Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT6456

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/04257 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT6456
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Openlijke geweldpleging in een tram. Aanhoudingsverzoek. De afwijzing door het Hof van het verzoek van de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden en hem een kopie van de camerabeelden te doen verstrekken, zodat hij deze voorafgaand aan een nadere zitting kan bekijken, is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 8
NJ 2011/562
RvdW 2011/1472
NJB 2011/2265

Conclusie

Nr. 10/04257 J

Mr. Vellinga

Zitting: 27 september 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 33 dagen. Voorts bevat het arrest een bijkomende beslissing, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat, nu de door het Hof opgelegde vrijheidsstraf gelijk is aan de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd, de verdachte in geval van overschrijding van de redelijke termijn bij gebreke van een afdoende compensatiemogelijkheid geen volledig rechtsherstel toekomt.

4. Het middel, dat kennelijk is gericht tegen de door het Hof toegepaste compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn miskent dat het Hof de op te leggen straf ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn met één dag heeft verminderd en mist derhalve feitelijke grondslag.

5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de raadsman om de behandeling ter terechtzitting aan te houden teneinde de raadsman en de verdachte in de gelegenheid te stellen de zich in het dossier bevindende camerabeelden te bestuderen.

7. Het proces-verbaal van 31 augustus 2010 houdt in dit verband het volgende in:

"[...]

De voorzitter deelt mede dat er camerabeelden zijn van hetgeen zich op 3 april 2009 in de tram heeft afgespeeld. De advocaat-generaal heeft de beelden opgevraagd en het hof heeft deze voorafgaand aan de onderhavige terechtzitting bekeken.

De raadsman deelt hierop mede dat hij heeft begrepen dat er van meerdere camera's beelden zijn en dat hij wenst te weten welke beelden het hof precies heeft bekeken.

De voorzitter deelt mede dat er afspeelapparatuur klaarstaat en dat de beelden nu zullen worden bekeken.

De advocaat-generaal deelt mede dat op de beelden van de camera's nummer 5 en nummer 8 het beste te zien is wat er in de tram is gepasseerd. De advocaat-generaal toont vervolgens eerst de door camera nummer 5 opgenomen beelden en daarna de door camera nummer 8 opgenomen beelden. Bij het bekijken van de beelden van camera nummer 5 verklaart de verdachte als volgt:

Het gevecht begon met [betrokkene 1] en de beveiliger (hof: [slachtoffer 1]) en ik wilde daar niet bij zijn. Ik wilde langs het gevecht, naar voren in de tram gaan. Het klopt dat de beveiliger met zijn arm voor mij langs stond. Ik wilde erlangs want ik wilde naar voren. Ik duwde de beveiliger niet.

De raadsman deelt hierop mede dat het hem opvalt dat hij op het beeld een mevrouw met een witte hoed ziet die ook naar voren in de tram wil gaan. Hij weet niet of deze mevrouw één van de medeverdachten is, maar hij denkt van niet omdat de groep van de verdachte uit alleen mannen bestond. De raadsman deelt mede dat hij aldus vaststelt dat ook personen buiten de groep van de verdachte naar voren in de tram wilden gaan.

De voorzitter deelt mede dat op de beelden kan worden waargenomen dat een persoon met een wit hoofddeksel een beweging naar voren maakt, maar dat niet goed te zien is of het een vrouw dan wel een man betreft.

Na het bekijken van de beelden deelt de raadsman mede dat hij het hof verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden en hem een kopie van de camerabeelden te doen verstrekken, zodat hij deze voorafgaand aan een nadere zitting kan bekijken. Ter toelichting op zijn verzoek deelt de raadsman mede dat hij merkt dat er nogal wat verschillen zitten tussen de interpretatie van de beelden door het hof en de advocaat-generaal enerzijds en de interpretatie van de verdediging anderzijds. Daar wenst de raadsman in zijn pleitnota puntsgewijs op te kunnen reageren.

De advocaat-generaal, door de voorzitter naar haar standpunt gevraagd, deelt mede dat zij zich verzet tegen het verzoek van de raadsman, daar de eigen waarneming van het hof niet door de verdediging kan worden ingevuld.

