Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT2918

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
10/04973
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT2918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Partneralimentatie. Afwikkeling huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1504
JWB 2011/587
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04973

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 23 september 2011

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

In deze zaak gaat het om partneralimentatie en om de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn in 2003 gehuwd. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 maart 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2. De vrouw had - voor zover in cassatie nog van belang - tevens verzocht een bijdrage ten laste van de man in de kosten van haar levensonderhoud en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft een zelfstandig verzoek gedaan en daarbij een andere wijze van verdeling voorgesteld.

1.3. In haar beschikking van 13 februari 2008 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en het bedrag van de partneralimentatie vastgesteld op nihil voor zolang de man de lasten van de voormalige echtelijke woning betaalt. Zij heeft de beslissing voor het overige aangehouden.

1.4. Bij beschikking van 1 mei 2009 heeft de rechtbank de partneralimentatie nader vastgesteld op een bedrag van € 117,- per maand. De rechtbank heeft de huwelijks-goederengemeenschap zodanig verdeeld dat de man wegens overbedeling € 143.671,09 moet voldoen aan de vrouw, te vermeerderen met de helft van het saldo van de spaarloonregeling en van de teruggaven Inkomstenbelasting 2006 en 2007. In verband hiermee heeft de rechtbank de man gelast afschriften van de spaarloonregeling en van de teruggaven IB aan de vrouw te verstrekken.

1.5. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en onder verwijzing naar art. 843a Rv tevens verzocht om afgifte van de afschriften van de spaarloonregeling en de teruggaaf IB 2006 - 2008.

1.6. Bij beschikking van 18 augustus 2010 heeft het hof de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Opnieuw recht doende, heeft het hof de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2010 bepaald op nihil (vanaf deze datum is de vrouw meer uren per week gaan werken). Het hof heeft het door de man wegens overbedeling aan de vrouw te betalen bedrag nader vastgesteld op € 134.504,59 (in verband met een herberekening van de schuld aan de werkgever). Het hof heeft het verzoek van de vrouw om afgifte van bescheiden afgewezen.

1.7. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel 1 is gericht tegen de afwijzing van het verzoek als bedoeld in art. 843a Rv (rov. 13 en 14). De klacht houdt in: (i) dat het hof ten onrechte niet eerst, bij wege van incident, op dit verzoek heeft beslist en (ii) dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek niet ter zake dienend is, nu het hof vaststelt dat slechts een deel van de gevraagde stukken aan de vrouw is getoond. Bij gebreke van nadere motivering is niet begrijpelijk waarom de vrouw geen belang erbij heeft om bekend te worden met de hoogte van de teruggaven IB.

2.2. Het hof is ervan uitgegaan dat een verzoek als bedoeld in art. 843a Rv in het kader van een lopende verzoekschriftprocedure kan worden gedaan(1), zonder dat daarvoor formeel een incident ter rolle behoeft te worden geopend. De artikelen 208 en 209 Rv (over incidentele vorderingen) zijn van toepassing in een dagvaardingsprocedure, maar niet in een verzoekschriftprocedure. Voor zover het middelonderdeel bedoelt dat het hof onder alle omstandigheden gehouden was eerst, afzonderlijk, op het verzoek als bedoeld in art. 843a Rv te beslissen en pas daarna een beslissing in de hoofdzaak te nemen, faalt de klacht. Het tijdstip van behandelen is in beginsel overgelaten aan het eigen inzicht van de rechter: wanneer het hof van oordeel is dat het verzoek als bedoeld in art. 843a Rv niet voor toewijzing in aanmerking komt, zoals in dit geval, verzet de wet zich niet ertegen dat het hof dit verzoek tegelijk met de hoofdzaak afhandelt. Weliswaar is denkbaar dat in een voorkomend geval de eisen van een goede procesorde meebrengen dat het hof de hoofdzaak niet afhandelt vóórdat eerst op het verzoek ex art. 843a Rv is beslist(2), maar het cassatiemiddel behelst niet de klacht dat de eisen van een goede procesorde door het hof zouden zijn geschonden. Ten overvloede merk ik op dat de vrouw in de procedure in hoger beroep haar verzoek op grond van art. 843a Rv niet heeft aangeduid als een incidenteel verzoek of anderszins als een verzoek waarop het hof afzonderlijk voorafgaand een beslissing zou behoren te nemen. Klacht (i) faalt om deze redenen.

