Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT2708

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/02161
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT2708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zeerecht. Uitleg art. 3 lid 4 Beslagverdrag 1952. Beslag kan steeds gelegd worden als een ander dan eigenaar schip aansprakelijk is voor zeerechtelijke vordering en beslag is in dat geval ook mogelijk op andere schepen van die ander. Beslag alleen mogelijk indien naar toepasselijk recht verhaal op of afgifte van het schip mogelijk is ten vervolge op dat beslag. Buiten dit geval behoort beslag niet gelegd te kunnen worden bij gebrek aan rechtmatig belang, omdat het geen vervolg kan krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1544
NJB 2012/16
S&S 2012/24
NJ 2012/243 met annotatie van K.F. Haak
JWB 2011/591
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/02161

Mr L. Strikwerda

Zt. 23 sept. 2011

conclusie inzake

Furtrans Denizcilik Ticaret Ve Sanayi AS

tegen

Augusta Due SRL

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in dit kort geding, waarin opheffing van een conservatoir scheepsbeslag wordt gevorderd, om de vraag of het gelegde beslag onder het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen, Brussel, 10 mei 1952, Trb. 1981, 165, hierna: het Beslagverdrag 1952, al dan niet toelaatbaar is.

2. Ingevolge art. 3 lid 1 van het Beslagverdrag 1952, kan een schuldeiser van een zeerechtelijke vordering (in de zin van art. 1 lid 1 van het verdrag) conservatoir beslag leggen op het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft. Bovendien kan hij beslag leggen op ieder ander schip waarvan de debiteur van de zeerechtelijke vordering eigenaar is (het zogenoemde beslag op een zusterschip). Wanneer in geval van rompbevrachting van een schip de rompbevrachter en niet de eigenaar van het schip aansprakelijk is voor de zeerechtelijke vordering, wordt de regel van art. 3 lid 1 door art. 3 lid 4, eerste volzin, aldus uitgebreid dat de schuldeiser beslag kan leggen op het schip waarop zijn vordering betrekking heeft en bovendien op ieder ander schip waarvan de rompbevrachter eigenaar is. Beslag op zusterschepen van de eigenaar van het bevrachte schip is dat geval niet mogelijk. In de tweede volzin van art. 3 lid 4 wordt het bepaalde in de eerste volzin uitgebreid tot "alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering". Inzet van de onderhavige procedure is de vraag wat de betekenis is van deze tweede volzin van art. 3 lid 4 van het Beslagverdrag 1952. Dienaangaande zijn verschillende opvattingen in omloop. Grosso modo - en voor zover in de onderhavige procedure van belang - laten zich een ruime en een beperkte opvatting onderscheiden. Volgens de ruime opvatting omvat "alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar aansprakelijk is voor een zeerechtelijke vordering" ook het geval waarin de debiteur niet het gezag of de feitelijke macht had over het schip waarop de vordering betrekking heeft. Volgens de beperkte opvatting ziet de tweede volzin van art. 3 lid 4 alleen op gevallen waarin de debiteur wèl het gezag of de feitelijke macht had over het schip waarop de vordering betrekking heeft én de vordering daar ook uit voortvloeit.

3. De feiten waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter (zie r.o. 3 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer.

(i) Verweerster in cassatie, hierna: Augusta, heeft op 7 december 2007 met eiseres tot cassatie, hierna: Furtrans, een overeenkomst gesloten betreffende de bouw en afname van een reeds in aanbouw zijnd schip, de "Strombili M". Augusta is in het contract aangeduid als "purchaser" en Furtrans als "contractor". De "contract price" beliep Euro 29.950.000,-. In het contract is voorzien dat gedurende de bouw van het schip de eigendom daarvan bij Furtrans berust.

(ii) Augusta heeft een bedrag van bijna 3 miljoen Euro aanbetaald. Het restant van de "contract price" is verschuldigd ter gelegenheid van de levering van het schip aan Augusta. Deze zou plaatsvinden op 4 februari 2010. Augusta heeft het schip niet afgenomen en, ondanks sommatie, het resterende deel van de "contract price" niet voldaan.

(iii) Augusta is eigenares van andere schepen waaronder het zeeschip "Constanza M".

(iv) Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft Furtrans op 24 februari 2010 conservatoir beslag doen leggen op de "Constanza M", die toen in de haven van Amsterdam lag, voor haar vordering uit hoofde van het onbetaald laten door Augusta van het resterende deel van de "contract price", met inbegrip van kosten en rente begroot op Euro 29.366.615,-.

Bovendien dient in cassatie ervan te worden uitgegaan dat het beslag wordt beheerst door het Beslagverdrag 1952 (vonnis voorzieningenrechter, r.o. 4.2; arrest hof, r.o. 4.3).

4. Augusta heeft in kort geding voor de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam opheffing van het conservatoir beslag op de "Constanza M" gevorderd. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de "Constanza M" niet een schip is waarop op grond van het Beslagverdrag 1952 beslag mogelijk is, aangezien de eigenaar van het beslagen schip (Augusta) niet dezelfde is als de eigenaar van het schip waarop de vordering betrekking heeft (Furtrans). Furtrans heeft verweer gevoerd tegen de vordering.

5. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 februari 2010 de gevraagde voorziening geweigerd. De voorzieningenrechter overwoog dat het beslag weliswaar in strijd is met de letter van art. 3 lid 1 van het Beslagverdrag 1952 nu de "Constanza M" en de "Stromboli M" niet beide toebehoren aan Augusta, maar dat dit resultaat van de verdragsuitleg in dit geval onaanvaardbaar is aangezien de eigendom van de "Stromboli M" ten tijde van de beslaglegging slechts daarom niet bij Augusta lag, omdat Augusta - naar vooralsnog moet worden aangenomen - op onvoldoende gronden heeft geweigerd mee te werken aan de levering (r.o. 4.6 en 4.7).

6. Op het hoger beroep van Augusta heeft het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 maart 2010 (besproken door H. Boonk in NTHR 2010, blz. 113-114) het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het conservatoir beslag op de "Constanza M" opgeheven.

7. Het hof oordeelde dat het bepaalde in artikel 3 lid 1 van het Beslagverdrag 1952 eraan in de weg staat dat Furtrans conservatoir beslag op de "Constanza M" legt (r.o. 4.7). De in hoger beroep door Furtrans ingeroepen bepaling van art. 3 lid 4, tweede volzin, van het Beslagverdrag 1952 kan naar het oordeel van het hof evenmin steun geven aan het standpunt van Furtrans. Het hof - dat de tussen partijen omstreden vraag of de vordering van Furtrans kan worden aangemerkt als een zeerechtelijke vordering in de zin van art. 1 lid 1 van het verdrag, in het midden liet (r.o. 4.9) - overwoog daartoe onder meer het volgende (r.o. 4.8):

"Het bepaalde in artikel 3 lid 4 heeft de kennelijke strekking de regeling met betrekking tot het conservatoir beslag op zeeschepen voor de in artikel 1 lid 1 genoemde vorderingen (die zijn ontstaan, kort gezegd, in het kader van de exploitatie van het schip en daaraan verrichte werkzaamheden) uit te breiden naar gevallen waar een vordering is ontstaan terwijl een ander dan de eigenaar het gezag/de feitelijke macht over het schip voerde en deze ander uit dien hoofde aansprakelijk is. Dat dit ook geldt voor de tweede zin van dit artikellid valt op te maken uit de plaatsing daarvan in aansluiting op de regeling betreffende de rompbevrachting (in de authentieke Engelse en Franse versies van het Verdrag aangeduid als "charter by demise" respectievelijk "affrètement d'un navire avec remise de la gestion nautique"). Het hof verwijst in dit verband voorts naar de "Travaux Préparatoires" met betrekking tot het Verdrag blz. 337-349.

Daaronder valt niet het onderhavige geval waar de bouwwerkzaamheden weliswaar in opdracht van Augusta zijn verricht maar het Furtrans is die (als eigenaar) de feitelijke macht over het schip uitoefent (en in dat kader Augusta zelfs verbiedt om het schip te inspecteren)."

