Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BT1660

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/00656
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BH8645
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT1660
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 461 Sr. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de rechthebbende aan de verdachte toestemming heeft gegeven om zich op het militair terrein te bevinden onder meer onder de op de ingangen van het terrein geplaatste borden vermelde voorwaarde verbonden dat men de maximum snelheid niet overschrijdt. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte door overtreding van de voorwaarde niet langer gerechtigd was zich op het terrein te bevinden en dat daarmee de overtreding van art. 461 Sr is gegeven. HR: ’s Hofs oordeel dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn zich op een terrein heeft bevonden waarvan hem op blijkbare wijze door de rechthebbende als bedoeld in art. 461 Sr is verboden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De WAHV staat hieraan niet in de weg omdat het in casu geen voor het verkeer openstaande weg betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 9
JWR 2012/10 met annotatie van T. van der Pluijm
RvdW 2011/1520
VR 2012/103

Conclusie

Nr. 10/00656

Mr. Machielse

Zitting 6 september 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 19 januari 2010 voor het "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbaar wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 251.

2. Mr. F.P. Siewe, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Verdachte, een burger in dienst van Defensie, heeft op een weg gelegen op een terrein van de marine met een auto gereden met een snelheid die hoger was dan de door de marineautoriteiten vastgestelde maximumsnelheid van 50 km/h. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) geldt slechts voor het verkeer op de wegen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 62 RVV 1990, dat de weggebruikers verplicht om gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, waaronder verkeersborden, is niet van toepassing. Verdachte reed immers niet op een openbare weg, maar op een afgesloten marineterrein.

4.1. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"hij op 15 februari 2006 in de gemeente Den Helder omstreeks 11.45 uur zonder daartoe gerechtigd te zijn zich heeft bevonden op het terrein van de Nieuwe Marinehaven, zulks terwijl de toegang op een voor hem blijkbare wijze, door de aldaar geplaatste borden met - onder meer - het opschrift: "Militair terrein. Verboden toegang behalve met toestemming van de rechthebbenden. Aan de toestemming is in elk geval de voorwaarde verbonden dat de op dit terrein geldende regels met betrekking tot het verkeer in acht worden genomen. Bij handelen in strijd met deze regels kan proces-verbaal worden opgemaakt" en "Op dit terrein zijn de bepalingen van de verkeerswetgeving van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: de maximumsnelheid 50 km/h is" door de rechthebbende verboden is, immers heeft hij, verdachte binnen de bebouwde kom als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het militair verkeer openstaande weg de Noord Voorlandweg op de Nieuwe Marinehaven gereden met de snelheid van 78 kilometer per uur."

4.2. Het eerste middel stelt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Niet wordt op de borden medegedeeld dat overtreding van een ge- of verbod zal kunnen worden vervolgd op straffe van artikel 461 Sr. Een burger die in dienst is van Defensie moet toegang hebben tot zijn werkplek. De constructie van handhaving via artikel 461 Sr is sinds de invoering van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften niet meer houdbaar.

4.3. Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld.(2)

"Feiten waar het hof van uitgaat

Het terrein van de Marinehaven, ook wel genoemd: "Nieuwe Haven", te Den Helder betreft een militair terrein. Bedoeld terrein is niet voor iedereen toegankelijk. Het terrein is geheel omgeven door water. Er zijn twee ingangen tot het terrein, via de vice-admiraal Moormanbrug en de Oostoeverweg, waar toegangscontroles worden verricht door personeel van het Marine Beveiligingkorps. Slechts op vertoon van een geldige toegangspas van Defensie dan wel - na controle van de identiteit - met een tijdelijk toelatingsbewijs wordt men toegelaten. Op de Marinehaven werken ruim 7.400 personen, burgers en militairen. Op het gehele terrein geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Bij de ingangen van de Marinehaven staan borden waarop onder meer de volgende tekst is vermeld:

"Militair terrein. Verboden toegang behalve met toestemming van de rechthebbende. Aan de toestemming is in elk geval de voorwaarde verbonden dat de op dit terrein geldende regels met betrekking tot het verkeer, in acht worden genomen. Bij handelen in strijd met deze regels kan proces-verbaal worden opgemaakt" en

"Op dit terrein zijn de bepalingen van de verkeerswetgeving van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: de maximum snelheid 50 km/uur is ".

De verdachte is als burger werkzaam op de Marinehaven. Op 31 mei 2006, omstreeks 11.46 uur(3) hebben opsporingsambtenaren geconstateerd dat de verdachte op de Noord Voorlandweg op de Nieuwe Marinehaven, binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (een personenauto), te hard heeft gereden. De gemeten snelheid was 68 km per uur, de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid betrof 65 km per uur,(4) zodat de toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur met 28(5) km per uur is overschreden. De Noord Voorlandweg is een weg, gelegen op een militair terrein als bedoeld in artikel 1 lid 1 c van de Verkeersregeling Defensie nr. CWW 89/128 d.d. 29 november 1993."

4.4. Aldus heeft het hof vastgesteld dat de rechthebbende op het terrein de toegang tot het terrein aan voorwaarden heeft verbonden. Zolang men zich aan die voorwaarden houdt wordt men geacht gerechtigd te zijn zich daar te bevinden. Mensen die op het marineterrein werken hebben uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst toestemming van de rechthebbende om zich op het terrein te begeven en krijgen daartoe een toegangspasje. Maar wel onder voorwaarde dat zij zich houden aan de aanwijzingen die voor het terrein gelden. Die aanwijzingen zijn bij de ingang van het terrein voor ieder duidelijk aangebracht. Aldus is op een ook voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende duidelijk gemaakt dat de toegang enkel wordt verleend op voorwaarde dat men zich houdt aan de wegenverkeerswetgeving.

Het verbod door de rechthebbende kan betrekking hebben op een bepaalde wijze van gebruik van het terrein, welke wordt begrensd door voorwaarden. Wanneer men aan die voorwaarden voldoet is men gerechtigd, schending van die voorwaarden houdt intrekking van de toestemming in. Men is gerechtigd mits men zich op een bepaalde wijze gedraagt. Voorbeelden zijn dat degene die het terrein betreedt op de paden blijft, zich daar niet bevindt tussen zonsondergang en zonsopgang, de hulpmotor van zijn voertuig uitzet et cetera.

4.5. Anders dan het middel stelt heeft naar mijn mening het hof uit de inhoud en plaats van de borden kunnen afleiden dat daarmee de rechthebbende aan de bezoekers van het terrein voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de toegang verboden is op het moment dat men zich niet (meer) houdt aan de verkeerswetgeving. Dat een verwijzing naar artikel 461 Sr ontbreekt is, gezien de duidelijke boodschap op de borden, niet van belang.(6) Waarom de weg via artikel 461 Sr niet meer begaanbaar zou zijn is mij niet duidelijk geworden. Wat in de toelichting op het eerste middel daaromtrent wordt opgemerkt, te weten dat sinds de invoering van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) onderscheid wordt gemaakt tussen het bestuurlijk afdoen van lichte verkeersovertredingen en het strafrechtelijk afdoen van de zwaardere verkeersovertredingen, ziet er aan voorbij dat de WAHV noch de WVW 1994 van toepassing is op particuliere terreinen. Het eerste lid van artikel 2 WAHV beperkt de gedragingen die met een administratieve sanctie kunnen worden afgedaan tot die welke in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften die bij of krachtens de WVW 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet zijn gesteld. Onder een 'weg' in de WVW 1994 en de daarop gebaseerde wetgeving is slechts te verstaan een voor het openbaar verkeer openstaande weg (artikel 1, lid 1 aanhef en onder b WVW 1994).

Het hof heeft het bewijs kunnen afleiden uit de inhoud van de aangewezen bewijsmiddelen.

Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Bovendien zou artikel 6 EVRM zijn geschonden omdat verdachte geen eerlijk proces heeft gehad. De rechtsongelijkheid zou volgens het middel erin bestaan dat snelheidsovertredingen op de openbare weg administratief worden afgedaan en snelheidsovertredingen op het militair terrein strafrechtelijk. De gedraging van verdachte had via het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie afgedaan moet worden.

5.2. Het arrest van het hof bevat dienaangaande de volgende overwegingen:

"1. Ten aanzien van het beroep op rechtsongelijkheid en het gelijkheidsbeginsel

De verdachte heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat door verschillende handhavingsregimes sprake is van rechtsongelijkheid. Immers, in het geval waarin een (geringe) snelheidsovertreding is begaan op de voor het openbaar verkeer openstaande weg geschiedt de handhaving via de zogenoemde Wet Mulder administratiefrechtelijk, terwijl het begaan van dezelfde overtreding op een militair terrein leidt tot een strafrechtelijke vervolging.

De advocaat-generaal heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden en daartoe onder meer aangevoerd dat hier geen sprake is van gelijke gevallen.

Het hof is van oordeel dat van rechtsongelijkheid of schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.

Het terrein van de Marinehaven te Den Helder betreft een militair terrein. De vraag is vervolgens of wegen die gelegen zijn op dit militaire terrein, openstaan voor het openbaar verkeer. Voor de beantwoording van de vraag of een weg het karakter heeft van een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994, is beslissend of die weg feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Nu toegang tot de Marinehaven slechts wordt verleend op vertoon van een zogenoemde defensiepas dan wel, na identiteitscontrole, van een toegangscontrolekaart, is geen sprake van een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in voormeld artikel. De wegenverkeerswetgeving die geldt voor de voor het openbaar verkeer openstaande wegen is op het Marinehaven terrein om die reden dus niet van kracht.

Aan het verlenen van toegang tot een particulier terrein mogen voorwaarden worden gesteld door de rechthebbende, zo heeft de Hoge Raad in het verleden meermalen beslist (zie onder meer HR 23 maart 1925, NJ 1925, blz. 718, HR 10 maart 1930, NJ 1930, blz. 577, HR 30 september 1975, LJN: AB6467 en HR 11 oktober 1983, LJN: AC2132). Een toegangsverbod kan derhalve absoluut of voorwaardelijk van aard zijn. Anders dan in de zogeheten Amsterdamse Bos arresten (HR 6 november 1962, NJ 1963, 57 en HR 7 mei 1963, NJ 1964, 158) waarnaar de verdachte heeft verwezen, is daarbij ook het vaststellen van een maximumsnelheid toegestaan, omdat in het ter berechting voorliggende geval -gelijk hiervoor door het hof is vastgesteld- geen sprake is van voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

In het onderhavige geval is het ministerie van Defensie de rechthebbende op dit terrein. De minister van Defensie is beheerder van militaire terreinen en heeft met het oog op die terreinen regels gesteld in de Verkeersregeling Defensie. Daarin zijn bevoegdheden aan lokale autoriteiten geattribueerd. Deze regels zijn aan hen die het terrein betreden kenbaar gemaakt door borden die geplaatst zijn bij de ingangen, zoals hiervoor onder de feiten is vermeld.

De gestelde voorwaarde, kort gezegd inhoudende dat men de maximumsnelheid van 50 km per uur niet overschrijdt, is naar het oordeel van het hof niet alleen helder en ondubbelzinnig geformuleerd, maar ook naar zijn inhoud eenvoudig. Het is voor degene aan wie onder deze voorwaarde toegang tot het terrein is verleend eenvoudig en objectief vaststelbaar of door hem de gestelde voorwaarde wordt overtreden; met het enkel acht slaan op de in of aan zijn voertuig aangebrachte snelheidsmeter kan door hem worden volstaan. De gestelde voorwaarde is voorts kenbaar voor eenieder die zich op het terrein begeeft, door de tekst op bedoelde borden.

