Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT6852

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
11/02143
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT6852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

81 RO. Toewijzing verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1221
JWB 2011/483
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/02143

Mr. Huydecoper

Parket, 12 augustus 2011

Conclusie inzake

[Verzoeker 1]

en

[Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie

tegen

de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming

optredend namens

de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe

verweerders in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De verzoekers tot cassatie, [verzoeker] c.s., zijn de ouders van zeven minderjarige kinderen. Dit cassatiegeding betreft de verlengde uithuisplaatsing, op de voet van art. 1:261 BW, van drie van die kinderen, namelijk

- [kind 1], geboren in mei 2000

- [kind 2], geboren in januari 2002 en

- [kind 3], geboren in augustus 2004.

2. Alle drie de genoemde kinderen zijn al geruime tijd onder toezicht gesteld(2). Daarnaast is bij beschikking van 23 februari 2010 aan de eerste verweerster in cassatie, SGJ, machtiging verleend om onder meer deze kinderen "voltijds" uit huis te plaatsen voor de periode van 24 februari 2010 tot 24 september 2010.

SGJ(3) heeft in juli 2010 verlenging van de machtiging uithuisplaatsing verzocht. Daartegen hebben [verzoeker] c.s. verweer gevoerd. De kinderrechter (in de rechtbank Den Haag) heeft bij de al even genoemde beschikking van 20 september 2010, onder meer dit verzoek van SGJ toegewezen en de machtiging verlengd tot 24 september 2011.

3. [Verzoeker]s c.s. hebben tegen de verlengingsbeschikking hoger beroep ingesteld. Bij de thans in cassatie bestreden beschikking heeft het hof de beslissing van de eerste aanleg (voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen) bekrachtigd.

4. Namens [verzoeker] c.s. is tijdig(4) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Binnen de cassatietermijn is namens [verzoeker] c.s. ook een "Aanvulling cassatieschriftuur" ingediend.

De Griffier van de Hoge Raad heeft zowel SGJ als SBJ Drenthe bericht gezonden van de gelegenheid om verweer te voeren, evenals, als verdere belanghebbenden, de pleegouders bij welke de kinderen waar het in deze zaak om gaat, inmiddels zijn gehuisvest. Hetzelfde is gedaan na de indiening van de "Aanvullende cassatieschriftuur". Er zijn geen verweerschriften ingekomen.

Bespreking van de cassatiemiddelen

5. Verschillende van de tien cassatiemiddelen die in het oorspronkelijke cassatierekest worden voorgesteld hebben met elkaar gemeen, dat zij miskennen dat de Hoge Raad gebonden is aan hetgeen uit de in cassatie bestreden uitspraak en uit de gedingstukken blijkt; en dat herbeoordeling van feitelijke beslissingen in cassatie niet mogelijk is.

De "Aanvullende cassatieschriftuur" miskent dat de Hoge Raad slechts klachten gericht tegen de in cassatie bestreden uitspraak kan beoordelen; en dus geen uitspraak kan doen over een voor het eerst in cassatie naar voren gebracht verzoek tot schadevergoeding.

6. Het cassatierekest begint met een inleiding, waarin een geheel feitelijk verslag wordt gedaan van gebeurtenissen die in juni 2009 zouden hebben plaatsgehad, maar die in de beschikking van het hof of in het daaraan voorafgegane debat, voor zover dat in cassatie kenbaar is(5), niet aan de orde zijn gesteld. Nu deze inleiding geen materie bevat die voor de beoordeling in cassatie van betekenis kan zijn, zal ik aan het daarin gestelde voorbij gaan.

Tegen de achtergrond van deze algemene opmerkingen, geldt dan ten aanzien van elk van de aangevoerde klachten c.q. verzoeken het volgende:

7. De Middelen I en II strekken er beide toe, te betwisten dat, zoals het hof heeft aangenomen (en zoals ook in eerste aanleg was aangenomen), een instelling als SGJ een verlengingsverzoek zoals het thans ter beoordeling staande zou kunnen doen krachtens mandaat van een "stichting" als bedoeld in art. 1 van de Wet op de jeugdzorg(6) (SBJ Drenthe is, naar niet wordt betwist, een dergelijke stichting). Tevens wordt aangevochten dat SGJ over een deugdelijke machtiging van SBJ Drenthe beschikt, of op de relevante tijdstippen kon beschikken.