8. Furtrans is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel dat door Augusta is bestreden, met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Onderdeel a van het middel klaagt dat het hof in r.o. 4.8 van zijn arrest een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 3 lid 4, tweede volzin, van het Beslagverdrag 1952. Het onderdeel verdedigt de ruime opvatting van de tweede volzin van art. 3 lid 4 en betoogt dat het hof heeft miskend dat voor de toepassing van deze bepaling voldoende is dat het schip waarop het conservatoir beslag wordt gelegd (in dit geval: de "Constanza M") in eigendom toebehoort aan de debiteur van de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd. Niet vereist is dat de debiteur het gezag of de feitelijke macht over het schip waarop de vordering betrekking heeft (in dit geval: de "Stromboli M") voerde op het moment waarop de vordering ontstond en dat hij uit dien hoofde aansprakelijk is, aldus het onderdeel.

10. Het Beslagverdrag 1952 bevat geen interpretatieclausules, zodat voor de uitleg van de tweede volzin van art. 3 lid 4 te rade moet worden gegaan bij de uitlegregels die zijn neergelegd in art. 31 t/m 33 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1972, 51, hierna: het Verdrag van Wenen. De omstandigheid dat het Beslagverdrag 1952 ingevolge art. 4 van het Verdrag van Wenen buiten het temporele toepassingsgebied van dit verdrag valt omdat het is gesloten vóór de inwerkingtreding daarvan, staat niet in de weg aan toepassing van de uitlegregels van art. 31 t/m 33 van het Weens Verdrag; het bepaalde in art. 31 t/m 33 kan worden gezien als een codificatie van reeds geldend internationaal recht. Vgl. HR 29 juni 1990, NJ 1992, 106 nt. JCS en HR 10 juli 2009, LJN: BI3450, NJ 2009, 563 nt. M.R. Mok onder NJ 2009, 564, en de conclusie van A-G Wattel voor dit arrest onder 7.4. Zie ook Y. Le Bouthillier, in: O. Corton & P. Klein (red.), The Vienna Convention on the Law of Treaties: A Commentary, Vol. I, 2011, blz. 845-846.

11. Ingevolge art. 31 lid 1 van het Weens Verdrag moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag. Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met onder meer "ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van partijen inzake de uitleg van het verdrag is ontstaan" (art. 31 lid 3, aanhef en onder b). Ten aanzien van "law making-treaties", zoals het onderhavige Beslagverdrag 1952, ligt in dit "later gebruik" ("subsequent practice") met name de rechtsvergelijkende interpretatiemethode besloten. Deze methode houdt in dat, gelet op de door het verdrag beoogde rechtseenheid en rechtsgelijkheid, acht wordt geslagen op de opvattingen die zich in de kring van verdragsstaten hebben ontwikkeld omtrent de uitleg van de onduidelijke verdragsbepaling en aansluiting wordt gezocht bij de heersende opvatting dienaangaande. Voor het geval de in art. 31 bedoelde interpretatiemethoden niet tot opheldering kunnen leiden, worden in art. 32 van het Verdrag van Wenen enkele aanvullende middelen van uitlegging genoemd, waaronder in het bijzonder de verdragshistorische interpretatiemethode aan de hand van de voorbereidende werkzaamheden ("travaux préparatoires") van het verdrag.

12. Art. 3 lid 4 van het Brussels Verdrag luidt in de authentieke Engelse respectievelijk Franse tekst als volgt:

"When in the case of a charter by demise of a ship the charterer and not the registered owner is liable in respect of a maritime claim relating to that ship, the claimant may arrest such ship or any other ship in the ownerschip of the charterer by demise, subject to the provision of this Convention, but no other ship in de ownership of the registered owner shall be liable to arrest of such maritime claims.

The provisions of this paragraph shall apply to any case in which a person other than the registered owner of a ship is liable in respect of a maritime claim relating to the ship."

"Dans le cas d'un affrètement d'un navire avec remise de la gestion nautique, lorsque l'affrèteur répond, seul d'une créance maritime relative à ce navire, le Demandeur peut saisir ce navire ou tel autre appartenant à l'affréteur, en observant les dispositions de la présente Convention, mais nul autre navire appartenant au propriétaire ne peut être saisi en vertu de cette créance maritime.

L'alinéa qui précède s'applique également à tous cas où une personne autre que le propriétaire est tenue d'une créance maritime."

