Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT6368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/00879
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT6368
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BI4736. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de kopstoot door verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer daardoor een bloedende wond (die moest worden gehecht) heeft opgelopen en door die stoot onderuit is gegaan, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 4
NJ 2011/560
RvdW 2011/1470
NJB 2011/2268

Conclusie

Nr. 10/00879

Mr. Vellinga

Zitting: 27 september 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, en wel in het bijzonder voor zover het Hof heeft geoordeeld dat een kopstoot als de onderhavige een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.

4. Het middel ziet op de volgende overweging van het Hof:

"Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

De aard van het letsel (bloedende wond die moet worden gehecht) is naar het oordeel van het hof zodanig dat daaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een krachtige kopstoot. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat het slachtoffer ten gevolge van de kopstoot onderuit is gegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke krachtige kopstoot op de plaats waar deze is toegebracht (op de neus ter hoogte van de oogkassen) zwaar lichamelijk letsel kan opleveren, bijvoorbeeld een fractuur die aanleiding geeft tot operatie. Evenals ieder weldenkend mens moet verdachte daarvan op de hoogte zijn geweest. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door de kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Zijn opzet was daarom ten minste in voorwaardelijke zin op dat gevolg gericht. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte."

5. Het oordeel van het Hof moet kennelijk aldus worden begrepen dat de mogelijkheid dat een krachtige kopstoot als de onderhavige op de plaats waar deze is toegebracht (op de neus ter hoogte van de oogkassen) zwaar lichamelijk letsel oplevert zo groot moet worden geacht dat deze een kans oplevert die als aanmerkelijk moet worden gewaardeerd.(1) Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is ook zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk en is voorts zodanig verweven met de feiten dat het zich niet leent voor verdere toetsing in cassatie.

6. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek de broer van de verdachte als getuige te horen.

8. Het Hof heeft bedoeld verzoek afgewezen met de overweging dat de broer van de verdachte niet aanwezig was bij het bewezenverklaarde handelen zodat zijn verklaring niet relevant is voor enige te nemen beslissing.

9. Aangezien de raadsman ter terechtzitting slechts heeft aangevoerd dat hij op de beelden in de jongen die tussenbeide komt de broer van de verdachte meent te herkennen en het mogelijk relevant is om hem als getuige te horen(2), is 's Hofs afwijzing van het verzoek toereikend gemotiveerd.

10. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, ligt in voormelde overweging van het Hof besloten dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken.(3) Deze houdt immers in dat het horen van de getuige niet relevant is, dus niet van belang kan zijn voor enige in de onderhavige strafzaak te nemen beslissing.

11. Het middel faalt.

12. Het derde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om een Uittreksel Justitiële Documentatie van het slachtoffer aan het dossier toe te voegen en ten aanzien van het slachtoffer rapportage met betrekking tot een vermeende agressieregulatiestoornis uit te laten brengen.

13. De raadsman heeft blijkens zijn pleitnotities ter terechtzitting verzocht een Uittreksel Justitiële Documentatie van het slachtoffer aan het dossier toe te voegen, om aan de hand daarvan de verklaring van het slachtoffer - dat zich schuldig zou hebben gemaakt aan geweldsdelicten - te kunnen toetsen. Ter terechtzitting heeft de raadsman voorts opgemerkt zijn stelling dat het slachtoffer problemen heeft met agressieregulatie aan de hand van een daartoe op te maken rapport te willen staven.

14. In het licht van het summiere karakter van het aangevoerde, is 's Hofs oordeel dat zowel het uittreksel als een rapport als hiervoor bedoeld niet relevant is voor enige in de onderhavige zaak te nemen beslissing, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook hier geldt dat, anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, in voornoemde overweging van het Hof besloten ligt dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken.(4)

15. Het middel faalt.

16. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof heeft nagelaten te responderen op het verweer dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was aangezien de verdachte in zijn woning is aangehouden terwijl een machtiging tot binnentreden ontbrak.

17. Het Hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als een afzonderlijk beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, aangezien de raadsman slechts heeft gesteld dat - voor zover hier van belang - "de aanhouding van cliënt onrechtmatig was (in woning, zonder last)" zonder daaraan enige gevolgtrekking te verbinden.(5)

18. Het middel faalt.

19. In het vijfde middel wordt gesteld dat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd het verzoek van de raadsman om een reclasseringsrapport aangaande de verdachte te laten uitbrengen, heeft afgewezen.

20. Het middel gaat eraan voorbij dat het gaat om een subsidiair gedaan verzoek, namelijk voor zover het Hof zou komen tot een straf die de duur van het voorarrest zou overstijgen(6). Nu dat niet het geval is, was het Hof niet gehouden nader in te gaan op voornoemd verzoek.

21. Voor het geval het verzoek mede bedoeld zou zijn betrekking te hebben op het geval dat een groter gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd dan gevorderd, heeft het Hof het verzoek afgewezen onder meer omdat het Hof zich door verdachtes raadsman omtrent de persoon van de verdachte voldoende voorgelicht achtte.

22. In aanmerking genomen dat verdachtes raadsman het verzoek in het geheel niet heeft onderbouwd, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en ligt daarin besloten dat het Hof de noodzaak van het verzochte niet is gebleken.

23. Het voorgaande betekent dat dit oordeel de afwijzing van het verzoek zelfstandig kan dragen. De klachten over hetgeen het Hof overigens nog heeft overwogen kunnen dus buiten bespreking blijven.

24. Het middel faalt.

25. Het zesde middel bevat de klacht dat het Hof de benadeelde partij heeft toegestaan het woord te voeren over een ander onderwerp dan haar vordering.

26. Het middel ziet op de opmerking van de raadsvrouw van de benadeelde partij dat "de benadeelde partij zich stoort aan de intonatie en het taalgebruik van de verdediging" en de daarop betrekking hebbende overweging van het Hof dat:

"in de visie van het hof de raadsman van verdachte in zijn betoog de getuige, tevens benadeelde partij, als leugenaar heeft neergezet. In dat kader bezien is zijdens de benadeelde partij geen onvertogen woord gesproken en zal het hof de gewraakte opmerking toelaten."

27. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat hetgeen de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft opgemerkt over de opstelling van de raadsman in het geschil over de omvang van de vordering van de benadeelde partij het (doen) toelichten van die vordering niet te buiten gaat en dat art. 334, vierde lid, Sv derhalve niet is geschonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Wie een benadeelde partij als leugenaar neerzet roept daarmee immers ook twijfel op aan de omvang van de door deze gepretendeerde vordering.

28. Het middel faalt.

29. Het zevende middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

30. Het cassatieberoep is ingesteld op 2 februari 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 27 oktober 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

31. Het eerste tot en met het zesde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 4 december 2007, LJN BB7117, NJ 2008, 17 en Rechtbank Haarlem, LJN BM0750. Zie voor een ontoereikende motivering HR 22 maart 2011, LJN BP2715.

2 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 januari 2010, p. 9.

3 Vgl. HR 7 februari 2006, LJN AU8912, NJ 2006, 139.

4 Vgl. HR 7 februari 2006, LJN AU8912, NJ 2006, 139.

5 HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 m.nt. YB, rov. 3.7.

6 P. 7 van het arrest.