Door overtreding van de gestelde voorwaarde is degene aan wie voorwaardelijk toestemming is verleend het militaire terrein te betreden, niet langer gerechtigd zich op het terrein te bevinden en is de overtreding van het bepaalde in artikel 461 Wetboek van Strafrecht daardoor gegeven. Daaraan doet niet af, dat de verdachte na overtreding van de maximumsnelheid niet aanstonds door of namens de rechthebbende van het terrein is verwijderd, zoals door de verdachte ten verwere is aangevoerd. Immers, overtreding van een (al dan niet voorwaardelijk) toegangsverbod impliceert in het algemeen niet het ontstaan van een verplichting aan de zijde van de rechthebbende tot verwijdering van degene die het toegangsverbod heeft overtreden. Daarbij komt, dat door staandehouding de overtreding niet voortduurde, met gevolg dat de verdachte in beginsel weer gerechtigd was zich op het terrein te bevinden.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gelijke situatie waar het gaat om een snelheidsovertreding, begaan met een voertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, dan wel op een andere weg gelegen op een militair terrein, alwaar de Wegenverkeerswet 1994 niet van toepassing is. Het enkele feit dat een en dezelfde gedraging in het ene geval een administratiefrechtelijke en in het andere geval een strafrechtelijke normschending oplevert brengt niet mee dat daardoor die gevallen rechtens relevant gelijk zijn. Van een rechtsongelijkheid of schending van het gelijkheidbeginsel is dan ook geen sprake.

2. Andere handhavingsmogelijkheden

De verdachte heeft zich er voorts op beroepen dat de rechthebbende op het terrein (ook) andere handhavingsmogelijkheden ter beschikking stonden, namelijk via de Verkeersregeling Defensie die ten aanzien van burgers verwijst naar het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie (BARD). Volgens de mening van de verdachte had de rechthebbende op het terrein op basis van het BARD administratief tegen de verdachte dienen op te treden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld - zakelijk weergegeven- dat handhaving van de gestelde regels ten aanzien van militairen plaatsvindt via het Wetboek van Militair Strafrecht, maar dat deze regeling geen strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden biedt ten aanzien van burgers. Dat de werkgever de mogelijkheid heeft tot het disciplinair straffen van een werknemer staat los van de strafrechtelijke keten, aldus de advocaat-generaal.

Het hof oordeelt als volgt. Het BARD kent de mogelijkheid voor de rechthebbende om administratiefrechtelijk tegen de werknemer op te treden en aan deze disciplinaire straffen op te leggen. Deze, voor de werkgever openstaande, administratiefrechtelijke mogelijkheid regardeert het openbaar ministerie echter niet. Dit laat voorts onverlet dat er op grond van die regeling noch anderszins een verplichting bestaat voor de rechthebbende om de door haar gestelde regels op basis van die regeling te handhaven. In de tekst van de Verkeersregeling Defensie is immers (onder het kopje "handhaving") vermeld: "Ten aanzien van de burgerambtenaren kan (cursivering hof) handhaving van de verkeersvoorschriften plaatsvinden via het Burgerlijk Ambtenaren Reglement Defensie". Daarbij is het een kwestie van appreciatie welke handhavingsmogelijkheid de voorkeur verdient, of met andere woorden, welke sanctie als zwaarder wordt ervaren. Het hof zal daarin niet treden, nu als uitgangspunt heeft te gelden dat het aan de rechthebbende is om al dan niet volgens de administratieve weg tegen de verdachte op te treden en het voorts aan het openbaar ministerie, als 'dominus litis' (heer van het proces), vrij staat strafvervolging in stellen -voor zover hier van belang- ter zake van overtreding van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht. Die bevoegdheid is naar het oordeel van het hof ook niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk de wetshandhaving. Voor zover de verdachte zich met haar(7) betoog bedoelt te beroepen op misbruik van bevoegdheid dan wel willekeur, is daarvan naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

3. Ongeoorloofd verschil tussen burger en militair

De verdachte heeft voorts gesteld dat op deze wijze ongeoorloofd verschil wordt gemaakt tussen burgers - waarbij na overtreding een strafrechtelijke sanctie volgt - en militairen - die via het wetboek van militair strafrecht worden gestraft.

