Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BS7980

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
11/00224 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BS7980
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvrage gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1346
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/00224 H

Mr. Machielse

Zitting 30 augustus 2011

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage van 10 april 2002 met parketnummer 09/090388-02, is de aanvrager wegens "medeplegen van poging tot oplichting" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken.

2. Namens de aanvrager heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, een aanvrage tot herziening van de genoemde uitspraak ingediend.

3. De aanvrage berust op de stelling dat een ander dan de aanvrager indertijd het bewezenverklaarde feit heeft begaan en gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvrager. Ter ondersteuning van deze stelling wordt verwezen naar verschillende, met documenten onderbouwde, feiten en omstandigheden.

4. In de aanvrage wordt het volgende aangevoerd. Bij de aanhouding ter zake van het onder 1 genoemde feit zou de broer van de aanvrager, [betrokkene 1], de personalia van aanvrager hebben opgegeven.

5. De aanvrager heeft met betrekking tot het onder 1 genoemde feit reeds twee maal eerder op dezelfde gronden aanvragen tot herziening gedaan.(1) Deze aanvragen zijn door de Hoge Raad afgewezen, omdat uit de overgelegde stukken niet bleek dat [betrokkene 1] zich ook op 5 februari 2002, ten tijde van de aanhouding terzake van het feit waarvoor herziening wordt gevraagd, heeft bediend van de persoonsgegevens van de aanvrager.

6. Bij de onderhavige aanvrage zijn deels dezelfde stukken ingebracht. Voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, zijn thans overgelegd:

(i) een uitdraai uit het urenregistratiesysteem van het Hoofdproductschap Akkerbouw te 's-Gravenhage, toenmalig werkgever van de aanvrager, betreffende het jaar 2002, waaruit blijkt dat de aanvrager 40 uren heeft gewerkt in de week waarin het onder 1 genoemde feit is gepleegd (bijlage 2);

(ii) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de aanvrager en het Hoofdproductschap Akkerbouw van 24 september 2001 (bijlage 2);

(iii) een tweetal werkgeversverklaringen van het Hoofdproductschap Akkerbouw betreffende de aanvrager van 30 mei 2001 en 30 januari 2001 (bijlage 2);

(iv) een verklaring van [betrokkene 1] van 14 oktober 2010, welke ten kantore van advocaat mr. H. Sytema is afgelegd en op schrift is gesteld en door [betrokkene 1] is ondertekend en welke verklaring onder meer inhoudt dat hij, [betrokkene 1], het onder 1 genoemde feit heeft gepleegd en bij zijn aanhouding de personalia van zijn broer, de aanvrager, heeft opgegeven (bijlage 3);

(v) een fotokopie van het paspoort van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] (bijlage 3);

(vi) een fotokopie van een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden van 10 april 2009, onder meer inhoudende een zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1] van 23 maart 2009 inhoudende dat zijn broertje [aanvrager] ten onrechte een celstraf van vijf weken uitzit, dat hij zichzelf voor zijn broertje had uitgegeven, dat hij het feit heeft begaan waarvoor zijn broertje in de gevangenis zit en dat hij zeker weet dat de celstraf welke zijn broertje uitzit een celstraf is welke hij uit moet zitten, omdat hij een valse naam had gebruikt (bijlage 4);

(vii) een fotokopie van een aanvullend proces-verbaal van de politie Regio Friesland van 17 juli 1998, onder meer inhoudende een zakelijk weergegeven verklaring van [betrokkene 1] van 15 juli 1998 inhoudende dat hij bij zijn aanhouding op 1 maart 1998 ter zake van het onbevoegd ledigen van parkeermeters de naam van zijn broer [aanvrager] heeft opgegeven. In datzelfde proces-verbaal relateert de politie op basis van dactyloscopisch onderzoek dat de op 1 maart 1998 aangehouden verdachte inderdaad [betrokkene 1] was (bijlage 4);

(viii) een fotokopie van een handgeschreven verklaring van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975, van 21 januari 2002, in welke verklaring hij erkent dat hij de persoonsgegevens van zijn broer, de aanvrager, heeft gebruikt toen hij door de politie werd ondervraagd in verband met een door hem gepleegde poging tot oplichting op 26 januari 2000, waarvoor zijn broer onder parketnummer 09/092693-00 is veroordeeld. Deze verklaring houdt tevens in dat [betrokkene 1] wel eens meer gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van zijn broer [aanvrager] (bijlage 4).

7. Het stuk (vi) is reeds bij de voorgaande aanvrage tot herziening overgelegd en de stukken (vii) en (viii) zijn reeds bij de beide eerdere aanvragen tot herziening overgelegd. Thans zijn daaraan toegevoegd de bescheiden (i) tot en met (v). Daaronder bevindt zich dus de ten kantore van advocaat H. Sytema afgelegde en op schrift gestelde verklaring van [betrokkene 1] van 14 oktober 2010. Anders dan de stukken welke bij de eerdere aanvragen tot herziening zijn overgelegd, ziet deze verklaring er niet slechts op dat hij vaker bij aanhoudingen de naam van zijn broer, de aanvrager, heeft genoemd, maar ook en meer in het bijzonder dat hij de naam van zijn broer heeft opgegeven toen hij werd aangehouden voor het feit ten aanzien waarvan herziening wordt gevraagd. [betrokkene 1] verklaart immers dat hij op 5 februari 2002 de naam van zijn broer heeft opgegeven toen hij door de politie is aangehouden op verdenking van oplichting. Hij verklaart dat hij, en dus niet zijn broer, het betreffende feit heeft gepleegd.(2)

8. Het voorgaande wekt het ernstige vermoeden, zoals bedoeld in art. 457, eerste lid en onder 2, Sv, dat als de Politierechter hiervan op de hoogte was geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou zijn vrijgesproken. Er is immers voldoende reden om aan te nemen dat sprake is van een persoonsverwisseling.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zoveel nodig de opschorting en schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 9 december 2008, LJN BG6318 en HR 25 mei 2010, LJN BM5545.

2 Ik wil nog opmerken dat [betrokkene 1] bij deze gelegenheid tevens heeft verklaard dat één van zijn bijnamen "[naam]" is. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], beiden medeverdachte in de strafzaak betreffende het feit waarvoor herziening wordt gevraagd, hebben op 5 februari 2002 een verklaring afgelegd bij de politie. [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met een jongen was die hij kent als "[naam]" en dat zijn echte naam iets is als "[naam]" (p. 29 proces-verbaal politie) en [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij samen was met twee jongens, waaronder "[naam]" (p. 35 proces-verbaal politie). Deze verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren de politierechter ten tijde van de terechtzitting van 10 april 2002 reeds bekend. Maar aan de politierechter was niet bekend dat met de aanduidingen "[naam]" en iets als "[naam]" niet aanvrager maar zijn broer is bedoeld, zodat deze verklaringen het door [betrokkene 1] gestelde in zijn verklaring van 14 oktober 2010 mijns inziens wel aannemelijker maken.