De raadsman deelt hierop mede dat hij nog wenst toe te voegen dat het hof en de advocaat-generaal de beelden al voorafgaand aan de zitting hebben bekeken, terwijl hij en zijn cliënt de beelden nu voor het eerst zien, op een flits van de beelden ter terechtzitting in eerste aanleg na.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof de behandeling van de zaak voor vijfenveertig minuten zal onderbreken, in welk tijdsbestek de raadsman de zittingszaal tot zijn beschikking krijgt om daar samen met de verdachte de beelden te bekijken. Het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden wordt afgewezen, omdat het een jeugdzaak betreft en in verband daarmee een voortvarende afdoening van de behandeling van de zaak moet worden nagestreefd.

De raadsman deelt hierop mede:

De verdediging wenst geen gebruik te maken van het aanbod, omdat het volstrekt ontoereikend is. Het doel van mijn verzoek is iets anders dan het beeld voor beeld kunnen bekijken van de camerabeelden. Waar het om gaat is dat een eventueel cassatieberoep wegens onvoldoende feitelijke grondslag zou falen indien mijn opmerkingen over de beeldafdrukken niet in mijn pleitnota dan wel in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zijn terug te lezen.

De voorzitter deelt de raadsman hierop mede dat hij bij pleidooi kan aangeven of hij de beelden nog nader wenst te bestuderen, dan wel daarover opmerkingen kan maken.

[...]"

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat 's Hofs afwijzing van het verzoek - om reden dat het een jeugdzaak betreft en in verband daarmee een voortvarende afdoening van de behandeling van de zaak moet worden nagestreefd - onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

9. Uit het proces-verbaal als hiervoor weergegeven blijkt dat, kennelijk zonder dat de raadsman daarvan op de hoogte is gesteld, dragers van camerabeelden aan de stukken van het dossier zijn toegevoegd en dat de raadsman deze beelden, in tegenstelling tot het Hof en de Advocaat-Generaal, niet voorafgaand aan de zitting heeft kunnen bekijken.

10. Kennelijk is hierin niet voorzien door het ter terechtzitting in hoger beroep bekijken van de beelden van camera's 5 en 8. Zoals uit hetgeen de Advocaat-Generaal over de beelden zegt - op de beelden van de camera's 5 en 8 is het beste te zien wat er in de tram is gebeurd - valt af te leiden waren er beelden van meer camera's dan die van de camera's 5 en 8. Dat er meer beelden waren volgt ook uit de omstandigheid dat het Hof de raadsman na het vertonen van de beelden opgenomen door de camera's 5 en 8, naar aanleiding van zijn verzoek tot aanhouding om alle beelden te kunnen bekijken, de gelegenheid bood gedurende een onderbreking van de terechtzitting van drie kwartier de beelden te bekijken.

11. Naar uit de gang van zaken ter terechtzitting moet worden afgeleid, waren verdachte en zijn raadsman voor de zitting niet op de hoogte van het bestaan c.q. het toegevoegd zijn aan de processtukken van (dragers van) camerabeelden, die voorafgaand aan de terechtzitting door Advocaat-Generaal en Hof zijn bekeken, en hebben verdachte en zijn raadsman voorafgaand aan de terechtzitting geen kennis kunnen nemen van die beelden. In deze gang van zaken ligt onmiskenbaar besloten een schending van het in art. 6 EVRM vervatte(1) beginsel van "equality of arms".

12. Het Hof heeft het verzoek van verdachtes raadsman tot aanhouding van de behandeling van verdachtes zaak opdat hij samen met de verdachte de beelden kan bekijken en opmerkingen over die beelden met het oog op een eventueel beroep in cassatie in zijn pleitnota kan verwerken, afgewezen op grond van de overweging dat de onderhavige zaak een jeugdzaak betreft die voortvarend zou moeten worden afgedaan. Dat mag zo zijn, maar daarmee heeft het Hof nog niet uitgelegd waarom het tegemoetkomen aan het verzoek van verdachtes raadsman die voortvarende afdoening wezenlijk in gevaar zou brengen - enkele weken uitstel lijkt voldoende om aan het verlangen van verdachtes raadsman tegemoet te komen - noch waarom die voortvarende afdoening in het onderhavige geval van zo groot gewicht is dat een zo wezenlijk onderdeel van een eerlijk proces als de "equality of arms" daarvoor moet wijken.