Nu het, zoals reeds uiteengezet, een rechthebbende in beginsel vrij staat voorwaarden te stellen aan het verlenen van toegang tot het eigen, niet-openbare, terrein en de gedraging in de uitwerking voor zowel militairen als burgers gelijk is, is naar het oordeel van het hof van een ongeoorloofd onderscheid geen sprake."

5.3. In de kern genomen legt het hof de nadruk op de eigen bevoegdheid van de rechthebbende om het gebruik van het eigen terrein te reguleren. Deze regels kunnen betrekking hebben op de wijze waarop men zich over dat terrein begeeft, inclusief op de snelheid waarmee men dat doet. Voorts is het aan de rechthebbende overgelaten om te beslissen of en hoe de naleving van deze regels wordt gehandhaafd. Als een overtreding van deze regels wordt geconstateerd en als vervolgens de rechthebbende besluit om de afhandeling in eigen hand te nemen en gebruik te maken van de disciplinaire mogelijkheden die hem zijn gegeven raakt dat volgens het hof niet aan de bevoegdheden van het OM. Als de zaak wel in handen wordt gesteld van het OM dient het OM - aldus het hof - te beslissen of er sprake is van een strafbaar feit en of het al dan niet tot strafvervolging zal overgaan.

5.4. In de toelichting op het middel wordt herhaalde malen aangegeven dat de gedachtegang van het hof onbegrijpelijk is, maar deze kwalificaties worden nauwelijks van argumenten voorzien. Ik zal proberen kort de juridische achtergrond te schetsen van de verschillende bevoegdheden met betrekking tot gedragingen in het verkeer op een militair terrein, teneinde de oordelen van het hof van een context te kunnen voorzien.

5.5. Ik herhaal eerst nog maar eens dat de WAHV noch de WVW 1994 van toepassing is op het marineterrein. Handhaving van de van overeenkomstige toepassing verklaarde voorschriften op het gebied van het verkeer kan dan slechts geschieden via de band van het tuchtrecht of disciplinaire recht, dan wel via het (andere) strafrecht. In het militaire strafrecht dan wel het militair tuchtrecht moet dan een bepaling zijn aan te wijzen die ongewenste verkeersgedragingen tot een strafbaar feit maakt dan wel tot een tuchtrechtelijk vergrijp.

5.6. De in het Wetboek van Militair Strafrecht (WvMS) omschreven verkeersmisdrijven (artikel 163 tot en met 166) voorzien niet in strafbaarheid van een snelheidsovertreding op militair terrein. Maar artikel 169 WvMS, behorende tot de militaire verkeersovertredingen, biedt een opening. Het heeft de volgende inhoud:

"Hij die als gebruiker van een voor het openbaar of militair verkeer openstaande weg of als gebruiker van een voor de openbare of militaire scheepvaart openstaand water, dan wel als bestuurder van een motorrijtuig, een rijwiel, enig ander rij- of voertuig, een vaartuig of een luchtvaartuig, dat bij de krijgsmacht in gebruik is, de door of vanwege het bevoegd gezag met betrekking tot het verkeer of de scheepvaart gegeven regels en aanwijzingen niet in acht neemt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de tweede categorie."

