Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT6096

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
10/01227
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT6096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

81 RO. Onrechtmatige daad; onrechtmatige uitlatingen; causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1186
JWB 2011/471
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/01227

Mr. L. Timmerman

Zitting 8 juli 2011

Conclusie inzake:

[Eiser]

eiser tot cassatie,

Tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerder 2]

3. [Verweerder 3]

verweerders in cassatie,

(hierna gezamenlijk: [verweerder 1] c.s., en afzonderlijk: [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3])

1. Feiten(1)

1.1 [Verweerder 1] is via de vennootschap Arena Consulting Group B.V., waarvan hij mede-directeur/aandeelhouder is, als luchtcoördinator voor de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente) werkzaam. [Verweerder 2] is via de vennootschap Avensa Kam B.V., onderdeel van Karnel Environmental Services B.V., voor de gemeente werkzaam als adviseur luchtkwaliteit. [Verweerder 3] is ambtenaar bij de gemeente en werkzaam als senior beleidsmedewerker Milieu en Duurzaamheid en gespecialiseerd in luchtkwaliteit.

1.2 [Eiser] heeft op 1 juni 2008 op de website www.[A].nl en op 8 juni 2008 op zijn website www.[B].nl onder de titel "Boeventuig" - voor zover thans van belang - de navolgende tekst gepubliceerd:

"(...) [Verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] kunnen er dus ongestraft een potje van maken, want niemand maakt ze wat. En daarom heb ik geen boodschap aan de opvatting van Wolfsen dat ik foute ambtenaren met rust moet laten. (...)

Als onze volksvertegenwoordigers en wethouders hun werk niet doen en het boeventuig kan op bescherming van de burgemeester en het OM rekenen, dan zit er niets anders op dan [verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] publiekelijk te kijk te zetten als een stel criminelen.

(...)

Zijn [verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] dan bedriegers? Ja, het zijn slechte mensen.

(...)

Wat de fraude van [verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] extra kwaadaardig maakt (...)

Waar [verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] mee bezig zijn, valt volgens het strafrecht op zijn minst te kwalificeren als "dood door schuld" of "mishandeling". Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. Volgens de jurisprudentie is er sprake van opzet, omdat zij door hun frauduleuze onderzoek bewoners langs de Kinglaan, de Weg der VN en de Beneluxlaan willens en wetens aan het aanmerkelijke risico blootstellen van schade aan de gezondheid. Eigenlijk zou het nog het beste zijn te spreken van "mishandeling met voorbedachten rade", want de heren hebben er lang over nagedacht en er heel bewust voor gekozen om die 2000 blootgestelden bij het 24 Oktoberplein uit de boekhouding weg te laten. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, zo staat in art. 304 lid 4, kunnen ze tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld worden. Hoe eerder hoe beter, wat mij betreft.

[Verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] horen achter de tralies thuis.

(...)

Wij worden bestuurd door boeventuig en gewetenloze sukkels."

1.3 Op 22 februari 2008 heeft [eiser] op zijn website www.[B].nl en in het huis-aan-huisblad "[C]" onder de titel "[Verweerder 1], luchtcoordinator van de gemeente Utrecht" en de subtitel "Portret van een witteboordencrimineel" - voor zover thans van belang - de navolgende tekst gepubliceerd:

"(...) Het college en de gemeenteraad fungeren in feite als een schild waarachter foute en corrupte ambtenaren ongestoord hun gang kunnen gaan. (...) en omdat ambtenaren daardoor niets van de politiek te vrezen hebben (en bovendien immuun zijn voor het strafrecht), zijn er ambtenaren die volledig ontsporen. Zoals [verweerder 1].

(...)

Wat [verweerder 1] op landelijke en internationale congressen beweert over de kwaliteit van de lucht in Utrecht is op frauduleuze berekeningen gebaseerd en volstrekt hypocriet.

(...)

Dat kunst- en vliegwerk bestaat uit frauduleus rekenwerk mbt achtergrondconcentraties en verkeersintensiteiten. En dat gebeurt onder het coördinerende toezicht van luchtcoördinator [verweerder 1].

(...)

Dat het VRU model dus absurde uitkomsten geeft, ligt niet aan het model maar aan de leugenachtige input.

(...)

Wie met luchtkwaliteitcijfers knoeit om de vervuiling minder erg voor te stellen (met de bedoeling meer "milieuruimte" voor parkeergarages en autoverkeer in de stad te berekenen) en bovendien weet dat dat ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid van met name kinderen en ouderen behoort achter de tralies te zitten. Het gaat immers gewoon om het veroorzaken van lichamelijk letsel (aandoeningen aan de luchtwegen) en zelfs van vroegtijdige dood. (...) Tussen het geknoei van [verweerder 1] met luchtverontreinigingsberekeningen en de vroegtijdige dood van ouderen en de astma van kinderen bestaat evenzeer een oorzakelijk verband, (...)

(...), terwijl het bij [verweerder 1] gaat om wat in het strafrecht "voorwaardelijke opzet" heet: [verweerder 1] stelt door het opzettelijk knoeien met luchtkwaliteitcijfers dus willens en wetens, vooral kinderen en ouderen aan het aanmerkelijke risico bloot ziek te worden respectievelijk vroegtijdig te sterven als gevolg van luchtvervuiling. Een ander verschil is dat de gasinstallateur persoonlijk heeft zitten knoeien en dat [verweerder 1] dat door ondergeschikten laat doen, zodat hij zelf schone handen houdt. Hij is een witteboordencrimineel, want of je nu zelf loopt te knoeien of je geeft opdracht om te knoeien, dat maakt natuurlijk niet uit. Sterker nog, het geldt in het strafrecht zelfs als strafverzwarend. [verweerder 1] zit hoog in de hiërarchie en geeft, zoals dat heet "feitelijk leiding" aan lagere ambtenaren, die zich moeilijk aan zijn directieven kunnen onttrekken en daardoor min of meer gedwongen worden handelingen te verrichten (namelijk geknoei met intensiteiten en luchtverontreinigingscijfers) die tegen het leven zijn gericht. En dat voor de voorzitter van een plaatselijke afdeling van de ChristenUnie."

1.4 Op 5 juni 2008 heeft [eiser] op zijn website www.[B].nl onder de titel "De meeloper" en de subtitel "De volgzame ambtenaar die "slechts zijn plicht doet" is geen slapjanus maar een gevaarlijke egoist" - voor zover thans van belang - de navolgende tekst gepubliceerd:

"Veel ambtenaren blijken er weinig moeite mee te hebben om loyaal mee te werken aan regelontduiking, bedrog en discriminatie als de overheid dat van ze verwacht. In Utrecht worden de cijfers over luchtkwaliteit bij elkaar gelogen, (...)

Daarom moeten we ervoor zorgen dat meelopen niet loont, dat de kosten de baten overstijgen. Tegenover peer Group pressure moet publiekelijke verachting staan. (...) Ambtenaren die met cijfers knoeien om hun superieuren te behagen, die misleidende informatie geven, zich onheus gedragen tegen het publiek, helpen om de regels te ontduiken, die moeten uit de veilige anonimiteit gehaald worden, zodat ook hun buren en vrienden kunnen zien wat ze andere mensen en de gemeenschap aandoen. Dat zet meer zoden aan de dijk dan niet integer gedrag te melden bij het college en de burgemeester, want die stimuleren dat gedrag juist."

1.5 Op 19 maart 2008 heeft [eiser] op zijn website www.[B].nl onder de titel "De gemeenteraad en de Euthanasielaan" en de subtitel "Bejaarden die langs de Euthanasielaan (M.L. Kinglaan) wonen worden door het autoverkeer vergast. Het raakt onze gemeenteraadsleden allemaal niet" - voor zover thans van belang - de navolgende tekst gepubliceerd:

"(...) En als onze christelijke [verweerder 1], luchtcoordinator en managing director van Arena Consulting, die niet wil vertellen welk tarief hij als externe geldwolf de gemeente in rekening brengt, niet in Zutphen zou wonen maar op de [a-straat], zouden we dan ook "blootgestelden" op de [a-straat] bij het salderen over het hoofd hebben gezien?

(...)

Nu kritische burgers zijn leugenachtige sommetjes narekenen en in de gaten houden, komt hij voor 2010 uit op 59 migrogram/m3 (ver boven de norm).

(...)"

2. Procesverloop

2.1 [Verweerder] c.s. hebben [eiser] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht. Zij vorderen - kort samengevat - dat [eiser] wordt veroordeeld tot verwijdering van de door hem in alinea 1.2.-1.5 geciteerde teksten, rectificatie, alsmede dat [eiser] een verbod wordt opgelegd om in de toekomst dergelijke uitlatingen te doet, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. [Verweerder] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [eiser] onbetamelijk en onrechtmatig jegens hen handelt. [Verweerder 1], [verweerder 3] en [verweerder 2] worden door [eiser] met naam en toenaam genoemd. De uitlatingen op de websites www.[A].nl en www.[B].nl zijn bovendien onjuist en ongefundeerd. [Eiser] heeft inbreuk gemaakt op het recht van [verweerder] c.s. op eerbiediging van hun eer en goede naam en eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Volgens [verweerder] c.s. zijn de hiervoor in alinea 1.2-1.5 geciteerde uitlatingen onnodig grievend. Zij berokkenen [verweerder] c.s. imagoschade, zowel persoonlijk als bij de uitoefening van hun bedrijven. Gezien de houding van [eiser] moeten nieuwe negatieve publicaties over [verweerder 1] c.s. worden gevreesd.

2.2 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3 Bij vonnis van 30 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter [eiser] bevolen de in alinea 1.2-1.5 geciteerde teksten te doen verwijderen en verwijderd te houden van de websites www.[B].nl en www.[A].nl en daarop een rectificatie te plaatsen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.4 [Eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2010 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd ten aanzien van bepaalde punten die de tekstgedeelten geciteerd in alinea 1.4 en 1.5 betreffen. Opnieuw rechtdoende wijst het hof de vorderingen van [verweerder] c.s. die daarop betrekking hebben alsnog af.

2.5 [Eiser] heeft tegen het arrest tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het tegen het arrest aangevoerde cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen (A-E).

3.2 Onderdeel A voert ten eerste aan, kort gezegd, dat [verweerder] c.s. door [eiser] beschuldigd zijn in hun functie van publiek persoon en [verweerder] c.s. zich om die reden meer c.q. zwaardere kritische uitlatingen moeten laten welgevallen dan anderen. Ten tweede bevat het onderdeel een klacht gericht tegen rov. 4.2, samengevat, dat uit het oog is verloren dat eigenlijk de gemeente zich gegriefd voelt, maar om oneerlijke redenen [verweerder] c.s. deze procedure voeren.