8. Deze materie is geregeld in de ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg vastgestelde Mandaatbesluiten. SGJ is een van de instellingen met landelijk bereik waarvoor een Mandaatbesluit is vastgesteld. Een dergelijk besluit strekt ertoe dat de (directeur van de) desbetreffende instelling bevoegd is om namens een SBJ maatregelen op de voet van Boek 1, titel 14, afdeling 4 van het BW uit te lokken(7). Het hof heeft met de verwijzing in rov. 7 van zijn beschikking, kennelijk het hier bedoelde Mandaatbesluit op het oog.

9. Hof Leeuwarden 23 december 2010, rechtspraak.nl LJN BP 0676 heeft in rov. 4 - 6 geoordeeld dat een instelling die zich op een Mandaatbesluit kan beroepen, bevoegd is een verzoek op de voet van art. 1:261 BW aanhangig te maken. Die beslissing lijkt mij juist. De betogen uit de onderhavige klachten van het middel die een andere uitkomst verdedigen lijken mij daarom ongegrond.

10. Ik merk nog op dat in alinea 1.5 van Middel I wordt gesproken over een beslissing in eerste aanleg van 25 mei 2009. Daarin zou het gaan om een maatregel die SGJ op eigen naam, en niet namens SBJ, zou hebben uitgelokt.

Het gaat hier echter niet om de beslissing die in het thans in cassatie voortgezette geding in appel werd bestreden (maar om een eerdere beslissing, die inmiddels onherroepelijk is geworden). Bezwaren tegen deze beslissing kunnen in het huidige cassatiegeding niet aan de orde komen.

11. Middel III klaagt erover dat het hof niet is ingegaan op een namens [verzoeker] c.s. gedaan verzoek om de vier oudere kinderen van [verzoeker] c.s. toe te laten tot de mondelinge behandeling in appel en om deze daar ook eventueel te horen.

Ik denk dat de klacht berust op een miskenning van de aard van de verzoekschrift-procedure, zoals die onder andere voor de toepassing van art. 1:261 BW geldt. In dergelijke procedures staat de rechter voor de taak, te beoordelen wat in het belang van de minderjarige(n) in kwestie nuttig dan wel noodzakelijk is. Met die taak is niet te verenigen dat de rechter gebonden zou zijn aan wat namens de partijen is aangevoerd, of aan de formele regels van stelplicht en bewijsrecht. Het wordt dan ook bestendig aangenomen dat deze regels hier niet van toepassing zijn en dat de rechter bij de vaststelling van de relevante feiten een grote mate van vrijheid heeft(8).

12. Middel IV klaagt dat [verzoeker] c.s. en hun advocaat niet zouden hebben beschikt over twee stukken waarvan het hof in zijn beschikking melding maakt(9). Deze klacht miskent de grenzen van het in cassatie mogelijke debat en onderzoek. De processtukken bieden geen aanknopingspunten die het mogelijk maken om vast te stellen dat deze documenten inderdaad aan de betrokkenen zouden zijn onthouden. Met name blijkt niet dat van de kant van [verzoeker] c.s. op de mondelinge behandeling(10) is aangevoerd dat zij deze stukken niet zouden kennen en dat zij daarom tegen de gang van zaken bezwaar maakten. Daarop moet de klacht in cassatie afstuiten(11).

13. Ik wijs er op dat de wet tot uitgangspunt neemt dat belanghebbenden, als hoedanig de ouders in zaken betreffende minderjarigen door art. 811 lid 1 Rv. worden aangewezen, recht hebben op inzage en op afschrift van de "op de zaak betrekking hebbende bescheiden", zie art. 290 Rv. Blijkens het destijds geldende art. 13 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken geschiedt de afgifte van stukken tegen vergoeding van de kosten, door de griffier. De kosten zijn nader geregeld in art. 12 van het Besluit tarieven in strafzaken, waarnaar de toenmalige art. 1 en 2 van het Besluit tarieven in burgerlijke zaken verwezen(12).

Er wordt niet aangevoerd dat er in deze zaak stappen in verband met toepassing van deze regeling zouden zijn genomen, en daarvan blijkt ook niets uit het dossier.

14. Deze klacht richt zich ook tegen het feit dat de Raad voor de Kinderbescherming voor de mondelinge behandeling in appel was opgeroepen, en dat [verzoeker] c.s. daarop niet voorbereid zouden zijn geweest. Deze klacht miskent dat de Raad ingevolge art. 810 lid 3 en lid 4 Rv. in kinderbeschermingszaken steeds in de gelegenheid wordt gesteld, zich te doen horen. Als een partij daarop niet is voorbereid, komt dat dus voor haar rekening.