5.7. Deze bepaling komt misschien wat cryptisch over. Voor 1 januari 1991 was de inhoud van artikel 169 te vinden in artikel 167. Raadpleging van de toelichting van dit artikel 167 maakt duidelijk wat aan de wetgever voor ogen heeft gestaan. Daarin is het volgende te lezen:

"Artikel 167. In dit artikel wordt strafbaar gesteld de weggebruiker, die de door of vanwege het bevoegde gezag gegeven regels en aanwijzingen niet in acht neemt. Voor de betekenis, welke in dit artikel aan het woord "weg" moet worden gehecht, moge worden verwezen naar het in de toelichting op artikel 162 gestelde. Aan de term "bevoegd gezag" zal in dit artikel eveneens een ruime betekenis moeten worden toegekend. Hieronder zal niet alleen de militaire overheid en de burgerlijke overheid in de verschillende rijksdelen moeten worden begrepen maar, voor zover het verkeer in het buitenland betreft, ook het buitenlandse gezag.

De regels, waarvan de overtreding strafbaar is gesteld, zijn zowel de in het algemeen voor het verkeer gegeven regels als die welke - bij voorbeeld door de militaire overheid - in het bijzonder voor het militaire verkeer worden vastgesteld.

De aanwijzingen, welke in dit artikel worden genoemd, kunnen zowel worden gegeven door personen, b.v. de burgerlijke of militaire politie, als door installaties, b.v. stoplichten.

Naast de strafbepaling, die betrekking heeft op weggebruikers, bevat het artikel nog een strafbaarstelling, die zich richt tot de bestuurders van rij-, voer- of luchtvaartuigen die bij de krijgsmacht in gebruik zijn. onverschillig of deze bestuurders weggebruikers zijn of niet. In de toelichting op artikel 163 werd reeds uiteengezet dat het met betrekking tot verkeer met militaire voertuigen niet voldoende is om uitsluitend gedragingen, welke op wegen geschieden, strafbaar te stellen."(8)

5.8. Uit de laatste zin van deze toelichting valt op te maken dat de wetgever artikel 167, thans 169 WvMS, van toepassing achtte op iedere militair die van de weg gebruikmaakt, of dit nu een openbare weg is of een militaire weg, en of hij dit doet in een burgerauto of een militair voertuig.(9) De bestuurders van militaire voertuigen die zich buiten zo een weg, bijvoorbeeld in het veld, bevinden vallen ook onder artikel 169. Alleen de militaire bestuurders van burgerauto's die zich niet op zo een weg bevinden, maar bijvoorbeeld met hun SUV over de heide op het militair terrein crossen, vallen buiten het bereik van artikel 169 WvMS.

Hetzelfde geldt voor de burger die deelneemt aan het verkeer op het militaire terrein. Het WvMS is op hem niet van toepassing omdat hij geen militaire status heeft. De WVW 1994 en de WAHV zijn niet op hem van toepassing omdat het geen gedragingen op de openbare weg betreft.

Artikel 1 en 2 van het WvMS verklaren wel de bepalingen van het "gemene strafrecht" - waaronder dus artikel 461 Sr - van toepassing.

5.9. De Verkeersregeling Defensie(10) wordt wel beschouwd als een geheel van regels en aanwijzingen met betrekking tot het verkeer, zoals bedoeld in artikel 169 WvMS. De Verkeersregeling kent in paragraaf 4 bepalingen over de verkeersregels op militaire terreinen. Artikel 11 van de Verkeersregeling luidt aldus:

"Artikel 11

1. De Wegenverkeerswet 1994 en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, zijn van overeenkomstige toepassing op het verkeer op militaire terreinen in Nederland.

2. De commandant van het militaire terrein is bevoegd tot het plaatsen en verwijderen van borden zoals opgenomen in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het plaatsen en verwijderen van onderborden en het plaatsen en verwijderen van de volgende verkeerstekens op het wegdek:

(...)"

Het daaropvolgende artikel 12 stelt dat bij de in- en uitgang van een militair terrein aanduidingsborden worden geplaatst volgens de modellen weergegeven in bijlage 1. De door het hof vastgestelde inhoud van de borden komt overeen met hetgeen in de bijlage is voorgeschreven.