3.3 Het onderdeel faalt. Het faalt ten eerste wegens gebrek aan feitelijke grondslag, omdat niet is gebleken dat [verweerder] c.s. ambtenaren zijn die zich als publieke persoon presenteren. [eiser] heeft een en ander gesteld, maar [verweerder] c.s. hebben dit gemotiveerd weersproken.(3) [eiser] had zijn betoog op dit punt nader moeten adstrueren. Dat heeft hij nagelaten. Het hof heeft de door [eiser] gestelde hoedanigheid van [verweerder] c.s. dan ook terecht niet in de - overigens juiste - beschrijving van de bij de beoordeling van het geschil aan te leggen maatstaf in rov. 4.2 betrokken.(4) Al wordt uitgegaan van de door [eiser] gestelde hoedanigheid van [verweerder] c.s., dan kan niet worden volgehouden dat [verweerder] c.s. zich enkel vanwege hun hoedanigheid de uitlatingen van [eiser] moeten laten welgevallen. Die uitlatingen moeten ook dan worden gewogen in het kader van het aan hem toekomend recht van vrijheid van meningsuiting.(5) Daarnaast kan het onderdeel niet tot cassatie leiden, nu de wijze van procederen in beginsel tot de vrijheid van procespartijen behoort. Ten aanzien van de partij die een vordering aanhangig maakt wordt in het algemeen geëist dat hij voldoende belang heeft bij de door hem geïnitieerde procedure (art. 3:303 BW). Dat niet [verweerder] c.s. maar de gemeente is gegriefd door de uitlatingen van [eiser], heeft [eiser] weliswaar gesteld, maar hebben [verweerder] c.s. gemotiveerd weersproken. Zij hebben erop gewezen dat de uitlatingen van [eiser] gericht zijn tegen hen in persoon.(6) [eiser] op zijn beurt heeft deze betwisting onvoldoende weersproken. Integendeel, hij heeft zich telkenmale op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat hij [verweerder] c.s. wel persoonlijk moest aanvallen om tot de gemeente te kunnen doordringen, omdat de gemeente eerder niet thuis gaf.(7) Ik wijs tevens op rov. 4.4 waarin het hof een en ander overweegt en waartegen in cassatie niet is opgekomen. Dat [verweerder] c.s. belang hebben bij het voeren van een procedure op persoonlijke titel staat dan ook genoegzaam vast. Dat een andere dan de procesvoerende partij de procedure financiert doet, wat daarvan zij, aan het voorgaande niet af. Het hof heeft [verweerder] c.s. dan ook terecht in hun vordering ontvangen.

3.4 Onderdeel B komt ten eerste op tegen rov. 4.5, waarin het hof overweegt dat de door [eiser] overgelegde stukken geen, althans onvoldoende, feitelijke onderbouwing geven aan zijn beschuldiging dat [verweerder] c.s. actief en/of passief hebben meegewerkt aan het "regelontduikend rekenwerk". Het onderdeel klaagt dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat [verweerder] c.s. zijn opgetreden als private individuals en dat door [eiser] overvloedig materiaal in het geding is gebracht dat door [verweerder] c.s. slechts in algemene bewoordingen is weersproken, waarmee 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Verder bevat het onderdeel een daarop voortbouwende klacht tegen rov. 4.10.

3.5 Bij de behandeling van het onderdeel stel ik voorop dat in cassatie geen klachten zijn gericht tegen rov. 4.4, waar het hof overweegt dat de beschuldigingen van [eiser] feitelijke onderbouwing behoeven. Voor zover het onderdeel voortbouwt op onderdeel A kan het niet tot cassatie leiden. Ook overigens kan het onderdeel niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In de door het onderdeel genoemde vindplaatsen wordt enkel beschreven op welke wijze de gemeente zich schuldig heeft gemaakt aan het beweerdelijk regelontduikend rekenwerk. Meer in het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat [verweerder] c.s. zich daaraan hebben schuldig gemaakt. 's Hofs oordeel in rov. 4.5, dat [eiser] zijn beschuldiging jegens [verweerder] c.s. onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, is dan ook niet onbegrijpelijk. Wegens het voorgaande faalt ook de klacht tegen rov. 4.10.

3.6 Onderdeel C komt op tegen rov. 4.5, voor zover het hof oordeelt dat [verweerder] c.s. niet primair verantwoordelijk zijn geweest voor het door [eiser] beweerde regelontduikend rekenwerk. De klacht luidt dat [eiser] heeft aangevoerd dat [verweerder] c.s. invloedrijke personen zijn binnen de gemeente waar het aankomt op luchtkwaliteit, dat dit wordt ondersteund door de overgelegde producties en dat een en ander niet inhoudelijk is betwist door [verweerder] c.s.