15. Middel V bestrijdt, dat [verzoeker] c.s. toestemming voor speltherapie zouden hebben geweigerd. De klacht vecht een louter feitelijke vaststelling van het hof aan, en richt zich dus tegen een gegeven dat in cassatie niet kan worden beoordeeld.

Voorzover de klacht ook op de motivering van het desbetreffende oordeel van het hof gericht is, geldt dat het in januari 2011 door SGJ ingediende verweerschrift(13) inderdaad bij herhaling aangeeft dat [verzoeker] c.s. de hier bedoelde medewerking zouden weigeren. Daaruit kon het hof geredelijk opmaken dat hiervan sprake was. Daaraan doet het feit dat dat van de kant van [verzoeker] c.s. zou zijn tegengesproken, allicht niet af.

De klacht dat [verzoeker] c.s. voor het eerst ter zitting (van het hof) met dit gegeven zouden zijn geconfronteerd (daargelaten wat er overigens van die klacht zij), is hiermee ook weerlegd.

16. De klacht strekt er ook toe dat de hier besproken weigering van medewerking, niet noodzaakt tot de door het hof (mede) daaraan verbonden gevolgtrekkingen. De door het hof geconstateerde weigering kan er echter wél toe bijdragen dat men die gevolgtrekkingen geraden acht. Het oordeel daarover is - bij een gegeven als het onderhavige - aan de rechters van de feitelijke instanties voorbehouden. Het is, anders dan de klacht in subalinea 5.5 aanvoert, in dit geval geenszins onbegrijpelijk.

17. Deze klacht betoogt verder dat de rechter alléén in het kader van art. 1:264 BW (vervangende rechterlijke toestemming voor medische behandeling van een kind) over de weigering van een ouder in verband met "therapie" zou mogen oordelen. Ik beperk mij tot de opmerking, dat hier een onverdedigbare rechtsopvatting wordt verdedigd.

18. Voor de klacht van Middel VI geldt het in alinea 15 gezegde mutatis mutandis. In het verweerschrift namens SGJ worden duidelijke aanwijzingen vermeld voor de constatering betreffende het verloop van de behandeling van de stoornis van de tweede verzoeker tot cassatie, die met deze klacht wordt bestreden. Hetzelfde geldt voor de mededelingen die namens SGJ zijn gedaan bij de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof, zie p. 1 van het proces-verbaal. Het hof kon zijn constatering daaraan verbinden, en hoefde zich daarvan niet te laten weerhouden door het enkele feit dat [verzoeker] c.s. de zaken anders voorstelden. Het desbetreffende oordeel van het hof is ook goed te begrijpen.

19. Middel VII klaagt over een overweging van het hof die inhoudt dat het op de weg van de vader - dus de tweede verzoeker tot cassatie - ligt om aannemelijk te maken dat de behandeling die hij voor een ernstig ziektebeeld ondergaat, (duurzaam) resultaat heeft.

De klacht zoekt steun bij de uit art. 150 Rv. blijkende regels betreffende bewijslastverdeling; maar om de in alinea 11 hiervóór aangegeven redenen (hier: gelezen in verband met art. 284 lid 1 Rv.) zijn die regels op verzoekschriftprocedures als de onderhavige niet van toepassing.

20. De klacht zou overigens ook ongegrond zijn wanneer de "formele" regels van bewijsrecht hier wél onverkort van toepassing zouden zijn. Het hof heeft immers klaarblijkelijk geoordeeld dat het, aan de hand van de in het dossier voorhanden informatie, als voorshands aannemelijk moest worden beoordeeld dat de gezondheidstoestand van de tweede verzoeker tot cassatie nog steeds redenen voor zorg bleef opleveren. Bij die stand van zaken zou het inderdaad aan de betrokkene zijn om het op die voet aangenomen "bewijsvermoeden" te weerleggen.

21. Verder bestrijdt deze klacht de waardering, door het hof, van de aannemelijkheid van thans nog aanwezige risico's in verband met het ziektebeeld van de tweede verzoeker tot cassatie. Herbeoordeling van een dergelijke geheel feitelijke waardering kan echter in cassatie niet worden verlangd. Ook hier geldt - zie alinea's 15 en 18 hiervóór - dat de in het verweerschrift van SGJ vermelde gegevens voldoende steun kunnen bieden voor de door het hof als aannemelijk beoordeelde waardering, en dat die waardering dus niet als onbegrijpelijk kan gelden.