2.3. Ook het tweede onderdeel faalt. Het hof heeft het verzoek niet ter zake dienend geacht: deels omdat de vrouw de gevraagde afschriften al had ontvangen en voor het overige omdat zij daarbij geen belang heeft. Dit laatste slaat kennelijk terug op het verweer van de man dat de vrouw, gelet op hetgeen de rechtbank had bepaald (de helft van de teruggaven IB 2006 en 2007), geen belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de teruggaaf IB 2008. Onbegrijpelijk is het oordeel daarom niet. In appel had de vrouw niet verzocht het dictum uit te breiden met een verplichting van de man tot het delen van de teruggaaf IB 2008.

2.4. Middel 2 is gericht tegen het oordeel dat de vrouw geacht kan worden vanaf 1 februari 2010 zelf in haar levensonderhoud te voorzien (rov. 6). Voor zover de klacht in het algemeen inhoudt dat dit oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, voldoet zij niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv: naar vaste rechtspraak(3) is niet voldoende te stellen dát een beslissing onbegrijpelijk is, maar moet ook worden aangeduid waarom de bestreden beslissing onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zou zijn.

2.5. In eerste aanleg is betrekkelijk uitvoerig gediscussieerd over de vraag of de vrouw, die in deeltijd werkte, gelegenheid had haar arbeidsuren uit te breiden. Het hof stelt vast dat zij vanaf 1 februari 2010 haar aantal arbeidsuren heeft kunnen uitbreiden en is van oordeel dat zij met het bedrag dat zij nu verdient (circa € 1.400,- netto per maand) geheel in haar levensonderhoud kan voorzien. Op zichzelf is deze redengeving niet onbegrijpelijk. In rov. 6 heeft het hof overwogen dat de vrouw "op geen enkele wijze aangeeft dat haar behoefte op een bedrag van € 1.500,- per maand dient te worden gesteld".

2.6. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moeten geven in de motivering(4).

2.7. De klacht aan het slot van middel 2, dat het hof niet uitdrukkelijk heeft overwogen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, faalt. In de eerste plaats is het hof ervan uitgegaan dat de behoefte van de vrouw sinds 1 februari 2010 beperkt is tot het bedrag van € 1.400,- netto per maand dat zij verdient. In de tweede plaats heeft het hof, zij het impliciet, de verplichting van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen zij tussen 1 februari 2010 en 18 augustus 2010 (datum beschikking) teveel aan alimentatie zou hebben ontvangen beschouwd in relatie tot de verplichting van de man tot betaling aan de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap, die een veel hoger bedrag dan de teveel ontvangen alimentatie omvat.

2.8. Middel 3 heeft betrekking op de vaststelling van de draagkracht. In rov. 7 heeft het hof de stelling van de vrouw besproken dat de man zijn eigen salaris kan vaststellen, nu hij in de vennootschap waarin hij werkzaam is de volledige zeggenschap heeft. Het hof overweegt dat de man, mede gezien de structuur van de vennootschap, niet de zeggenschap heeft om zijn salaris vast te stellen. Uit de processtukken volgt dat de certificaten van de aandelen worden gehouden door de vader van de man. Het hof heeft niet kunnen vaststellen, aan de hand van de aangiften IB van de man, dat geldstromen van de vennootschap naar hem zijn toegevloeid. Onder deze omstandigheden gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw dat de man de volledige zeggenschap (over zijn salaris) heeft. De klacht houdt in dat dit bewijsaanbod van de vrouw ten onrechte door het hof is gepasseerd, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is, nu het hof zelf heeft vastgesteld dat de man bestuurder van de vennootschap is.

2.9. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, brengt het feit dat de man bestuurder van de vennootschap is nog niet mee dat hij zijn eigen salaris kan vaststellen. Evenmin volgt uit de stelling dat hij zijn eigen salaris kan vaststellen zonder meer dat de draagkracht van de man hoger is dan die, waarvan het hof is uitgegaan. Ervan uitgaande dat de structuur van de vennootschap de man niet de mogelijkheid bood zijn eigen salaris vast te stellen, zoals het hof - op zich in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, valt niet in te zien hoe het bewijsaanbod tot een beslissing van de zaak had kunnen bijdragen. Indien en voor zover de steller van het middel voor ogen heeft gestaan dat de man langs andere wegen (bijv. door zijn invloed aan te wenden bij personen met beslissingsbevoegdheid) de besluitvorming over de bepaling van zijn salaris zou kunnen beïnvloeden, heeft het hof - niet onbegrijpelijk - in de stellingname van de vrouw in de feitelijke instanties kennelijk geen daartoe strekkende concrete stellingen aangetroffen. De door het hof gegeven motivering kan het passeren van dit bewijsaanbod dragen.

