook nimmer aangetoond - rechtvaardigt dit de conclusie dat deze woning nog altijd tot het vermogen van de man behoort."

2.12 Voor zover de man nog bedoelt te klagen over strijd met de bewijslastverdeling of het recht(13) voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.13 Subonderdeel 2b is gericht tegen de feitelijke vaststelling door het hof van het inkomen en de lasten van de man in de tweede alinea van rechtsoverweging 7. Het onderdeel klaagt dat deze berekening onjuist is, "waarmee eens te meer vaststaat dat het oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd." Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de man in zijn brief van 27 januari 2010 (lees: de bij de brief van de advocaat van 27 januari 2010 gevoegde brief van de man zelf van 16 januari 2010, W-vG) zijn inkomsten en uitgaven heeft gespecificeerd en dat het hof zonder nadere motivering met andere bedragen rekent.

2.14 Ook dit onderdeel faalt. Het hof is voor wat betreft de inkomsten van de man uitgegaan van de door hemzelf ingevulde aangifte IB 2008(14). Voor wat betreft de uitgaven van de man heeft het hof aangesloten bij de door hem in de brief van 16 januari 2010 vermelde uitgaven. Het hof heeft daarbij opgeteld een bedrag van € 74,- per maand aan premie levensverzekering en een bedrag van € 177,- per maand inzake kosten vereniging van eigenaren. Uit de door de man overgelegde transactieoverzichten blijkt dat hij deze bedragen feitelijk betaalt, waarmee het uitgaven zijn die op zijn inkomen in mindering komen. De berekening van het hof is mitsdien niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

2.15 Subonderdeel 2c bouwt voort op subonderdeel 2b en richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de man niet heeft verduidelijkt hoe hij kan rondkomen van het genoemde bedrag van afgerond € 271,- per maand. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is nu hij zich over dit onderwerp niet heeft kunnen uitlaten en zich er ook niet van bewust was (of hoefde te zijn) dat dit "een essentiële vraag is om te beantwoorden."

2.16 Het subonderdeel stuit af op de omstandigheden dat het, gezien de aard van de procedure, het hof vrijstond om uit de door de man verstrekte stukken diens draagkracht te berekenen en dat de man precies wist welke informatie voor de vrouw of het hof van dusdanig belang was dat daarover geen enkele onduidelijkheid mocht bestaan.

2.17 Subonderdeel 2d is gericht tegen het oordeel van het hof in de tweede en derde zin van de bestreden rechtsoverweging dat onduidelijk is wat er met de opbrengst van ongeveer € 125.000,- van de verkoop van de woning van de man in Spanje is gebeurd en dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, heeft nagelaten om zijn stelling dat hij diverse schulden heeft afbetaald met geld dat hij op dat moment had, te onderbouwen met bewijsstukken.

2.18 Het subonderdeel klaagt allereerst (par. 18) dat deze vaststelling "onjuist" is, aangezien de man in hoger beroep nooit heeft gesteld dat nog sprake is van enige schuld, en voorts dat deze vaststelling ook niet verder wordt gemotiveerd. De klachten falen nu tegen een dergelijk feitelijk oordeel van het hof in cassatie niet, en al helemaal niet met een rechtsklacht, kan worden opgekomen.

2.19 Het subonderdeel klaagt vervolgens (in par. 19 en 20) dat de man wel degelijk heeft aangetoond wat hij met een groot gedeelte van het geld van de opbrengst van de woning in Spanje heeft gedaan en dat ook deze vaststelling van het hof het oordeel niet kan dragen. Ter toelichting wijst het onderdeel op een aantal stellingen die de man in de feitelijke instanties zou hebben aangevoerd.

De klacht voldoet evenwel niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. nu zij niet aangeeft waar de man de genoemde stellingen in de processtukken heeft aangevoerd.

Onderdeel 2 faalt mitsdien in zijn geheel.

2.20 Onderdeel 3 is eveneens gericht tegen het oordeel van het hof dat de man niet heeft aangetoond dat hij de in 2007 door het hof vastgestelde partneralimentatie niet kan betalen. Het is niet geheel duidelijk wat de in het onderdeel verwoorde klacht precies inhoudt. Als ik het goed zie, staat de kernklacht in par. 25. Daar wordt betoogd dat het hof, naar ik begrijp: ten onrechte, geen antwoord heeft gegeven op de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden, alsmede of die wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de eerder vastgestelde alimentatie niet meer voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. In par. 27 wordt daaraan toegevoegd dat het hof heeft verzuimd om te beslissen op hetgeen de man heeft verzocht, althans heeft aangevoerd, en dat het daarmee buiten het partijdebat is getreden.

2.21 Bij de bespreking van het onderdeel stel ik het volgende voorop.

Degene die een verzoek uit hoofde van art. 1:401 lid 1 BW indient, moet stellen en bij betwisting aantonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de eerder vastgestelde alimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven(15).

Indien de rechter tot het oordeel komt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de eerdere alimentatie-uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, dan moet hij op grond van alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden een nieuwe alimentatie vaststellen(16).

2.22 In deze zaak heeft de man in zijn inleidend verzoekschrift onder meer gesteld dat zijn draagkracht niet meer toereikend is om de eerder vastgestelde alimentatie te voldoen. Het was aan hem om dit aan te tonen. Nadat het hof de behoefte van de vrouw - evenals de rechtbank - had vastgesteld op € 800,- per maand, heeft het de stelling van de man onderzocht dat hij niet in staat is de bij beschikking van 14 maart 2007 door het hof vastgestelde partneralimentatie van € 800,- per maand te voldoen. In dit oordeel ligt besloten dat het hof zich heeft gebogen over de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 BW. Het hof heeft vervolgens getracht de draagkracht van de man te beoordelen, maar is daarin niet geslaagd omdat de man "een volstrekt onvolledig beeld van zijn inkomens- en vermogenspositie heeft gegeven". Dit oordeel is in onderdeel 2 tevergeefs bestreden.

Onderdeel 3 stuit op het voorgaande af.

2.23 Middel II is gericht tegen rechtsoverweging 6, waarin het hof heeft overwogen dat de behoefte van de vrouw als onweersproken vaststaat en € 800,- per maand bedraagt. Het klaagt dat dit oordeel "evident onjuist" is, althans onvoldoende gemotiveerd. Onder verwijzing naar de paragrafen 3 en 5 van het verweerschrift in hoger beroep en par. 10 van het verzoekschrift in eerste aanleg wijst het er in dat verband op dat de man "wel degelijk twijfels heeft gesteld bij de behoefte van de vrouw door aan te geven dat de vrouw inkomen heeft, althans meer inkomen kan genereren." Het middel betoogt in par. 35 dat de behoefte van de vrouw "hoe dan ook aan de orde had moeten komen, los van de vraag of de man daar in hoger beroep expliciet iets over heeft gezegd", nu hij een volledige heroverweging mocht verwachten met inachtneming van hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld.

2.24 Het middel faalt.

Voor zover de man zich niet kon vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de vrouw (rov. 4.1), had hij daartegen incidenteel appel moeten instellen, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Voor zover het middel betoogt dat hij in zijn verweerschrift in hoger beroep de hoogte van de behoefte van de vrouw heeft weersproken, miskent het dat het in twijfel trekken van een bepaalde stelling niet kan gelden als een gemotiveerde betwisting.

2.25 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de vaststaande feiten p. 3 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 21 juli 2010 onder het kopje "Het procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten" in verbinding met de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 15 oktober 2008 onder 2.1 tot en met 2.3.

2 Waar nodig zal het procesverloop in hoger beroep iets uitgebreider worden weergegeven bij de bespreking van het cassatiemiddel. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 15 oktober 2008 onder 1 en voor het procesverloop in hoger beroep de thans bestreden beschikking, p. 1 en 2 onder het kopje "Procesverloop in hoger beroep".

3 Het cassatieverzoekschrift is op 21 oktober 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

4 Zie p. 4 van het proces-verbaal van de op 12 augustus 2009 gehouden mondelinge behandeling.

5 Op p. 2 van de bestreden beschikking wordt vermeld dat de reactie dateert van 2 maart 2010. Dit is klaarblijkelijk een vergissing.

6 Als bijlage 1 is overgelegd p. 7 van de beschikking van 2 maart 2006. Bijlage 2 bevat de eerste twee pagina's van de beschikking van 14 maart 2007. Bijlage 3 bevat de pagina's 2 en 3 van een niet nader aangeduid proces-verbaal in een zaak tussen partijen. Als bijlage 4 tot slot is overgelegd een brief van mr. De Lange van 3 september 2008.

7 Bijlage 1 bij de brief van 22 maart 2010.

8 In de hierna te bespreken onderdelen 2a tot en met 2d heb ik geen - duidelijke - rechtsklacht aangetroffen. Ook uit het kopje boven par. 4 blijkt dat beoogd is rechtsoverweging 7 in de subonderdelen 2a tot en met 2d uitsluitend met motiveringsklachten te bestrijden.

9 Zie de brief achter tabblad 4 in het B-dossier.

10 Zie de brief achter tabblad 14 in het B-dossier.

11 Zie de aan de brief van 27 januari 2010 gehechte brief achter tabblad 17 in het B-dossier.

12 Zie de brief achter tabblad 21 in het B-dossier.

13 Par. 10 van het cassatieverzoekschrift op p. 5.

14 Daarin vermeldt de man bij vraag 3a dat hij in 2008 een inkomen had van in totaal € 18.961,-. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer € 1.580,- per maand, zoals het hof heeft vastgesteld.

15 De rechter hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Zie HR 28 februari 1997, ZC2294 (NJ 1997, 329).

16 Zie onder meer HR 19 januari 2007, LJN AZ4162 (NJ 2007, 60). Zie hierover verder: Asser-de Boer (2010), nr. 1043.