22. Middel VIII bestrijdt een volgende feitelijke overweging van het hof met argumenten die ertoe strekken dat die overweging "onwaarachtig" zou zijn. Ook hier geldt dat herbeoordeling van feitelijke vaststellingen of gevolgtrekkingen in cassatie niet kan worden verlangd. De vaststelling waar dit middel op doelt, steunt opnieuw - kennelijk - op de berichten uit het verweerschrift van SGJ in appel (zie bijvoorbeeld de informatie in alinea's 3.3.1 en 4.1 daarvan) en op de mededelingen van SGJ-medewerkers bij de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof, zie in het bijzonder p. 3 van het proces-verbaal.

23. Middel IX klaagt over het feit dat het hof voorbij zou zijn gegaan aan argumenten die zouden rechtvaardigen dat [verzoeker] c.s. wél ontvankelijk werden geacht in hun appel tegen de primaire machtiging tot uithuisplaatsing (bedoeld is hier blijkbaar de in februari 2010 verleende machtiging, waarvan in de onderhavige zaak de verlenging aan de orde is). Er wordt echter niet aangegeven, welke argumenten hier zouden zijn aangevoerd, en dus ook niet aangegeven waar die argumenten in de processtukken te vinden zouden zijn. De klacht voldoet daarmee niet aan de eisen die in art. 426a lid 2 Rv. besloten liggen.

Ik vermeld volledigheidshalve dat ik ook nergens in de (beschikbare) stukken argumenten van de hier bedoelde strekking heb aangetroffen.

24. Dit middel beargumenteert verder dat het feit dat een machtiging als de onderhavige vatbaar is voor verlenging (en ook overigens gewijzigd kan worden), eraan in de weg zou staan, de beschikking waarbij zo'n machtiging verleend wordt als onaantastbaar aan te merken.

Hier lijkt mij van woordenspel sprake. (Ook) beslissingen als de hier bedoelde kunnen slechts binnen de daarvoor geldende termijnen met rechtsmiddelen worden bestreden. Dat daarnaast verzoeken tot verlenging of wijziging anderszins kunnen worden gedaan, moge betekenen dat de "onaantastbaarheid" van die beslissingen gerelativeerd kan worden - aan de regels betreffende de voor het aanwenden van rechtsmiddelen geldende termijnen doet dat niet af.

25. Middel X strekt er opnieuw toe, een herbeoordeling te vragen van de gegevens die het hof in deze zaak heeft vastgesteld en in aanmerking genomen. Ik kan slechts herhalen dat dat in cassatie niet kan worden verlangd.

De klacht lijkt verder tot uitgangspunt te nemen dat de rechter in zijn motivering zou moeten verantwoorden waarom hij, rechter, argumenten die een andere uitkomst aandringen dan die waartoe hij besluit, als onaannemelijk beoordeelt. Dat is een miskenning van de omvang van de motiveringsplicht.

26. Het oordeel dat bepaalde feiten zijn komen vast te staan dan wel aannemelijk zijn, behoeft in het algemeen geen nadere motivering, al draagt het tot de begrijpelijkheid van een desbetreffende beslissing bij wanneer wordt aangegeven welke gegevens de rechter als dragend voor zijn oordeel aanmerkt. Het oordeel "gegeven X is aannemelijk (geworden)" behoeft dus in het algemeen geen verdere onderbouwing; maar een verwijzing als "gegeven X is aan de hand van de bij de mondelinge behandeling gedane uitlatingen aannemelijk geworden" draagt ongetwijfeld tot het begrip voor de beslissing bij. Verdere motivering is gewoonlijk niet vereist - en zeker niet in het opzicht dat dit middel lijkt te beogen, namelijk: uitleg waarom de rechter de verder aangevoerde gegevens als onvoldoende waardeert om een andere uitkomst te rechtvaardigen.

27. Volledigheidshalve merk ik nog op dat niet alle gegevens die in de subalinea's van Middel X worden besproken, ook werkelijk aan de beslissing van het hof ten grondslag zijn gelegd. De gegevens genoemd in subalinea's 10.4.1, 10.4.3 en 10.4.5 van dit middel komen in de bestreden beschikking niet aan de orde. De daarop gerichte klacht(en) zijn al daarom ondeugdelijk.