3.7 Waar het onderdeel voortbouwt op onderdeel B kan het niet tot cassatie leiden. Ook voor het overige is het onderdeel tevergeefs voorgesteld, omdat de door [eiser] overgelegde stukken de stelling dat [verweerder] c.s. primair verantwoordelijk waren voor het uitgevoerde rekenwerk niet ondersteunen. Dat [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] als auteur of onderzoeker staan vermeld in die rapporten is immers, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onvoldoende om de door [eiser] gestelde primaire verantwoordelijkheid van [verweerder] c.s. op te baseren. Bovendien hebben [verweerder] c.s. gemotiveerd betwist dat zij primair verantwoordelijk waren voor het door [eiser] beweerdelijk regelontduikend rekenwerk, omdat zij hun werkzaamheden uitvoerden onder verantwoordelijkheid van de wethouder.(8) [Eiser] had dan ook zijn betoog nader dienen te onderbouwen, wat hij nagelaten heeft. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.8 Op p. 5, eerste alinea van de cassatiedagvaarding wordt nog aangevoerd dat de door [verweerder] c.s. gestelde reputatieschade in ieder geval niet is ontstaan door de publicaties van [eiser], maar door door hen ondeugdelijk uitgevoerd luchtkwaliteitsonderzoek, waardoor de gemeente diverse bestuursrechtelijke procedures verloren heeft. Het is onduidelijk of de steller van het middel met deze passage voortbouwt op het gestelde in onderdeel C of dat er sprake is van een geheel nieuwe klacht. In de s.t. zijdens [eiser] wordt op p. 5 onder middel 5 een klacht aangevoerd tegen 's hofs oordeel in rov. 4.5, dat [verweerder] c.s. door [eiser] in ernstige mate in hun persoonlijke en commerciële belangen zijn geschaad. Daarbij wordt aangesloten bij het aangevoerde op p. 5, eerste alinea van de cassatiedagvaarding. Uit de cassatiedagvaarding kan niet worden afgeleid dat het om een geheel nieuwe klacht gaat; de bedoelde passage is opgenomen als deel van onderdeel C en even verderop wordt vervolgd met onderdeel D. Als deel van onderdeel C kan de passage niet tot cassatie leiden, omdat de vraag of [verweerder] c.s. schade hebben geleden, en zo ja, waar deze dan aan te wijten is, niet van belang is voor de beantwoording van de vraag of [verweerder] c.s. primair verantwoordelijk zijn voor het uitgevoerde rekenwerk. Moet al worden aangenomen dat van een nieuwe klacht sprake is, dan volgt uit de bedoelde passage uit de cassatiedagvaarding niet tegen welke overweging van het hof wordt opgekomen en welk verwijt het hof wordt gemaakt, zodat die klacht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3.9 Onderdeel D klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft meegewogen de ernst van de misstand die door [eiser] is aangekaart, waardoor het hof niet in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat de uitlatingen en beschuldigingen van [eiser] onrechtmatig zijn. [eiser] heeft betoogd dat jaarlijks minstens 400 inwoners van de gemeente in de orde van tien jaar te vroeg overlijden door luchtverontreiniging en dat causaal verband bestaat tussen het regelontduikend onderzoek van [verweerder] c.s. en het ontbreken van politieke bereidheid om iets tegen luchtverontreiniging te doen. Het hof had op basis daarvan moeten concluderen dat sprake is van dood door schuld door nalaten of toedoen van de gemeente, waarop het onderzoek van [verweerder] c.s. van doorslaggevende invloed is.

3.10 Ook dit onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Uit het overwogene in rov. 4.3. volgt dat het hof genoegzaam de ernst van de door [eiser] naar voren gebrachte misstanden in zijn beoordeling heeft meegewogen. Zo heeft het hof overwogen dat er sprake is van "een maatschappelijk relevant en omstreden onderwerp, de luchtkwaliteit van de gemeente Utrecht en meer in het bijzonder het door de gemeente op dat punt gevoerde beleid". Hieruit volgt dat het hof zich terdege rekenschap heeft gegeven van de problematiek die [eiser] aan de kaak stelt. Of causaal verband bestaat tussen het handelen dat [eiser] [verweerder] c.s. verwijt en de schadelijke gevolgen van de luchtkwaliteit en hoe de gevolgen van het handelen dat [eiser] [verweerder] c.s. verwijt moet worden gekwalificeerd, is voor de beoordeling van het geschil niet relevant, zodat het hof zich daarover ook niet behoefde uit te laten.