5.10. In de toelichting op de Verkeersregeling is onder het hoofd 'Handhaving' het volgende opgenomen:

"Zoals hierboven gezegd is de Verkeersregeling Defensie allereerst te zien als een hercodificatie van verkeersvoorschriften. Het brengt derhalve geen wijziging in de handhaving van de verkeersvoorschriften. Een en ander heeft tot resultaat dat handhaving voor de militairen geschiedt volgens het militair straf- en tuchtrecht. Ten aanzien van de burgerambtenaren kan handhaving van de verkeersvoorschriften plaatsvinden via het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie."

De Verkeersregeling is een ministerieel besluit. Het berust op het tweede lid van artikel 9 van het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht.(11)

Als verdachte een militaire status had gehad zou hij dus ingevolge artikel 169 WvMS strafbaar zijn geweest.

5.11. Daarnaast is de vraag interessant of een militair die zich op een militair terrein aan een snelheidsovertreding schuldig maakt tuchtrechtelijk kan worden gestraft.

De Wet militair tuchtrecht (Wmt)(12) stelt in artikel 2 tuchtrechtelijke straf op schendingen van gedragsregels van die wet door een militair. Het eerste lid van artikel 18 stelt dat de militair die een dienstvoorschrift niet opvolgt in strijd handelt met de militaire tucht. De Verkeersregeling lijkt een dienstvoorschrift volgens de omschrijving van artikel 135 WvMS; een bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur of van bestuur dan wel een bij of krachtens landsverordening onderscheidenlijk landsbesluit gegeven schriftelijk besluit van algemene strekking dat enig militair dienstbelang betreft en een tot de militair gericht ge- of verbod bevat. Hetzelfde geldt voor de bepaling van de maximumsnelheid door de plaatselijke militaire autoriteit.(13)

5.12. De militair die op een militair terrein de maximumsnelheid overschrijdt maakt zich dus schuldig aan het strafbaar feit van artikel 169 WvMS en aan een vergrijp als bedoeld in artikel 18 Wmt. De militaire wetgeving kent echter een scherpe scheiding tussen de berechting van strafbare feiten en de handhaving van gedragsregels via het tuchtrecht. Gedragingen die zowel een strafbaar feit als een tuchtrechtelijk vergrijp opleveren moeten via de strafrechtelijke weg worden afgedaan. Dit beginsel is neergeslagen in het eerste lid van artikel 78 Wmt dat voorschrijft dat de commandant, die van oordeel is dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft, daarvan onverwijld aangifte doet bij een opsporingsambtenaar.(14) Maar afdoening via de WAHV is - zoals gezegd - niet mogelijk.

De militair die op een militair terrein een snelheidsovertreding begaat moet dus strafrechtelijk worden vervolgd voor de overtreding van artikel 169 WvMS en kan niet tuchtrechtelijk worden gestraft. Vergelijken we de positie van deze militair met die van verdachte dan is er geen sprake van rechtsongelijkheid. In beide gevallen kan strafrechtelijk worden gereageerd. Het beroep dat verdachte doet op toepasselijkheid van het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie(15) is niet weggelegd voor de militaire bestuurder, hetgeen - dit ten overvloede - een ander licht werpt op het beroep op rechtsongelijkheid van de kant van verdachte.

5.13. Het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie regelt de rechtspositie van de burgerambtenaren die in dienst zijn van het Ministerie van defensie. Artikel 99 voorziet in de mogelijkheid de ambtenaar disciplinair te straffen als deze de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt. Plichtsverzuim is zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen. Artikel 100 van het Reglement somt de disciplinaire straffen op die kunnen worden opgelegd.