28. Zoals al even ter sprake kwam, strekt het aanvullende cassatieverzoek er vooral toe, dat schadevergoeding wordt gevorderd terzake van de door [verzoeker] c.s. als onrechtmatig aangemerkte, te hunnen laste genomen maatregelen.

Wat hier wordt aangevoerd, kan om meer dan een reden niet worden gehonoreerd. Het lijkt mij voldoende dat ik er opnieuw op wijs dat de beoordeling in cassatie beperkt moet blijven tot klachten, gericht tegen de in de vorige instantie gegeven oordelen. De onderhavige vordering(en) gaat/gaan dat kader ruimschoots te buiten(14).

29. Wat de aanvullende cassatieschriftuur onder 2 aanvoert strekt er, als ik het goed begrijp, toe dat het feit dat de duur van de inmiddels bevolen uithuisplaatsing misschien verstreken zal zijn als de Hoge Raad dit cassatieberoep beoordeelt, niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak in de weg zou mogen staan.

In het licht van HR 24 juni 2011, rechtspraak.nl LJN BQ2292, rov. 3.7, lijkt dit argument mij inhoudelijk doeltreffend. Gezien het feit dat de verdere argumenten die in cassatie worden aangevoerd dat - volgens mij - niet zijn, brengt dit argument echter niet mee dat cassatie zou moeten volgen.

30. Ik denk dat de cassatieklachten geen vragen aan de orde stellen die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord zouden moeten worden.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De in de feitelijke instanties gegeven beschikkingen bevatten slechts een zeer summier overzicht van de relevante feiten. Ik geef bij mijn weergave waar nodig aan, waar ik de desbetreffende gegevens aan ontleen.

2 Uit de in eerste aanleg gegeven beschikking van 20 september 2010 blijkt van verlenging van de ondertoezichtstelling op 18 augustus 2009. Bij de beschikking van de eerste aanleg werd de ondertoezichtstelling nader verlengd tot 24 september 2011.

3 Blijkens de hierop gegeven beschikking: handelend namens de tweede verweerster in cassatie, SBJ Drenthe.

4 De bestreden beschikking is van 6 april 2011. Het cassatierekest is op 9 mei 2011 ingekomen.

5 Het in cassatie overgelegde partijdossier bevat, voor zover na te gaan, de in eerste aanleg gegeven beschikking en de meeste in appel gewisselde stukken (maar bijvoorbeeld niet de documenten waar het middel onder IV op ziet, zie alinea 12 hierna). Alle verdere stukken van de eerste aanleg ontbreken in ieder geval. De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft desgevraagd laten weten dat hij niet over verdere stukken beschikte.

6 Wet van 22 april 2004, S. 306, sedertdien gewijzigd.

7 Gegevens hierover zijn gepubliceerd in de Staatscourant nr. 153 van 2005, p. 8.

8 Dit is een van de gevallen waarin, in de termen van art. 24 Rv., "uit de wet anders voortvloeit"; zie, mutatis mutandis, EHRM 8 november 2005, Appl. nr. 54797/00 (H.F./Slowakije), rov. 38.

9 Een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2011 en een daarbij gevoegd rapport van de Raad uit het jaar 2008.

10 Een uitvoerig proces-verbaal van die behandeling maakt deel uit van de stukken.

11 Dit wordt niet anders doordat de raadsman van [verzoeker] c.s. wel brieven aan het hof zou hebben gestuurd met verzoek om toezending van het dossier (dat hem blijkbaar door de vorige raadsman van [verzoeker] c.s. niet volledig is verstrekt). Het behoort niet tot de taken van het hof om aan verzoeken als deze te voldoen; als de raadsman meende dat dat wel zo was, komt de misvatting daarover voor risico van [verzoeker] c.s.

12 Sinds 1 november 2010 staat de verwijzing in art. 1 van het Besluit griffierechten in burgerlijke zaken, S. 727.

13 O.a. te vinden als prod IX bij het cassatierekest.

14 Zodat in het midden kan blijven dat zulke vorderingen ook niet in de verzoekschriftprocedure op de voet van de art. 798 e.v. Rv. geldend kunnen worden gemaakt; of dat wat inhoudelijk op een verzoek "in reconventie" neerkomt, niet voor het eerst in de derde instantie kan worden gedaan.