Valt onder "een ander dan de eigenaar" ("a person other than the registered owner"/"une personne autre que le propriétaire") in de tweede volzin van deze bepaling alleen de met de rompbevrachter vergelijkbare persoon die het gezag of de feitelijke macht had over het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft en uit dien hoofde aansprakelijk is (de beperkte opvatting), zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld? Of dient onder "een ander dan de eigenaar" iedere debiteur van een zeerechtelijke vordering te worden begrepen, ook de debiteur die niet het gezag of de feitelijke macht had over het schip waarop de vordering betrekking heeft (de ruime opvatting), zoals door het middel wordt verdedigd?

13. Een grammaticale of teleologische uitleg van de bepaling biedt geen uitsluitsel.

14. De tekst lijkt slechts tot de conclusie te kunnen leiden dat een schuldeiser in alle gevallen waarin een ander dan de eigenaar van het betrokken schip aansprakelijk is, met inachtneming van de bepalingen van het verdrag, conservatoir beslag op dit schip of op ieder ander schip van de aansprakelijke persoon kan leggen. De plaatsing van deze bepaling als tweede volzin, verwijzend naar de eerste volzin, pleit echter voor de door het hof gehuldigde beperkte opvatting, aangezien anders niet valt in te zien waarom niet met de bepaling van de tweede volzin als hoofdregel had kunnen worden volstaan.

15. Aan het doel van het verdrag kan zowel een argument voor de ruime, als voor de beperkte opvatting worden ontleend. Het Beslagverdrag 1952 houdt een compromis in tussen enerzijds het Engelse rechtsstelsel en anderzijds de continentale rechtsstelsels. In de laatstbedoelde stelsels komt aan de schuldeiser de bevoegdheid toe om ter verzekering van iedere vordering van welke aard ook beslag te leggen op ieder vermogensbestanddeel van zijn debiteur, waaronder een zeeschip. Ten tijde van de totstandkoming van het Beslagverdrag 1952 was in het Engelse rechtsstelsel conservatoir beslag op een schip slechts mogelijk indien de te verzekeren vordering betrekking had op het in beslag genomen schip zelf. Conservatoir beslag op een ander schip van dezelfde eigenaar was niet mogelijk. Bovendien was (en is) de mogelijkheid van conservatoir beslag naar Engels recht beperkt tot een aantal wel omschreven vorderingen. Het in het Beslagverdrag 1952 neergelegde compromis komt erop neer dat de schuldeiser niet alleen beslag mag leggen op het schip waarop zijn vordering betrekking heeft, maar binnen bepaalde grenzen ook op zusterschepen van zijn debiteur, dit onder de voorwaarde dat zijn vordering kan worden aangemerkt als een zeerechtelijke vordering in de zin van art. 1 lid 1 van het verdrag. Vgl. J.T. Asser, Uniform Zeerecht: De Diplomatieke Zeerecht Conferentie, gehouden te Brussel in Mei 1952, NJB 1953, blz. 753 e.v., blz. 755-759; M.H. Claringbould & C.J.H. Baron van Lynden, Enige aantekeningen bij het Verdrag conservatoir beslag op zeeschepen, NJB 1986, blz. 837 e.v., blz. 837-838; F. Berlingieri, Arrest of Ships. A Commentary on the 1952 and 1999 Arrest Conventions, 4th ed. 2006, blz. 4, nr. 52.11.

16. Gegeven dit compromis, kan - en wordt ook - verschillend gedacht over de doelstelling van het Beslagverdrag 1952. Nu eens wordt vooropgesteld dat het verdrag de strekking heeft de vrije scheepvaart te bevorderen en het conservatoir beslag op zeeschepen met het oog daarop te beperken. Zie bijv. K.D. Kerameus, Subjektive Anwendungsgrenzen des Brüsseler Übereinkommens vom 10. Mai 1952 über den Arrest in Seeschiffe, in: W.J. Habscheid & K.H. Schwab (red.), Festschrift Heinrich Nagel, 1987, blz. 133 e.v., blz. 133-134, en A. Philip, Maritime Jurisdiction in the ECC, Nordisk Tidsskrift Int'l Ret 1977, blz. 113 e.v., blz. 118. Dan weer wordt aangenomen dat het Beslagverdrag 1952 de strekking heeft schuldeisers van een zeerechtelijke vordering te beschermen. Zie bijv. HR 12 september 1997, LJN: ZC2423, S&S 1997, 123, r.o. 5.2.2. De eerstbedoelde doelstelling pleit voor de beperkte opvatting van de reikwijdte van de tweede volzin van art. 3 lid 4, terwijl de laatstbedoelde doelstelling juist voor de ruime opvatting pleit.

