Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT1672

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
10/01256
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT1672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 353.1 Sv, beslissing t.a.v. inbeslaggenomen voorwerpen. Op de in de conclusie van de A-G gegeven gronden moet worden aangenomen dat met toepassing van art. 94 Sv een geldbedrag van € 2.700,- inbeslaggenomen is alsook dat ten aanzien daarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353.1 Sv geen beslissing in t.a.v. dit inbeslaggenomen geldbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1360

Conclusie

Nr. 10/01256

Mr. Hofstee

Zitting: 6 september 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 maart 2010 het vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch bevestigd, behoudens de beslissing omtrent het beslag en de bij de oplegging van straf en maatregel toegepaste artikelen. Verzoeker is bij vonnis van de Rechtbank van 8 september 2009 veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Verder zijn de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en is aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld. Met betrekking tot de beslissing omtrent het beslag heeft het Hof het vonnis, waarvan beroep, vernietigd en in zoverre opnieuw recht gedaan. Aan de hand van de aan het arrest aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zijn diverse geldbedragen verbeurd verklaard en bepaalde voorwerpen aan het verkeer onttrokken en is ten aanzien van andere voorwerpen en geldbedragen de teruggave aan verzoeker gelast.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353 Sv in verbinding met art. 415 Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.700,- (voorwerpnummer 74825).

4. Artikel 353, eerste lid, Sv luidt:

"In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet."(1)

5. Op de terechtzitting van het Hof van 23 februari 2010 heeft de Advocaat-Generaal - kort gezegd - gevorderd dat het Hof het beroepen vonnis zal bevestigen en is, voor zover hier van belang, namens verzoeker het volgende aangevoerd:

"Voorts is er nog een bedrag van € 2.700,00 aan geld aangetroffen in een nachtkastje op slaapkamer 2. Dit geld heeft hij ooit van iemand geleend. Over dit geldbedrag is door de rechtbank geen beslissing genomen. Dit geldbedrag dient aan mijn cliënt te worden teruggegeven."

Op dat standpunt heeft de Advocaat-Generaal echter niet gereageerd in repliek.

6. De beslissing van het Hof omtrent het beslag heeft betrekking op de inbeslaggenomen voorwerpen die staan vermeld op de aan het arrest gehechte beslaglijst. Op deze lijst ontbreekt het geldbedrag van € 2.700,-.

7. Kennelijk heeft het Hof zich bij zijn beslissing over het beslag geheel en al laten leiden door de beslaglijst. Een blik achter de papieren muur leert immers dat blijkens het zich in het strafdossier bevindende "Proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv)" het geldbedrag van € 2700,- op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen (p. 5 en p. 33).(2) Uit geen van de processtukken kan worden afgeleid dat ten tijde van de terechtzitting van het Hof het beslag op dat geldbedrag al was geëindigd, bijvoorbeeld door teruggave aan verzoeker of een afstandsverklaring van verzoeker. Om elke onzekerheid hierover weg te nemen, heb ik schriftelijk inlichtingen ingewonnen bij het Arrondissementsparket 's-Hertogenbosch. Uit de schriftelijke reactie van dat parket op 8 juli 2011 blijkt dat inzake het geldbedrag van € 2700,- nog geen beslissing is genomen.

8. Nu het bestreden arrest geen beslissing bevat omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.700,-, klaagt het middel hierover terecht. De vraag is of dit verzuim tot cassatie dient te leiden of dat het arrest desondanks in stand kan blijven, nu verzoeker zich op grond van art. 552a Sv alsnog kan beklagen over onder meer het uitblijven van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen.(3)

9. Op de praktische oplossing van art. 552a Sv is al eerder gewezen door mijn ambtgenoot Vellinga in diens conclusie vóór HR 7 juli 2009, LJN BI4727 bij zijn bespreking van het twaalfde middel, de klacht behelzend dat het Hof ten onrechte geen beslissing had genomen over één van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 65.000,-. In dat arrest heeft de Hoge Raad dat twaalfde middel afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende standaardmotivering. Daarnaast dient te worden gewezen op de arresten van HR 13 juli 2010, LJN BM0930 en HR 12 oktober 2010, LJN BM6891: omdat het Hof had nagelaten op de voet van art. 353, eerste lid, Sv een beslissing te nemen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, vernietigde de Hoge Raad (ook) in zoverre de bestreden uitspraak. Als ik het goed zie is het verschil tussen het arrest uit 2009 en de beide arresten uit 2010 hierin gelegen dat - anders dan in het eerstgenoemde arrest - in de laatstgenoemde twee arresten er door het Hof in het geheel geen beslissing was genomen over de inbeslaggenomen voorwerpen. Als hieruit tevens het verschil in de hiervoor aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad is te verklaren, luidt de slotsom in de onderhavige zaak dat het verzuim van het Hof niet tot cassatie noopt, nu het Hof wel een beslissing heeft genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen zoals op de beslaglijst vermeld, en met betrekking tot dat ene geldbedrag van € 2700,- voor verzoeker nog altijd de beklagprocedure van art. 552a Sv openstaat.

10. Al met al meen ik dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Krachtens art. 415 Sv is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

2 Zie ook het "Bewijs van Ontvangst", p. 107 (waar naast art. 94 tevens art. 94a Sv is aangehaald) en p. 120.

3 Ik merk op dat in het middel niet de vraag besloten ligt of het namens verzoeker aangevoerde, zoals hierboven onder 5 geciteerd, kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv (met een responsieplicht voor het Hof). Op deze vraag zal ik derhalve niet ingaan.