Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BS1684

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
10/01815
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2010:BL5742
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BS1684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. IPR. Toepasselijk huwelijksvermogensrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1423
JWB 2011/546

Conclusie

10/01815

Mr L. Strikwerda

Zt. 2 sept. 2011

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze procedure, hierna: de man en de vrouw, zijn op 29 juli 1980 te Igdeli Köyü (Turkije) met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 5 maart 2008 heeft de rechtbank Almelo op verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. Ten aanzien van het nevenverzoek van de vrouw tot het treffen van een voorziening met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft de rechtbank bij de echtscheidingbeschikking overwogen dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Turkse recht van toepassing is als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting. De rechtbank heeft voorts overwogen dat tot 1 januari 2002 het Turkse wettelijk huwelijksgoederenstelsel de algehele scheiding van goederen inhield en dat het er dus voor gehouden moet worden dat er tot 1 januari 2002 van enige huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen geen sprake is.

3. Bij vervolgbeschikking van 19 november 2008 heeft de rechtbank overwogen dat partijen de in 1995 aangekochte echtelijke woning aan [a-straat] te [plaats] in mede-eigendom hebben verkregen. Uit de stellingen van partijen heeft de rechtbank begrepen dat partijen niet enkel wensen dat de gevolgen van de echtscheiding met betrekking tot hun huwelijksvermogensregime worden geregeld, maar dat ook de overige tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen (zoals die met betrekking tot de echtelijke woning) dienen te worden verdeeld. Daarop is volgens de rechtbank Nederlands recht van toepassing, nu een en ander niet wordt bepaald door het huwelijksvermogensregime (beschikking d.d. 19 november 2008, blz. 2).

4. Op het door de man ingestelde hoger beroep tegen (onder meer) de beschikking van de rechtbank d.d. 19 november 2008 heeft het gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 2 februari 2010 (onder meer) overwogen:

"De voormalige echtelijke woning

4.5 Vast staat dat partijen in 1995 gezamenlijk een woning in Nederland hebben gekocht. Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man erkend dat terzake van deze woning een beperkte gemeenschap naar Nederlands recht is ontstaan. (...).

4.6 Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht goederenrecht, voor zover hier van belang, wordt het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt. Het hof is op grond van deze bepaling, evenals de rechtbank, van oordeel dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is (...)."

5. De man heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) cassatie ingesteld met één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

6. Het middel bestrijdt de zojuist aangehaalde r.o. 4.6 in de beschikking van het hof als onjuist. Samengevat betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat erfrechtelijke en huwelijksvermogensrechtelijke kwesties met betrekking tot onroerende zaken volgens Nederlands internationaal privaatrecht niet worden beheerst door de lex rei sitae-regel, doch ingevolge het zogenaamde eenheidsstelsel door de verwijzingsregel voor respectievelijk het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht. Het hof heeft daarom ten onrechte Nederlands in plaats van Turks recht toepasselijk geoordeeld op de verdeling van de voormalige echtelijke woning, aldus het middel.

7. Het middel kan om verschillende redenen geen doel treffen.

8. In de eerste plaats kan het middel geen doel treffen, omdat het oordeel van het hof dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is, in overeenstemming is met het in hoger beroep ingenomen standpunt van de man. Het hof heeft immers onbestreden in cassatie in r.o. 4.5 van zijn beschikking overwogen dat de advocaat van de man ter mondelinge behandeling heeft erkend dat terzake van de voormalige echtelijke woning een beperkte gemeenschap naar Nederlands recht is ontstaan.

9. Bovendien kan het middel geen doel treffen, omdat het bestreden oordeel van het hof juist is. In cassatie staat vast dat op grond van het toepasselijke Turkse huwelijksvermogensrecht tussen partijen vanaf de huwelijkssluiting in 1980 tot 1 januari 2002 geen huwelijksgoederengemeenschap bestond. Voorts staat in cassatie vast dat partijen de voormalige in Nederland gelegen echtelijke woning gezamenlijk in 1995 hebben gekocht. Uit dit een en ander vloeit voort dat de voormalige echtelijke woning geen deel uitmaakt van een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen en dat, nu de woning in Nederland is gelegen, het goederenrechtelijke regime met betrekking tot de woning krachtens de in art. 2 lid 1 van de Wet conflictenrecht goederenrecht (Wet van 25 februari 2008, Stb. 70) neergelegde lex rei sitae-regel wordt bepaald door het Nederlandse recht. Het hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat op de verdeling en verrekening van de overwaarde van de woning niet Turks huwelijksvermogensrecht, maar Nederlands goederenrecht van toepassing is.

10. Anders dan het middel kennelijk wil betogen, doet het zogenoemde eenheidsstelsel in het huwelijksvermogensrecht hieraan niet af. Het eenheidsstelsel betreft de vraag of bij de aanwijzing van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht onderscheid moet worden gemaakt tussen roerende en onroerende zaken. Volgens het eenheidsstelsel is dat niet het geval. Vgl. I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, Deel 7, 3e dr. 2010, nr. 98. Het eenheidsstelsel brengt echter niet mee dat ten aanzien van de aanwijzing van het toepasselijke goederenrecht op door de echtgenoten (gezamenlijk of privé) verworven zaken die buiten de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vallen, de lex rei sitae-regel wordt uitgeschakeld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,