17. Van een door art. 31 lid 3, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen bedoelde "subsequent pratice" in de toepassing van het Beslagverdrag 1952 waardoor in de kring van verdragsluitende staten een heersende opvatting inzake de uitleg van de tweede volzin van art. 3 lid 4 is ontstaan, kan niet worden gesproken. Uit het overzicht van de opvattingen in de verschillende verdragsstaten bij Berlingieri, a.w., blz. 144-147, nrs. 52.410-52.423, blijkt dat zeer verschillend wordt gedacht over de betekenis van de tweede volzin en dat van een heersende opvatting niet kan worden gesproken. Berlingieri acht het zelfs onwaarschijnlijk dat ooit "a uniform interpretation of Art. 3(4) will be reached". Zie F. Berlingieri, The 1952 Arrest Convention revisited, Lloyd's Maritime and Commercial Law Quaterly, 2005, blz. 327 e.v., blz. 332. De verschillen in opvatting betreffen met name de vraag of de tweede volzin van artt. 3 lid 4 behalve op de (toenmalige) Nederlandse reder en de buitenlandse equivalenten daarvan, ook het oog heeft op de tijd- en reisbevrachter, en de vraag of beslag onder art. 3 lid 4 slechts is toegestaan indien de zeerechtelijke vordering waarvoor beslag wordt gelegd ook - volgens de lex fori - op het beslagen schip kan worden verhaald. Vgl. M. Claringbould, Arrest of Ships/2, The Netherlands, 1986, blz. 30 e.v., blz. 57-58; Claringbould & Van Lynden, a.w., blz. 839-840; Berlingieri, a.w., 2005, blz. 332.

18. Aangenomen dat onder "subsequent practice" in de zin van art. 31 lid 3, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen ook het totstandbrengen door de verdragsstaten van nieuwe verdragen over hetzelfde onderwerp als dat van het uit te leggen verdrag begrepen mag worden (zie daarover L. Strikwerda, Rechtsvinding in het internationaal privaatrecht, in: H.J. van Kooten e.a. (red.), Hartkampvariaties, 2006, blz. 119 e.v., blz. 124-126), zou bij de uitleg van de tweede volzin van art. 3 lid 4 van het Beslagverdrag 1952 wellicht betekenis kunnen worden toegekend aan de inmiddels tot stand gebrachte International Convention on Arrest of Ships van 12 maart 1999 (hierna: Beslagverdrag 1999). Daarvoor is echter weinig reden. Het Beslagverdrag 1999 is slechts door een gering aantal staten geratificeerd. Ook Nederland zie voorlopig af van ratificatie van het Beslagverdrag 1999. Zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 V, nr. 72, bijlage III. Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat de oplossing die in art. 3 van het Beslagverdrag 1999 is gekozen voor de vraag of en, zo ja, ter verzekering van welke vorderingen beslag kan worden gelegd op zusterschepen van de debiteur, die niet de eigenaar is van het schip waarop de vordering betrekking heeft, als "subsequent practice" van de staten die partij zijn bij het Beslagverdrag van 1952 van betekenis is voor de uitleg van de tweede volzin van art. 3 lid 4 van dit verdrag. De oplossing die art. 3 van het Beslagverdrag 1999 biedt (grof gezegd een verruiming ten opzichte van art. 3 lid 4 van het Beslagverdrag 1952 doordat beslag op zusterschepen ook mogelijk is in gevallen van bijv. tijd- of reisbevrachting; zie daarover nader Berlingieri, a.w. 2005, blz. 332-333, en a.w. 2006, blz. 147-151, nrs. 99.98-99.108), kan hier derhalve verder onbesproken blijven.

