Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR5550

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
09/05214
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR5550
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1438

Conclusie

Nr. 09/05214

Mr. Vegter

Zitting 12 juli 2011 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 16 december 2009 wegens "Het door een rechtspersoon begaan van computervredebreuk, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,- waarvan € 1.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. Mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het namens de verdachte gevoerde verweer dat het Hof onbevoegd is heeft verworpen.

3.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"1. zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2002 tot en met 31 oktober 2003 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland meermalen, althans één maal, opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één of meer database van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), in het bijzonder de ARTOS-server van het ANP, althans in een deel daarvan, is binnen gedrongen, waarbij zij (telkens) de toegang heeft verworven door een technische ingreep, met behulp van valse signalen en/of een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, immers door (telkens) onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan (de eenmanszaak) [C];

2. zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 13 oktober 2004 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland meermalen, althans één maal, opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één of meer database van het ANP, in het bijzonder de ARTOS-server van het ANP, althans in een deel daarvan, is binnen gedrongen, waarbij zij (telkens) de toegang heeft verworven door een technische ingreep, met behulp van valse signalen en/of een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, immers door (telkens) onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan RTV Utrecht en/of Sky Radio."

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2009 houdt het volgende in:

"De raadsman deelt mede twee preliminaire verweren te willen voeren.

Ten eerste voert de raadsman het verweer dat de rechtbank 's-Gravenhage in eerste aanleg onbevoegd was om over de zaak te oordelen en dat dientengevolge het gerechtshof 's-Gravenhage eveneens niet daartoe bevoegd.

De raadsman voert daartoe aan dat [plaats 2] ten onrechte als pleegplaats in de tenlastelegging is vermeld. Het ANP heeft weliswaar haar hoofdvestiging in [plaats 2], maar in de loop van het strafproces is gebleken dat de Artos nieuwsserver van het ANP (en daarmee ook de pleegplaats) zich in [plaats 1] bevindt. Het openbaar ministerie had, door middel van onderzoek met behulp van 'open bronnen' op het internet, ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding kunnen weten dat de Artos nieuwsserver zich in [plaats 1] bevindt. De raadsman merkt verder op dat de verdachte gevestigd is in [plaats 1] en dat ook de zogenaamde cockpit van [verdachte] (hierna: [verdachte]) zich in [plaats 1] bevindt.

Dientengevolge is er geen enkel wettelijk aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de rechtbank 's-Gravenhage om over de zaak te oordelen.

(...)

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het hof als volgt heeft beslist.

Het preliminaire verweer aangaande de bevoegdheid wordt door het hof beoordeeld in het licht van de wettelijke regeling van de relatieve bevoegdheid van de gerechtshoven (artikel 60, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie). De onderhavige zaak is berecht door de rechtbank te 's-Gravenhage. Voor de relatieve bevoegdheid van de rechtbank is artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering bepalend. Die regeling behelst dat in beginsel verschillende rechtbanken gelijkelijk bevoegd kunnen zijn. Het enkele feit dat een andere rechtbank bevoegd kan zijn, sluit zolang de vervolging nog niet is aangevangen een andere gelijkelijk bevoegde rechtbank niet uit. Volgens art. 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is de rechtbank bevoegd binnen welker rechtsgebied het feit is begaan. In het licht van het feitencomplex kunnen daarvoor meerdere plaatsen in aanmerking komen, zoals de plaats waar de verweten handelingen in gang zijn gezet of waar die handelingen effect sorteren Aanknopingspunt is het ten laste gelegde feit en niet het - blijkens het onderzoek op de terechtzitting daarvan mogelijk afwijkende - werkelijk gepleegde feit. Dat aanknopingspunt vormt - onafhankelijk van de vraag of de daarin neergelegde bewering ten laste van de verdachte ook waar is - de maatstaf voor de bepaling van de bevoegdheid van de rechter. Aangever van het tenlastegelegde feit in deze zaak is gevestigd te [plaats 2]. Onderdeel van het tenlastegelegde is, zakelijk weergegeven, dat met een onbevoegd gebruikte inlogcode is ingelogd op een aan aangever toebehorende server. Daarmee is de juridische verhouding tussen de verdachte en de aangever te [plaats 2] in het geding. Het hof acht reeds daarom de rechtbank te 's-Gravenhage ten tijde van het instellen van de vervolging door de officier van justitie bevoegd om kennis te nemen van het tenlastegelegde feit. Derhalve is thans in hoger beroep ook het gerechtshof te 's-Gravenhage de bevoegde instantie. Het hof verwerpt het preliminaire verweer."

3.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2009 gehechte pleitnotities heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Rechtbank Den Haag (en daarmee het hof Den Haag) onbevoegd

Naar de mening van de verdediging is de rechtbank Den Haag onbevoegd om van de tenlastegelegde feiten kennis te nemen. Het Wetboek van Strafvordering biedt enkel aanknopingspunten voor de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam.

De tenlastegelegde feiten zijn niet begaan binnen het grondgebied van de rechtbank Den Haag. Artikel 2 Sv geeft geen aanknopingspunt voor de bevoegdheid. De tenlastelegging vermeldt "[plaats 2]", maar geen enkele, in de tenlastelegging genoemde handeling is in [plaats 2] verricht. [verdachte] bevindt zich in [plaats 1]. De cockpits dus ook. [verdachte] heeft geen vestiging in [plaats 2]. Het kan niet zo zijn dat de bevoegdheid wordt gecreëerd door de enkele, ten onrechte, vermelding in de tenlastelegging.

De hoofdvestiging van het ANP bevindt zich in [plaats 2], maar het ANP zit ook in diverse andere plaatsen. Het ANP heeft bovendien een vestiging in [plaats 1]. Dat zegt dus niet zoveel. Een winkeldief die uit de Albert Heijn in Heerlen iets steelt, wordt niet vervolgd in Haarlem, omdat de hoofdvestiging van AH in Zaandam zit. De locatie van de hoofdvestiging creëert geen bevoegdheid.

[Verdachte] wordt het verwijt gemaakt dat zij onbevoegd heeft ingelogd op de ARTOS nieuwsserver. Deze nieuwsserver bevindt zich niet in [plaats 2], maar in [plaats 1] (namelijk gehost bij [D] in [plaats 1]). Die informatie kan worden ingewonnen bij de ANP helpdesk ([001]). Dat was ook al zo toen de zaak aanhangig werd gemaakt (en had de officier van justitie dus ook al kunnen weten. Ook dat geeft dus geen aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag.

Nu er geen ander aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag kan worden aangenomen, was de rechtbank Den Haag (en nu het hof Den Haag) onbevoegd om van de zaak kennis te nemen."

3.5. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Bevoegdheid

De verdediging heeft ter zitting van 22 september 2009 het verweer gehandhaafd dat de rechtbank 's-Gravenhage in eerste aanleg onbevoegd was om over de zaak te oordelen en dat dientengevolge het gerechtshof 's-Gravenhage eveneens niet daartoe bevoegd was, zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2009.

Het hof is van oordeel dat de motivering die ten grondslag ligt aan de handhaving van het verweer bij het hof niet tot andere inzichten leidt dan zoals verwoord in de motivering van de verwerping van het onderhavige verweer ter zitting van 24 april 2009."

3.6. De relatieve competentie moet, zoals de steller van het middel in beginsel ook wel erkend, worden beoordeeld op de grondslag van de tenlastelegging zoals die luidt ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg.(2) Nu de inleidende dagvaarding inhoudt dat gepleegde feiten zouden zijn gepleegd 'te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland' is 's Hofs oordeel dat (ook) de Rechtbank 's-Gravenhage bevoegd was tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten juist. Indien het Hof vervolgens niet vaststelt dat een van de verweten gedragingen zich in [plaats 2] heeft afgespeeld of daar gevolgen heeft gehad, zal dat dienen te leiden tot vrijspraak van de (in het arrondissement 's-Gravenhage liggende) tenlastegelegde pleegplaats [plaats 2]. Dat is in casu ook gebeurd, het Hof heeft in het onder 2 bewezenverklaarde immers als pleegplaats Nederland opgenomen. Aan de bevoegdheid van de Rechtbank 's-Gravenhage en in het verlengde daarvan het Hof 's-Gravenhage doet dat echter niet af, ook niet als al snel duidelijk was dat [plaats 2] niet als pleegplaats kan worden aangemerkt.

3.7. Voor zover het middel voorts klaagt dat 'van nietigheid [zou] kunnen worden gesproken' omdat 'strikt genomen (...) het Hof op het herhaald gevoerde verweer niet opnieuw [heeft] beslist, nu het immers slechts heeft overwogen dat de motivering niet tot andere inzichten (dan reeds eerder verwoord) heeft geleid' geldt mijns inziens dat geen sprake is van een duidelijke en stellige klacht.(3) In zoverre kan het middel dan ook buiten bespreking blijven. Inhoudelijk is de reactie van het Hof overigens adequaat.(4)

3.8. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

4.1. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

4.2. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:

- een op 4 februari 2008 bij de Rechtbank binnengekomen appelschriftuur van 1 februari 2008, die inhoudt:

"In bovenstaande zaken tegen cliënten ([verdachte] en [betrokkene 1]) is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 28 januari 2008.

(...)

Gelet op de bijzonder korte termijn, zoals die blijkt uit artikel 410 lid 1 jo 414 lid 2 Sv, waarbinnen de verdediging op een zinvolle manier getuigen kan aanzeggen in de hoger beroepsprocedure, treft u onderstaand reeds een opgave aan van de door de verdediging gewenste getuigen. Deze opgave is tot stand gekomen zonder dat ik beschik over een uitgewerkt vonnis en is uit dien hoofde ook niet bijzonder genuanceerd. Gelukkig heeft de Hoge Raad inmiddels beslist dat een ongenuanceerde opgave van verdedigingswensen in dit stadium de verdediging niet kan worden tegengeworpen (Hoge Raad, 4 december 2007, LJN BB7088).

De verdediging wenst als getuigen te horen alle personen die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend danwel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs zal gebruiken. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier."

- een brief van de raadsman van de verdachte van 14 april 2009 aan de Advocaat-Generaal bij het Hof, die onder meer inhoudt:

"De verdediging wenst ter terechtzitting in hoger beroep twee preliminaire verweren te voeren. Mochten die niet slagen, dan wenst de verdediging de navolgende getuigen te horen:

* [getuige 4] (...);

* [getuige 1] (...);

* [getuige 2] (...);

* [getuige 5] (...); en

* [getuige 3] (...).

Toelichting:

(...)

Cliënt kan zich volstrekt niet vinden in de overwegingen van de rechtbank. Voor de vaststelling van de feiten hoe het er in de [betrokkene 2]-periode bij cliënt aan toe ging, wenst de verdediging bovenvermelde personen te horen. Zij waren destijds werkzaam bij cliënt."

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2009 houdt het volgende in:

"De raadsman krijgt de gelegenheid om de getuigenverzoeken in zijn appelschriftuur toe te lichten.

De raadsman verzoekt het hof om de bij brief van 14 april 2009 verzochte getuigen te beschouwen als een nadere aanvulling op het in zijn appelschriftuur gedane 'open' getuigenverzoek, welk getuigenverzoek zowel betrekking heeft op de zaak tegen de verdachte als op de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1]. De raadsman verzoekt dan ook om toepassing van het verdedigingscriterium.

Voorts deelt de raadsman mede dat de door hem bij genoemde brief van 14 april 2009 verzochte getuigen [getuige 4], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 5] en [getuige 3] kunnen verklaren over de dagelijkse gang van zaken bij [verdachte] ten tijde van de [betrokkene 2]-periode. Deze getuigen herkennen zich niet in het beeld dat door de getuige [getuige 6] in haar schriftelijke verklaring dienaangaande wordt geschetst en welke verklaring door de rechtbank als bewijsmiddel in het vonnis is gebruikt.

(...)

Tenslotte deelt de raadsman mede dat hij zich aansluit bij het verzoek van mr. Pijnenburg, raadsman van [medeverdachte], om de getuigen [getuige 6] en [betrokkene 2] te horen.

(...)

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede:

* Het hof zal op een nader te bepalen dag en tijd de volgende getuigen doen horen door een raadsheer-commissaris:

- [getuige 4] (...);

- [getuige 6] (...);

- [betrokkene 2] (...);

- [getuige 7] (...);

- [getuige 5] (...).

Het hof wijst de overige door de raadsman verzochte getuigen af, aangezien het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht en ook overigens de verdediging door afwijzing van dit verzoek niet in haar belangen wordt geschaad."

