Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT7502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/04188
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT7502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Huur bedrijfsruimte. Hoge Raad bepaalt nieuwe datum waarop huurovereenkomst eindigt en waarop gehuurde moet worden ontruimd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1561
JWB 2011/593
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04188

Mr L. Strikwerda

Zt. 7 okt. 2011

conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 11 mei 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [eiser] c.s. het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort, van 19 november 2008, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], het tijdstip is vastgesteld waarop de huurovereenkomst tussen [verweerster] als verhuurder en [eiser] c.s. als huurders betreffende bedrijfsruimte gelegen te Bunschoten-Spakenburg eindigt, heeft bekrachtigd, met dien verstande dat het hof de dag waarop de huurovereenkomst eindigt, nader heeft vastgesteld.

2. Het cassatieberoep berust op negen middelen die door [verweerster] zijn bestreden met conclusie primair tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep.

3. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden, omdat zij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het cassatieberoep leent zich daarom voor verwerping met toepassing van art. 81 RO.

4. De middelen klagen dat de telkens aangehaalde rechtsoverwegingen van het hof in strijd zijn met het Nederlandse recht, meer bepaald met art. 7:296 BW dan wel met art. 6:2 en art. 6:248 BW. De middelen geven echter in het geheel niet aan waarom de bestreden rechtsoverwegingen in strijd zijn met de genoemde wetsbepalingen.

5. Volgens vaste rechtspraak dient een cassatiemiddel, dat moet zijn opgenomen in de cassatiedagvaarding, te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden en/of deze oordelen niet genoegzaam zijn gemotiveerd. Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en - zo nodig mede uit de gedingstukken - zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien de wederpartij op basis van de in het middel (en eventueel de daarop in de schriftelijke toelichting gegeven verduidelijking) vervatte rechts- en/of motiveringsklachten de rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard (zie HR 5 november 2010, LJN BN6169, RvdW 2010, 1328, JBPr 2011, 6 nt. R.P.J.L. Tjittes).

6. Slechts indien zonder meer duidelijk is waarom door het bestreden oordeel een bepaalde rechtsregel is geschonden, behoeft het middel niet nader toe te lichten waaruit die schending bestaat. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van, reeds omdat de bestreden oordelen telkens van deels juridische en deels feitelijke aard zijn. Hieraan kan niet afdoen dat [eiser] c.s. bij hun schriftelijke toelichting hebben uiteengezet waarom de bestreden oordelen in strijd zijn met de genoemde wetsbepalingen, aangezien [verweerster] uitbreiding van de rechtsstrijd op deze basis niet heeft aanvaard (dupliek onder 5). Zie HR 19 februari 1999, LJN ZC2856, NJ 1999, 428 nt. ARB. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens- Korthals Altes-Groen (2005), nr. 143.

7. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat het cassatieberoep verworpen dient te worden en dat het bestreden arrest in stand blijft. Wel zal, nu de datum waarop het hof het einde van de huurovereenkomst had bepaald is verstreken, een nieuwe datum door de Hoge Raad moeten worden vastgesteld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO en verdere afdoening als hierboven onder 7 is aangegeven.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden.