Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT6251

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
CPG 09/03778 P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.). Art. 359.3, 511f en 511g Sv. De uitspraak moet de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het w.v.v. is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, v.zv. bevattende de voor die schatting redengevende f&o. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om die schatting uitsluitend op de inhoud van een (i.h.k.v. een SFO opgesteld) financieel rapport te doen berusten. Nu uit de jurisprudentie van de HR wel wordt afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de f&o waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen, ziet de HR aanleiding de aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken. Indien en v.zv. een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van 1 of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door/namens de betrokkene niet/onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. Indien zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het w.v.v. nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen daartegen is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende f&o, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359.3 Sv voortvloeiende verplichting voldaan.

I.c. heeft het Hof niet vastgesteld dat de gevolgtrekkingen uit het als bewijsmiddel 1 weergegeven gedeelte van het financieel rapport, v.zv. die betrekking hebben een tweetal specifiek in het arrest weergegeven onderdelen van de schatting van het w.v.v., door of namens de betrokkene niet of onvoldoende zijn betwist. Het Hof had daarom niet kunnen volstaan met het weergeven van deze gevolgtrekkingen, zodat de betreden uitspraak in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2013/193
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03778 P

Mr. Silvis

Zitting: 27 september 2011

Conclusie inzake:

[Betrokkene](1)

1. Bij arrest van 11 september 2009 heeft het gerechtshof te Amsterdam aan veroordeelde de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 117.743,86 aan de Staat te betalen.

2. Namens veroordeelde heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd (voldoende nauwkeurig) aan te geve op welke grondslag de ontneming is gebaseerd en dat het oordeel dat er 'voldoende aanwijzingen' zijn omtrent de soortgelijke feiten, feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en/of andere strafbare feiten' mede gelet op hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd, onjuist, onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.

4. Het bestreden arrest houdt in, voor zover hier van belang:

"1. De raadsvrouw van de veroordeelde heeft aangevoerd dat uit de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten het door het openbaar ministerie gestelde vermogen niet kan worden verklaard Het dossier biedt volgens de raadsvrouw ook overigens geen enkel aanknopingspunt voor de vaststelling dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die soortgelijk zijn aan de feiten die reeds bewezen zijn verklaard en dat de veroordeelde uit die soortgelijke feiten enig voordeel heeft behaald.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

Blijkens het financieel rapport, inhoudende de berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 mei 2003, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de daarbij behorende bijlagen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroeps is gebleken dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit de bewezenverklaarde feiten, soortgelijke feiten, feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en/of andere strafbare feiten en waaromtrent voldoende aanwijzingen (weergegeven in het 'sfeer'proces-verbaal van 26 februari 2003 [p.325-375] en het proces-verbaal van vermoedelijke overtreding van artikel 140 Sr van 6 februari 2003 [p.376-389]) bestaan dat deze in de periode van 1 januari 2000 tot en met 4 november 2002 door de veroordeelde zijn begaan. Het in deze periode wederrechtelijk verkregen voordeel is daarbij bepaald door middel van een vermogensvergelijking, waarbij een negatief verschil is geconstateerd tussen de uitgaven van de veroordeelde en zijn legale inkomsten, welk verschil de veroordeelde niet op aannemelijke wijze verklaarbaar heeft gemaakt. Geen rechtsregel staat er in zijn algemeenheid aan in de weg het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een dergelijke vermogensvergelijking te berekenen. Nu het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve niet enkel is gebaseerd op feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld, doch op een vermogensvergelijking, waarbij naar het oordeel van het hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke en/of andere strafbare feiten voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, is de onderhavige gevolgde ontnemingsprocedure in lijn met de (post-)Geerings-jurisprudentie. Het verweer wordt verworpen."

5. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het arrest aan nietigheid leidt, nu het onduidelijk is of het hof de ontneming heeft gebaseerd op het tweede, of op het derde lid van art. 36e Sr. Gedoeld wordt kennelijk op de ontneming voor zover die ziet op het voordeel dat is verkregen uit de feiten waarvoor veroordeelde niet is veroordeeld in de samenhangende strafzaak. Die grondslag is inderdaad niet zonder meer duidelijk. Het hof vermeldt niet expliciet of het de ontneming in zoverre baseert op het tweede of het derde lid. De door het hof gebruikte termen 'soortgelijke feiten' en 'feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd' duiden bovendien op toepassing van het tweede lid, terwijl de term 'andere feiten' op toepassing van het derde lid duidt. Nu het hof echter vervolgens overweegt dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan en aan dat vereiste moet worden getoetst bij toepassing van het tweede lid, kan mijns inziens worden aangenomen dat het tweede lid de grondslag vormt, en dat het hof kennelijk bij vergissing ook de term 'andere feiten' heeft gebruikt. De Hoge Raad kan de overwegingen van het hof verbeterd lezen door die term weg te laten.

6. Het middel klaagt voorts dat het hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt op welke strafbare feiten het doelt en dat 's hofs oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde de feiten heeft begaan, mede gelet op de betwisting van dat oordeel door de verdediging, niet naar behoren is gemotiveerd. Ingevolge art. 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen uit 'soortgelijke feiten' indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde de soortgelijke feiten heeft begaan. Dat oordeel behoeft, anders dan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, niet te berusten op, dan wel te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.(2) De wetgever heeft een ruime regeling voor ogen gehad die het in het bijzonder mogelijk maakt het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van feiten die onderdeel uitmaken van een complex van 'systematische en min of meer georganiseerde wetschendingen'.(3) Het hof verwijst ter motivering van zijn oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan onder meer naar het 'sfeer'proces-verbaal van 26 februari 2003 en het proces-verbaal van vermoedelijke overtreding van artikel 140 Sr van 6 februari 2003. Die zich in het dossier bevindende processen-verbaal houden in dat er tientallen (naar tijd en plaats gespecificeerde) bedrijfsinbraken zijn gepleegd in de periode 1 januari 2000 tot en met 11 september 2002 waarbij telkens 4 of 5 negroïde mannen betrokken waren en die gekenmerkt werden door vrijwel dezelfde werkwijze. Daaruit blijkt voorts dat veroordeelde door middel van positieve herkenning dan wel de herkomst van inbeslaggenomen goederen, rechtstreeks met 22 van die 39 inbraken in verband kan worden gebracht en dat (en waarom) verdachte deel lijkt uit te maken van de groep personen die wordt verdacht van het plegen van die bedrijfsinbraken. Mede gelet op de verwijzing naar die processen-verbaal heeft het hof mijns inziens voldoende duidelijk gemaakt op welke feiten het doelt en is het oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde die feiten heeft begaan toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet in (voldoende mate) berust op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, nu de bewijsmiddelen voor wat betreft essentiële onderdelen van de inkomsten en uitgaven slechts de (onbegrijpelijke) conclusies van verbalisanten behelzen en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.

8. Het middel is terecht voorgesteld. Het hof heeft zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voornamelijk gebaseerd op (delen van) een door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakt financieel rapport en twee processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 2]. Die bewijsmiddelen bevatten wat betreft inkomsten en uitgaven, waaruit zou moeten worden afgeleid tot welk bedrag veroordeelde onverklaarde inkomsten heeft gekregen, slechts de conclusies van de verbalisanten en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.(4) De zich in het dossier bevindende, oorspronkelijke documenten bevatten wel verwijzingen naar onderliggende documenten maar de steller wijst er ten aanzien van een aantal specifieke conclusies terecht op dat het onbegrijpelijk is waar deze op zijn gebaseerd, ofwel omdat in het geheel niet wordt vermeld waarop de desbetreffende conclusie is gebaseerd, ofwel omdat het document waarnaar wordt verwezen niets inhoudt dat die conclusie kan dragen. Zo wordt noch uit genoemde bewijsmiddelen, noch uit het dossier duidelijk hoe de totale inkomsten uit de bijstandsuitkering zijn berekend, waarop de door veroordeelde betaalde bedragen voor de volkswagen(5), de BMW met kenteken [GG-00-HH] en de BMW met kenteken [CC-00-DD] zijn gebaseerd, waaruit is afgeleid dat veroordeelde hoge kosten had voor kleding, schoenen en mobiele telefoons en van welk referentiebudget is uitgegaan bij de berekening van de dagelijkse uitgaven, terwijl het genoemde bedrag dat veroordeelde zou hebben overgemaakt via twee money transfers niet overeenkomt met het totaal van de bedragen die zijn weergegeven op het GWK Money Transfer Transactieoverzicht.

Het middel slaagt dus.

9. Het derde middel klaagt dat art. 6, tweede lid, EVRM is geschonden nu (de reële kans bestaat dat) het hof ten onrechte, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd voordeel in zijn berekening heeft betrokken ten aanzien van feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken.

10. Veroordeelde is vrijgesproken van de feiten 1, 15, 16 en 17. De pleegdata daarvan vallen alle binnen de onderzoeksperiode waarover het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft berekend. Nu de abstracte wijze van berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruikt bestaat de reële mogelijkheid dat verzoeker voordeel is ontnomen ter zake van feiten waarvan hij onherroepelijk is vrijgesproken. Dat zou in strijd zijn met de uitleg van art. 6, tweede lid, EVRM zoals deze volgt uit het Geerings-arrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007/349 m.nt. Borgers).

11. Het voordeel is berekend met de abstracte methode van de kasopstelling, waarbij het gaat om het onverklaarbare verschil tussen uitgaven en legale inkomsten. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat in het kader van die verdeling van de bewijslast bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik wordt gemaakt van die door het hof gebezigde methode, mits

a) het gaat om een beredeneerde kasopstelling die is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen (bijvoorbeeld een rapport dat door een daartoe gekwalificeerd persoon is opgemaakt in het kader van een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek), alsmede

b) de betrokkene de gelegenheid is geboden om - zo nodig door bescheiden gestaafd - tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde onverklaarde ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in art. 36e Sr dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling.(6)

12. Bij de kasopstelling wordt niet een rechtstreeks verband gelegd tussen het voordeel en concrete strafbare feiten. Het gaat om een abstracte berekeningsmethode, waarin het ontbreken van een legale herkomst centraal staat. Een vrijspraak ter zake van een bepaald feit is dan niet relevant omdat geen directe relatie wordt gelegd tussen een feit en de aangetroffen onverklaarbare ontvangsten.(7) De overwegingen van het hof houden voorts niet in dat de feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken en het daaruit eventueel verkregen voordeel, zijn betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien de verdediging meende dat een deel van de vastgestelde onverklaarde ontvangsten zou kunnen worden verklaard door het voordeel dat is verkregen met de feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken en dat dus dat deel van de onverklaarde ontvangsten niet kan gelden als voordeel in de zin van art. 36e Sr, was het aan de verdediging om dat aannemelijk te maken (zie hiervoor nr. 11 onder b). Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Van schending van art. 6, tweede lid, EVRM is geen sprake. Het middel faalt.

13. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd slechts een evenredig deel van het door veroordeelde aan de benadeelde partijen te betalen bedrag in mindering heeft gebracht op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

14. Veroordeelde is, evenals zijn mededaders, onherroepelijk hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van bedragen aan verschillende benadeelde partijen tot een totaalbedrag van € 9.486,86. Uit HR 1 april 2008, LJN BA7255, NJ 2008/421 rov. 3.5 zou volgen dat het hof het gehele bedrag van de toegekende schadevergoeding in mindering had moeten brengen.

15. Vooropgesteld moet worden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, uitgegaan dient te worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.(8) Voorts geldt dat de rechter op grond van art. 36e, zesde lid, Sr een in rechte toegekende vordering van een benadeelde derde in mindering moet brengen op het geschatte wederrechtelijk voordeel. De strekking daarvan is dat de belangen van een derde die door het strafbare feit is benadeeld, door het opleggen van de maatregel niet worden geschaad(9), terwijl anderzijds (gelet op dat reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel) moet worden voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen.(10)

16. In 2004 oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin meer daders hoofdelijk waren veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, dat het in mindering brengen van een evenredig deel van dat bedrag op de schatting van het voordeel, niet getuigde van een onjuiste uitleg van art. 36e, zesde lid, Sr en dat het evenmin onbegrijpelijk was.(11) In de door de steller van het middel genoemde uitspraak stelde de Hoge Raad echter (in een ten overvloede overweging) dat aan toepassing van het zesde lid geen beperking is gesteld in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid. Borgers ziet dat als een (onwenselijke) koerswijziging van de Hoge Raad, Fokkens meent dat uit die rechtspraak niet geheel duidelijk wordt hoe moet worden gehandeld indien meer daders zijn veroordeeld tot vergoeding van schade aan het slachtoffer.(12)

17. De twee hiervoor genoemde zaken verschillen nogal van elkaar. In de zaak van 2004 was de veroordeelde samen met twee mededaders veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit, en waren de drie daders in de strafzaak zelf hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het gehele bedrag van de schade van de benadeelde partij. Alle daders waren (dus) voor een derde gedeelte verplicht bij te dragen in de schuld.(13)

De zaak van 2008 betrof een bijzondere regeling van sociale verzekeringsfraude waarbij ook meer dan twee personen betrokken kunnen zijn en waarbij de onderlinge verplichtingen minder gemakkelijk zijn vast te stellen dan in het geval van de zaak van 2004.(14) Het was niet een doorsnee-ontnemingszaak, aldus Borgers. Het ging om de terugvordering van een uitkering die aan de veroordeelde en haar ex-partner gezamenlijk was verleend. De terugvordering leidde tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor de terugbetaling van de kosten van bijstand. Vervolgens besloot de gemeente na het onherroepelijk worden van het invorderingsbesluit, om het verschuldigde bedrag niet op de veroordeelde te verhalen maar op haar ex-partner, omdat die ex-partner veroordeelde en haar kinderen onverzorgd had achtergelaten. Ook speelde een rol dat hij in het buitenland vermogensbestanddelen had. Vervolgens doorkruiste het openbaar ministerie min of meer die beslissing van de gemeente door, in afwijking van zijn eigen beleidsuitgangspunt, ontneming te vorderen van het voordeel als gevolg van het ten onrechte genoten hebben van de uitkering.(15)

18. De vraag is nu of de verschillen tussen beide zaken het verschil in oordeel van de Hoge Raad verklaren en of dus, afhankelijk van het geval, gekozen kan worden voor vermindering van de gehele vordering dan wel voor vermindering met een evenredig deel in geval van een hoofdelijk toegewezen vordering, of dat toch inderdaad sprake is van een koerswijziging, zoals Borgers meent, en bij toepassing van het zesde lid altijd het volledige bedrag in mindering moet worden genomen. Bleichrodt wijst in zijn conclusie voor NJ 2008/421 nadrukkelijk op de verschillen tussen beide zaken en op de bijzondere omstandigheden van die zaak. Hij merkt op dat de omstandigheid dat de vermindering met het evenredige deel werd geaccepteerd in de zaak uit 2004 waarin sprake was van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, nog niet betekent dat vermindering met de gehele vordering onjuist is, en stelt dat het hof door de gehele vordering in mindering te brengen recht heeft gedaan aan de aan art. 36e, zesde lid, Sr ten grondslag liggende gedachte dat in het geval van in rechte toegekende onherroepelijke vordering aan een benadeelde derde, die vordering prioriteit geniet. De bewoordingen van de Hoge Raad zijn echter juist heel algemeen geformuleerd en worden niet verbonden met de specifieke kenmerken van de zaak. Daaruit leidt Borgers kennelijk af dat sprake is van een koerswijziging.(16)