4.4. In een geval als het onderhavige moet, hoewel in de appelschriftuur wordt volstaan met een in zeer algemene bewoordingen gesteld getuigenverzoek, welk verzoek pas later wordt gespecificeerd, worden aangenomen dat laatstgenoemde getuigen 'bij appelschriftuur' zijn opgegeven.(5) Op een dergelijk verzoek ziet art. 410, derde lid, Sv. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is ingevolge art. 418, eerste lid, in verbinding met art. 288, eerste lid sub c Sv kort gezegd het verdedigingsbelang. Door het verzoek (mede) te toetsen aan het verdedigingsbelang heeft het Hof dus de juiste maatstaf aangelegd bij zijn beslissing op het verzoek van de raadsman. Vervolgens is de vraag of de beslissing van het Hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. De verdediging wilde de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] horen over de dagelijkse gang van zaken bij [verdachte] ten tijde van de [betrokkene 2]-periode. Van die gang van zaken zou [getuige 6] een verkeerd beeld hebben gegeven. Daartoe hadden ze echter ook al gevraagd om de getuigen [getuige 6], [getuige 4] en [getuige 5]. In aanmerking genomen dat het Hof het verzoek tot het horen van die getuigen heeft toegewezen, is 's Hofs oordeel dat de verdediging niet in haar belangen wordt geschaad door het afwijzen van het verzoek de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] te horen, niet onbegrijpelijk. In het licht van de beperkte motivering van het verzoek, welke motivering bijvoorbeeld niet inhoudt dat [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] volstrekt andere dingen zouden kunnen verklaren over de dagelijkse gang van zaken, is die beslissing ook toereikend gemotiveerd.

4.5. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd het namens de verdachte gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging heeft verworpen.

5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2009 houdt het volgende in:

"De raadsman deelt mede twee preliminaire verweren te willen voeren.

(...)

Ten tweede voert de raadsman het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur. Hoewel het openbaar ministerie een ruime beleidsvrijheid heeft in de keuze van het vervolgen van verdachten, is er in deze strafzaak een grens overschreden. Uit onderzoek van [D] is gebleken dat destijds 47 bedrijven hebben ingelogd op de nieuwsserver van het ANP, waaronder [verdachte]. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het ANP aangifte tegen de verdachte gedaan.

Het openbaar ministerie heeft zelf echter onvoldoende onderzoek gedaan naar de frequentie en de duur van het inloggen door de andere bedrijven die uit het onderzoek van [D] naar voren zijn gekomen. Het openbaar ministerie heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom het alleen de verdachte en de leidinggevenden van [verdachte] heeft vervolgd. In dat licht bezien is het onbegrijpelijk waarom niet ook [getuige 7] door het openbaar ministerie is vervolgd, aangezien [getuige 7] in de [C]-periode een 55% meerderheidsbelang in [verdachte] had.

(...)

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het hof als volgt heeft beslist.

(...)

Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof met betrekking tot het verweer strekkende tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege schending van het verbod op willekeur heeft beslist als volgt. Het feit dat niet al diegenen die op dezelfde voet als de verdachte in aanmerking zouden komen om aangaande het onderhavige feitencomplex vervolgd te worden, maakt niet dat reeds daarom sprake is van willekeur waardoor in strijd met het beginsel van een behoorlijke rechtspleging zou worden gehandeld. Voor een verdergaande toetsing van de keuze verdachte te vervolgen is in het kader van de summiere beoordeling van een preliminair verweer geen plaats. Het preliminaire verweer waarin de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt bestreden, wordt verworpen."

5.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2009 gehechte pleitnotities heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Openbaar ministerie niet ontvankelijk

[Betrokkene 1] heeft in zijn verhoor bij de politie al aangegeven dat hij volstrekt niet begrijpt waarom [verdachte] wordt vervolgd en anderen met rust worden gelaten. Naar de mening van cliënten is sprake van willekeur en schending ven het gelijkheidsbeginsel door alleen onderzoek te doen naar [verdachte] en alleen cliënten te vervolgen, terwijl uit het [D]- rapport blijkt dat 46 andere bedrijven gelijksoortige handelingen hebben verricht, zonder dat enig onderscheid is te maken in frequentie, duur, etc. Het zou wellicht anders zijn als was gebleken dat [verdachte] vaker ingelogd dan die andere bedrijven, maar daarvan blijkt niets. Onderzoek naar de 46 andere IP-adressen waarvandaan met dezelfde codes is ingelogd in de nieuwsserver van het ANP, is simpelweg niet verricht.