2.10. Middel 4 is gericht tegen rov. 8 (vaststelling hoogte rekening-courantschuld aan de werkgever, van belang voor het bedrag dat de man wegens overbedeling aan de vrouw moet voldoen). Het hof overwoog dat uit de door de man overgelegde aangiften IB over de jaren 2003 t/m 2007 blijkt dat de schuld in rekening-courant per 1 januari 2008 € 38.333,- bedroeg. Het cassatiemiddel voert aan dat het hof ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft gehecht aan de overgelegde belastingaangiften, omdat de informatie in deze aangiften niet door ander bewijs wordt ondersteund. De vrouw heeft ook aangaande dit geschilpunt bewijs aangeboden. Volgens de klacht is haar bewijsaanbod ten onrechte niet door het hof gehonoreerd.

2.11. De man had in de toelichting op grief II een beroep gedaan op de door zijn accountant verzorgde belastingaangiften waaruit het verloop van de rekening-courant 2003 - 2008 blijkt, alsmede de door de (externe) accountant gecontroleerde grootboekkaarten van de vennootschap. De waardering van de aangiften IB als voldoende bewijs voor de hoogte van de rekening-courantschuld is voorbehouden aan het hof als de rechter die over de feiten oordeelt (vgl. art. 152 lid 2 Rv). De juistheid van dit bewijsoordeel kan in cassatie niet worden getoetst. Het middel noemt geen bewijsrechtelijke regel die door het hof zou zijn geschonden. Wat betreft het bewijsaanbod van de vrouw: het middel geeft niet aan, welk bewijsaanbod hier is bedoeld en waar dat te vinden zou zijn. Indien de klacht het oog heeft op het bewijsaanbod van de vrouw op blz. 2 van het verweerschrift in hoger beroep (onder het kopje "ad grief 2"), gaat zij niet op: dit bewijsaanbod had alleen betrekking op de stelling van de vrouw dat de man de zeggenschap in de vennootschap heeft. De slotsom is dat middel 4 faalt.

2.12. Middel 5 is gericht tegen rov. 12 (vaststelling waarde echtelijke woning), waarin het hof overwoog dat partijen hebben afgesproken dat de waarde van de woning per peildatum bindend zou worden vastgesteld door [A]. Bij gebreke van een schriftelijke afspraak omtrent waardebepaling en/of peildatum, is dit oordeel volgens de klacht rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, "in het bijzonder gelet op het standpunt dat de vrouw in hoger beroep heeft ingenomen".

2.13. De rechtsklacht faalt omdat de wet in een geval als het onderhavige niet een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst voorschrijft (art. 7:900 lid 2 BW). Nu de klacht niet verder is toegelicht, moet met deze constatering worden volstaan. De subsidiaire motiveringsklacht voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu het middel niet preciseert waarom de bestreden vaststelling in het licht van het standpunt van de vrouw onbegrijpelijk zou zijn. In reactie op het standpunt van de vrouw heeft het hof overwogen dat het enkele feit dat partijen hun afspraak niet schriftelijk hebben vastgelegd, aan het voorgaande niet afdoet.

2.14. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 In zoverre is dit oordeel niet (door de man) bestreden. Bij 'verweerschrift in incidenteel appel en verzoek ex art. 843a Rv', blz. 4, had de man gesteld dat voor een vordering ex art. 843a Rv een dagvaarding had moeten worden uitgebracht. Zie over dit vraagstuk: J. Ekelmans, De exhibitieplicht, Deventer: Kluwer 2010, blz. 230-231 (onder verwijzing naar HR 18 februari 2000, NJ 2001/259, rov. 4.13).

2 Voor een eerdere behandeling van het art. 843a Rv-verzoek kan bijvoorbeeld reden bestaan in het denkbeeldige geval dat de hoofdzaak zou worden beslist op grond van het ontbreken van het bewijs dat de verzoeker nu juist had willen ontlenen aan de op grond van art. 843a Rv van de wederpartij opgeëiste bescheiden.

3 HR 5 november 2010, LJN: BN6196, rov. 3.4.1.

4 HR 21 december 2007 (LJN: BB4757), NJ 2008, 27.