13. Dat het Hof de raadsman de gelegenheid heeft geboden om tijdens een onderbreking van de behandeling voor de duur van 45 minuten samen met de verdachte de beelden te bekijken, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan de Advocaat-Generaal zou de raadsman in tijd zijn begrensd bij het bekijken van de beelden en zou hij, anders dan de Advocaat-Generaal bij het opstellen van het requisitoir, niet de gelegenheid hebben zijn visie op de beelden schriftelijk in zijn pleitnota te verwerken.

14. Het feit dat in eerste aanleg ter terechtzitting camerabeelden zijn vertoond, zoals de raadsman in hoger beroep heeft opgemerkt, doet aan het voorgaande evenmin af nu aan de hand van de processtukken niet kan worden vastgesteld of deze beelden dezelfde zijn als de beelden die voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep zijn bekeken.

15. Het middel slaagt.

16. Het derde middel klaagt dat de selectie die het Hof kennelijk voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting heeft gemaakt van de beschikbare camerabeelden getuigt van vooringenomenheid.

17. Het in het middel vervatte beroep op vooringenomenheid kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan, verweven als het is met oordelen van feitelijke aard.

18. Het middel faalt.

19. Het vierde middel stelt dat [slachtoffer 1], door geweld toe te passen, niet rechtmatig heeft gehandeld.

20. Het middel ziet op het verweer, door het Hof als volgt weergegeven en verworpen:

"Geen beroep op noodweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangever [slachtoffer 1] niet uit noodweer heeft gehandeld en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Op grond van hetgeen in de bovenvermelde bewijsmiddelen is vervat oordeelt het hof als volgt.

De aangever [slachtoffer 1] alsmede de andere beveiligers konden in redelijkheid ervoor kiezen bij het verrichten van hun taak geweld toe te passen, gelet op het allereerst door de medeverdachte [medeverdachte] en vervolgens ook door de andere verdachten jegens hen toegepaste geweld. In de gegeven situatie was het door aangever [slachtoffer 1] gebruikte geweld, gelet op het in de tram door verschillende personen jegens hem en zijn collega's uitgeoefende geweld, niet disproportioneel, ook niet voor zover het geweld bestond uit het rond de nek pakken van de medeverdachte [medeverdachte].

Het hof concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte of de medeverdachten door de aangever [slachtoffer 1] of door één van de andere beveiligers, noch van door hen toegepast disproportioneel geweld. Het verweer wordt derhalve verworpen."

21. Blijkens de toelichting is het middel gebaseerd op de gedachte dat [slachtoffer 1] alleen rechtmatig handelde ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte] als hij handelde uit noodweer.

22. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij openlijk en met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit feit is strafbaar gesteld in art. 141 Sr. Aan die strafbaarheid doet niet af dat - zoals namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd - [slachtoffer 1] niet in noodweer zou hebben gehandeld en zich derhalve zou hebben schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De wet voorziet pas in straffeloosheid van de verdachte wanneer hem op grond van het gedrag van [slachtoffer 1] een beroep op een strafuitsluitingsgrond toekomt. Een beroep op een strafuitsluitingsgrond heeft de verdachte bij het Hof niet gedaan en ligt ook niet in het onderhavige verweer besloten. Het Hof had het onderhavige, kennelijk tot straffeloosheid strekkende verweer dus slechts kunnen verwerpen, wat het Hof te dien aanzien ook mag hebben overwogen.

23. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep op noodweer besloten ligt, wordt miskend dat een dergelijk beroep niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan omdat het mede een waardering vergt van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is.

24. Het middel faalt.

25. Het vijfde middel miskent dat in onderhavige zaak geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 341, derde lid, Sv nu de zaak van de verdachte niet gevoegd is behandeld met de zaken van de medeverdachten.(2)

26. Het middel faalt.

27. De middelen 1, 3, 4 en 5 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. D.J. Harris, M. O'Boyle, E.P. Bates , C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2009, p. 251 en daar genoemde rechtspraak

2 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2008, zesde druk, p. 676, Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 8 op art. 341 (suppl. 58, maart 1987), en vgl. onder meer HR 29 oktober 1974, NJ 1975, 108, en HR 26 april 1988, NJ 1989, 141, m.nt. Th. W.v.W.