19. Hoewel de Hoge Raad niet verwijst naar de bijzondere omstandigheden van het geval, neem ik toch aan dat die wel een belangrijke rol hebben gespeeld in de uitkomst van de zaak. Die omstandigheden maken immers, ook volgens Borgers, dat de door het hof gevolgde lijn in dat specifieke geval niet onrechtvaardig is. De Hoge Raad stelt voorts zelf niet dat het afwijkt van zijn eerdere uitspraak maar overweegt slechts dat het zesde lid geen beperking inhoudt in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat kan ook zo gelezen worden dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, vermindering met zowel het gehele bedrag als een met een evenredig deel daarvan mogelijk is, en dat in casu vermindering met het gehele bedrag alleszins redelijk was. Gelet daarop en nu het in het onderhavige geval net als in NJ 2008/420 gaat om een hoofdelijke veroordeling van medeplegers tot betaling van schade op grond van onrechtmatige daad als gevolg waarvan de onderlinge verplichtingen dus gemakkelijk zijn vast te stellen, terwijl ik met Borgers van mening ben dat vermindering met een evenredig deel beter aansluit bij het argument dat door vergoeding van schade de facto voordeelsontneming plaatsvindt, heeft het hof mijns inziens in casu geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en is zijn oordeel ook niet onbegrijpelijk.(17) Als een veel hoger bedrag aan schadevergoeding in aanmerking wordt genomen dan er (uiteindelijk) wordt betaald, zou de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel immers op een lager bedrag uitkomen dan daadwerkelijk is verkregen, hetgeen niet aansluit bij het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Bovendien bestaat op grond van art. 577b, tweede lid, Sv de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om alsnog het vastgestelde bedrag te verminderen in het geval dat de mededaders uiteindelijk geen verhaal bieden als de veroordeelde In eerste instantie de gehele vordering van de benadeelde partij heeft voldaan.(18) Het middel faalt.

20. Het vijfde middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden doordat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

21. Het cassatieberoep is ingesteld op 14 september 2009. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 10 juni 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Ik wijs er voorts ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken. Ook in zoverre is de redelijke termijn derhalve overschreden. Als de Hoge Raad zou besluiten tot vernietiging van het bestreden arrest zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen.

22. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof, ten einde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken 09/03909 P, 09/04010 P en 10/00953 P (de ontnemingszaken van de medeveroordeelden), waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 26 maart 2002, LJN AD7805, NJ 2002/545.

3 HR 14 september 1999, LJN ZD1534, NJ 2000/55 met in rov. 4.4.3 een verwijzing naar Kamerstukken II 1989/1990, 21 504, nr. 3, blz. 12.

4 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2560, NJ 2010/478.

5 In het dossier bevindt zich overigens een print van een internetpagina van Auto Trader NL met daarop een overzicht van vier Volkswagens met de vraagprijs. De bedragen lopen uiteen van € 11.950,- tot € 16.950,-. Wellicht is op grond daarvan geconcludeerd dat veroordeelde € 15.000 euro voor de volkswagen heeft betaald maar het financiële rapport houdt daaromtrent niets in.

6 HR 17 september 2002, LJN AE3569. Vgl. ook HR 28 mei 2002, LJN AE1182, NJ 2003/96 m.nt. Mevis over de vermogensvergelijking.

7 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 16 december 2008, LJN BG2178, en de noot van Borgers onder het Geerings-arrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007/349) waarnaar hij verwijst.

8 Vgl. HR 30 november 2004, LJN AR3721, NJ 2005/133 en HR 14 februari 2006, LJN AU9127, NJ 2006/163.

9 Vgl. HR 9 september 1997, LJN ZC9559, NJ 1998/90, rov. 6.4.

10 Vgl. HR 12 februari 2008, LJN BB7109 en HR 14 juni 2011, LJN BQ3641, NJ 2011/283 (beide met verwijzing naar HR 11 april 2000, LJN AA5438, NJ 2000/590).

11 HR 7 december 2004, LJN AR3021, NJ 2008/420.

12 Zie de noot van Borgers bij de uitspraak van 1 april 2008 (NJ 2008/421), en Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 13 op art. 36e Sr die door Fokkens is bijgewerkt tot en met 22 december 2008.

13 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor de in noot 11 genoemde uitspraak.

14 Zie de conclusie van mijn voormalig (waarnemend) ambtgenoot Bleichrodt voor de in nummer 14 genoemde uitspraak.

15 Zie de beschrijvingen van de zaak in de genoemde conclusie van Bleichrodt (nrs. 3.7.2-3.7.4) en de noot van Borgers onder 5.

16 Zie zijn hiervoor genoemde noot onder 4 en 5.

17 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 7 december 2004, LJN AR3021, NJ 2008/420.

18 Zie de eerder genoemde noot van Borgers onder 7 en de conclusie van Machielse voor NJ 2008/420.