3.11 Ten slotte komt onderdeel E op tegen de wijze waarop het hof met de tekst van de columns is omgegaan. [Verweerder] c.s. zouden zich met name geërgerd hebben aan de grievende kwalificaties, aldus het onderdeel, zodat het hof zich daartoe had moeten beperken en de columns voor het overige ongemoeid had moeten laten.

3.12 Het onderdeel, dat kennelijk opkomt tegen rov. 4.10, kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Dat [verweerder] c.s. zich met name geërgerd hebben aan de grievende kwalificaties in de columns staat niet vast. [Verweerder] c.s. hebben immers ook bezwaar gemaakt tegen de onjuistheid en ongefundeerdheid van de door [eiser] in zijn columns geuite beschuldigingen.(9) De overweging van het hof in rov. 4.10, dat de omstandigheid dat de uitlatingen van [eiser] ook als kwetsend door [verweerder 1] c.s. worden ervaren slechts bijkomend is, is ook niet onbegrijpelijk. Immers, de door [verweerder 1] c.s. gestelde (imago)schade wordt niet enkel veroorzaakt door de kwetsende bewoordingen waarin de beschuldigingen gesteld zijn, maar ook - en met name - door de onjuistheid en ongefundeerdheid daarvan.(10) Het hof heeft dan ook terecht overwogen dat de gewraakte passages in hun geheel moeten worden verwijderd en niet kan worden volstaan met het naar eigen inzicht vervangen van bepaalde kwalificaties door alternatieven. De onjuistheid en ongefundeerdheid van de uitlatingen wordt daarmee immers niet ongedaan gemaakt.

4. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 3 van het in cassatie bestreden arrest van het hof, waar het hof verwijst naar de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter in rov. 2.1-2.5 van zijn vonnis van 30 juli 2008.

2 De cassatiedagvaarding is op 5 maart 2010 uitgebracht.

3 Pleitnota in hoger beroep zijdens [verweerder] c.a., punt 29; MvA, punt 13-16, 39.

4 HR 18 januari 2008, LJN BB3210, NJ 2008, 274 m.nt. Dommering; HR 8 maart 1995, LJN AG4973, NJ 1986, 437, m.nt. Brunner; HR 6 januari 1995, LJN ZC1602, NJ 1995, 422, m.nt. Dommering; HR 12 juni 1992, LJN ZC0633, NJ 1992, 554; HR 24 juni 1983, LJN AD2221, NJ 1984, 801, m.nt. Van der Scheltema.

5 Vgl. EHRM 11 maart 2003, LJN AP0723, EHRC 2003, 41; EHRM 29 maart 2001, LJN AE1056, NJ 2002, 159 m.nt. Dommering.

6 Pleitnota in hoger beroep zijdens [verweerder] c.s., punt 38; MvA punt 25, 30-33, 38.

7 Pleitnota in hoger beroep zijdens [eiser], punt 6.10-6.11; MvG, punt 62, 107, 113-116; Pleitnota in eerste aanleg zijdens [eiser], punt 3 en 7 tweede alinea.

8 MvA, punt 9, 39.

9 Pleitnota in hoger beroep zijdens [verweerder] c.s., punt 30-31, 33; MvA, punt 25, 33, 81; Pleitnota in eerste aanleg zijdens [verweerder] c.s., punt 3, 6, 14-15; Dagvaarding in kort geding, punt 6, 9, 22, 29.

10 Vgl. MvA, punt 52-55, 58; Dagvaarding in kort geding, punt. 28-29.