19. Het vorenstaande leidt tot de volgende tussenconclusie. Een grammaticale of teleologische uitleg van de bepaling van art. 3 lid 4, tweede volzin, van het Beslagverdrag 1952 biedt geen duidelijkheid omtrent vraag of de ruime dan wel de beperkte opvatting van deze bepaling als juist moet worden aanvaard. Van een "subsequent practice" waardoor overeenstemming tussen de verdragsstaten inzake de interpretatie van de bepaling is ontstaan, is geen sprake. In de kring van verdragsstaten lopen de opvattingen sterk uiteen, terwijl aan de in het Beslagverdrag 1999 gekozen oplossing geen interpretatieve betekenis kan worden toegekend, nu dit verdrag slechts door een gering aantal staten is geratificeerd.

20. Bij deze stand van zaken kan ingevolge art. 32 van het Verdrag van Wenen bij de uitleg van art. 3 lid 4, tweede volzin, van het Beslagverdrag 1952 een beroep worden gedaan op aanvullende middelen van uitleg en in het bijzonder op de verdragshistorische interpretatiemethode aan de hand van de "travaux préparatoires" van het verdrag.

21. Uit de "travaux préparatoires" van het Beslagverdrag 1952 blijkt dat Nederland een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de tweede volzin van art. 3 lid 4. Zie Berlingieri, a.w. 2006, blz. 138-141, nr. 52.389-52.398; M.H. Claringbould, a.w. 1986, blz. 53-57; Claringbould & Van Lynden, a.w., blz. 839-840. De zin is opgenomen om tegemoet te komen aan de wensen van Nederland in verband met bijzondere positie van de reder in het toenmalige Nederlandse recht. Blijkens de toelichting op de eerste volzin van art. 3 lid 4 (toen nog aangeduid als 3 lid V) meenden de rapporteurs de positie van de Nederlandse reder voldoende te hebben afgedekt. De "charterer by demise" of "affrêteur d'un navire avec remise de la gestion nautique" werd geacht het Nederlandse begrip reder in alle gevallen te omvatten. In de toelichting op deze bepaling van de rapporteurs wordt opgemerkt (CMI, The Travaux Préparatoires of the 1910 Collission Convention and of the 1952 Arrest Convention, blz. 338):

"The rather unusual provision laid down in the fifth paragraph of Article 3 is due tot a rule of law obtaining in certain countries namely the Netherlands and Norway, under which law proceedings om maritime claims must in some cases be instituted against the 'Operator' and not the registered Owner is personally liable."

22. Een "charterer by demise" of een "affrêteur d'un navire avec remise de la gestion nautique" was naar het destijds geldende recht weliswaar altijd reder, maar het omgekeerde was niet altijd het geval. Anders dan de rapporteurs, was de Nederlandse commissie dan ook van oordeel dat de situatie met de Nederlandse reder nog niet voldoende was afgedekt. De Nederlandse commissie stelde daarom de volgende aanvulling met toelichting op art. 3 lid V voor (CMI, The Travaux Préparatoires of the 1910 Collission Convention and of the 1952 Arrest Convention, blz. 339):

"It is proposed to add to article 3 (V) the following paragraph:

'The same applies to all cases where another person than the legal owner is liable in respect of a maritime claim.'

This provision is necessary as under Netherlands law in many cases including collision and salvage, not the legal owner as such or the registered owner as such are liable, but the 'reeder' i.e. the person who appointed the Master and there are other cases possible, in which the Master is not servant of the lagal owner or registered owner."

23. Op de conferentie van Napels heeft J.A.L.M. Loeff, penvoerder van de Nederlandse commissie, dit voorstel als volgt nader toegelicht (CMI, Conférence de Naples, septembre 1951, Edition en vue de la Conférence diplomatique de Bruxelles, mai 1952, blz. 87):

"There is a special provision in article 3, paragraph (V), concerning a charter by demise, and it provides that, in the case of a charter by demise the charterer is liable in respect of a maritime claim, then the ship itself is liable, and although the man who is the debtor in respect of that claim is not the owner of the ship, that ship may be arrested. Under the law of the Netherlands, the man who is responsible for any claim - at any rate any maritime claim and for other claims also - is not the legal owner as such; he is what we call the man who appoints the captain. Therefore under our law it is not sufficient to put in paragraph (V) of article 3 only the case of a charter by demise; we should put there 'any other person than the legal owner', and that is the amendment which we propse in respect of paragraph (V).