5.14. In de toelichting op de Verkeersregeling wordt inderdaad gesteld dat de handhaving van verkeersvoorschriften met betrekking tot burgerambtenaren plaats kan vinden via het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie. Maar nergens is zo een weg dwingend voorgeschreven. Er is mij ook geen rechtsregel bekend die voorschrijft dat een disciplinaire benadering voor een strafrechtelijke aanpak gaat, noch dat de overheid verplicht is in de handhaving de voor de burger gunstigste regel toe te passen. Dat het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie "derogerende werking als zijnde recht in de zin van art. 79 RO" zou moeten hebben zoals de steller van het middel beweert, lijkt mij een stelling die op drijfzand is gebaseerd. Men zou evengoed kunnen zeggen dat een wettelijke bepaling uit het Wetboek van strafrecht juist aan toepassing van een Koninklijk besluit derogeert.

5.15. Van rechtsongelijkheid is geen sprake als de verkeersovertreding door een burgerambtenaar begaan op militair terrein via het commune strafrecht wordt afgewikkeld. De verkeersovertreding op dat terrein begaan door een militair wordt ook afgewikkeld via artikel 169 WvMS en niet via een disciplinaire straf. De burgerambtenaar die op de openbare weg een verkeersovertreding begaat valt, evenals de militair die dat doet, onder het regime van het RVV 1990 en eventueel de WAHV. Men mag niet de afhandeling van verkeersovertredingen op een particulier terrein vergelijken met de afhandeling van verkeersovertredingen op de openbare weg, omdat die situaties nu eenmaal wezenlijk van elkaar verschillen nu verschillende wettelijke regelingen en bevoegdheden van toepassing zijn.

Ook wijs ik erop dat de vraag of gebruikgemaakt zal worden jegens burgerambtenaren van de bevoegdheden van het Burgerlijk ambtenaren reglement defensie niet aan het OM is maar aan de leidinggevende. Als deze van de geboden mogelijkheid geen gebruik maakt is dat niet aan het OM te verwijten.

Waarom verdachte volgens de steller van het middel geen eerlijk proces heeft gehad wordt niet nader uitgewerkt, zodat ik mij ook ontslagen zie van de gehoudenheid om hier nader op in te gaan.

Het middel faalt.

7. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 10/00657 ([medeverdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Omwille van de leesbaarheid heb ik de voetnoten weggelaten.

3 Hier is sprake van een kennelijke verwisseling met de gegevens in de andere zaak, nr. 10/00657 ([medeverdachte]). Hier dient gelezen te worden "15 februari 2006 omstreeks 11.45 uur".

4 Ook hier is weer sprake van een verwisseling met de gegevens in de andere zaak. Hier dient gelezen te worden "De gemeten snelheid was 81 km per uur, de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid betrof 78 km per uur".

5 Zie beide vorige voetnoten.

6 HR 29 oktober 1934, NJ 1935, 60.

7 AM, lees: zijn.

8 Kamerstukken II 1957/58, 5169 (R 112), nr. 5, p. 31.

9 Zie ook HMG 18 augustus 1971, MRT 1971, p. 533 e.v. Verdachte, een dienstplichtige militair, werd door het HMG veroordeeld voor het rijden op een weg op militair terrein met een particuliere auto die technisch niet in orde was.

Artikel 169 WvMS wordt echter zo uitgelegd dat door militairen op de openbare weg begane verkeersovertredingen volgens de commune wegenverkeerswetgeving worden afgehandeld en dat artikel 169 slechts van toepassing is voor gedrag van militairen op andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen; J.Th. van den Bosch, Militair straf- en tuchtrecht, voortgezet door M.M. Dolman, januari 2009, Art. 169-7.

10 Regeling van de Minister van Defensie van 29 november 1993, nr. CWW89/128.

11 Rijksbesluit van 25 november 1999, Stb. 1999, 497.

12 Wet van 14 juli 1990, Stb. 1990, 367.

13 Handboek Strafzaken 70.24.2.b en 70.24.3.b (mr. J.R.G. Jofriet).

14 Prof. mr. G.L. Coolen, Militair tuchtrecht, 2008, p. 44 e.v.

15 Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie, BWBR0006040.