The same applies to all cases where a person other than the legal owner is liable in respect of a maritime claim. Of course, there are many people who are not owners, and their position must be considered. Therefore the proposal in respect of paragraph (I) and (V) of article 3 is to add to paragraph (V) the words 'in respect of all cases where a person other than the legal owner is liable in respect of a maritime claim'. I do not think that this proposal of ours can do any harm to anybody who is not a legal owner, and therefore no harm will be done by adopting it."

24. Claringbould leidt hieruit af dat met "een ander dan de eigenaar" in de tweede volzin van art. 3 lid 4 alleen de Nederlandse reder en buitenlandse equivalenten van de Nederlandse reder, en niet bijvoorbeeld ook de tijd- of reisbevrachter zijn beoogd. Vgl. Claringbould, a.w., blz. 53-57. Zie voorts Claringbould & Van Lynden, a.w., blz. 839-840. Ook Berlingieri, a.w. 2006, blz. 141, voetnoot 75, acht deze lezing van de "travaux préparatoires" plausibel.

25. In deze lezing van de "travaux préparatoires" van het Beslagverdrag 1952 kan met de tweede volzin van art. 3 lid 4 slechts beoogd zijn de in de eerste volzin gegeven regeling voor de rompbevrachting uit te breiden naar andere gevallen waarin de debiteur, niet zijnde de eigenaar, het gezag of de feitelijke macht over het schip voerde en uit dien hoofde aansprakelijk is, maar niet tot gevallen waarin de debiteur geen gezag of feitelijke macht over het schip voerde. Dit betekent dat de door het hof gehuldigde beperkte opvatting van de bepaling van de tweede volzin van art. 3 lid 4 in het licht van de verdragsgeschiedenis als juist moet worden aanvaard.

26. In het onderhavige geval staat vast dat de vordering van Furtrans op Augusta niet voorvloeit uit enig gezag of feitelijke macht die Augusta over de "Stromboli M" voerde. Ook indien de vordering van Furtrans moet worden aangemerkt als een zeerechtelijke vordering in de zin van art. 1 lid 1 van het Beslagverdrag 1952 (het hof heeft, zoals gezegd, deze vraag in het midden gelaten), is het beslag op de "Constanza M" derhalve terecht door het hof niet toelaatbaar geoordeeld onder art. 3 lid 4 van het Verdrag. Onderdeel a van het middel is, zo volgt, tevergeefs voorgesteld.

27. Onderdeel b van het middel verwijt het hof te hebben miskend dat het samenstel van de artt. 1, 2 en 3 van het Beslagverdrag 1952 aldus moeten worden begrepen, dat - kort gezegd - ieder schip dat in eigendom toebehoort aan de debiteur van een zeerechtelijke vordering in de zin van artikel 1 lid 1 van het verdrag ter verzekering van die vordering door de schuldeiser kan worden beslagen.

28. Het onderdeel faalt. Het miskent dat het Beslagverdrag 1952 berust op een compromis tussen enerzijds het toenmalige Engelse stelsel, waarin conservatoir beslag op een schip alleen mogelijk was indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag wordt gelegd betrekking had op het in beslag genomen schip zelf, en anderzijds de continentale stelsels, waarin de schuldeiser in beginsel ter verzekering van iedere vordering van welke aard ook beslag kan leggen op ieder vermogensbestanddeel van zijn debiteur, waaronder een zeeschip. Gegeven dit compromis, ligt het voor de hand dat de gevallen waarin conservatoir beslag mogelijk is op andere schepen dan het schip waarop de vordering betrekking heeft, limitatief door het verdrag worden aangegeven. Vgl. Philip, a.w., blz. 118. Geen bepaling van het verdrag laat toe, ook niet de bepaling van de tweede zin van artikel 3 lid 4, dat in een geval als het onderhavige, waarin de debiteur van de zeerechtelijke vordering niet de eigenaar is van het schip waarop de zeerechtelijke vordering betrekking heeft en de zeerechtelijke vordering niet voortvloeit uit het gezag of de feitelijke macht die de debiteur over dat schip voerde, de schuldeiser beslag legt op een zusterschip van de debiteur.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,