Het openbaar ministerie zou over de wens van het ANP heen moeten kijken en zou in het onderzoek en de mogelijke vervolging ook de 46 andere personen moeten betrekken. Het openbaar ministerie heeft een grote vrijheid in het al dan niet vervolgen van personen, maar deze vrijheid kent ook zijn grenzen.

Die grenzen zijn hier overschreden, nu er sprake is van 47 volstrekt identieke gevallen, nu er tussen de 47 bedrijven geen onderscheid is te maken in de wijze waarop en de mate waarin het mogelijk grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden en nu het openbaar ministerie alleen onderzoek heeft gedaan naar [verdachte], alleen cliënten vervolgt en de andere 46 bedrijven met rust laat.

(...)

Volgens de verdediging is door zo te handelen sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden

verklaard in de vervolging."

5.4. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter zitting van 22 september 2009 het verweer gehandhaafd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2009.

Het hof is van oordeel dat de motivering die ten grondslag ligt aan de handhaving van het verweer bij het hof niet tot andere inzichten leidt dan zoals verwoord in de motivering van de verwerping van het onderhavige verweer ter zitting van 24 april 2009."

5.5. Als ik de toelichting goed begrijp, klaagt het middel in de kern dat de beslissing van het Hof op het preliminaire verweer een voorlopig karakter draagt en dat het Hof bij zijn beslissing op het herhaalde verweer slechts heeft verwezen naar de eerdere, marginale beoordeling en het verweer mitsdien ten onrechte niet integraal heeft beoordeeld. In zoverre leidt de bestreden uitspraak aan een motiveringsgebrek, aldus de steller van het middel.

5.6. Anders dan kennelijk de steller van het middel lees ik de beslissing van het Hof aldus dat het Hof later alsnog 'vol' toetsend op basis van dezelfde argumenten tot hetzelfde oordeel als op het preliminaire verweer komt. Ik zie niet direct in waarom dat niet zou kunnen. Niet is aangevoerd welke van de ter zitting aangevoerde feitelijke omstandigheden (die overigens nagenoeg gelijk zijn als de ter onderbouwing van het preliminaire verweer aangevoerde omstandigheden) maken dat de reactie van het Hof op het verweer ontoereikend is.

Voor zover in de toelichting wordt aangevoerd dat de raadsman uitdrukkelijk heeft onderbouwd dat en waarom hij van oordeel is dat het Openbaar Ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld, terwijl het Hof van dit standpunt is afgeweken, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot dit andersluidende oordeel hebben geleid, waarmee de raadsman kennelijk bedoeld te klagen over schending van art. 359, tweede lid, Sv, geldt het volgende. Een dergelijk verweer is een verweer als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv. Dienaangaande geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling.(6) Daarop stuit de klacht af. Overigens heeft het Hof ook aan dat motiveringsvoorschrift voldaan. Daarbij is 's Hofs verwerping niet onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat anderen niet zijn vervolgd maakt de vervolging nog niet willekeurig. Opportuniteitsredenen kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat het volstaat slechts één (rechts)persoon te vervolgen in plaats van 47.

5.7. Ook dit middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de gedragingen van de individuele redacteuren aan de verdachte als rechtspersoon kunnen worden toegerekend en tevens dat de verdachte de feiten 'opzettelijk' heeft gepleegd.

6.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 13 oktober 2004 in Nederland meermalen opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één database van het ANP, de ARTOS-server van het ANP is binnen gedrongen, waarbij zij (telkens) de toegang heeft verworven met behulp van een valse sleutel, immers door (telkens) onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan RTV Utrecht en/of Sky Radio."

6.3. Het Hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden, nr. PL1561/2004/28308-02 (p. 19 e.v.), opgemaakt op ambtseed en ondertekend op 22 december 2004 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in zakelijk weergegeven:

als de op 22 december 2004 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben werkzaam als Algemeen Directeur bij het ANP en gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte tegen [verdachte]: die niet het recht of de toestemming heeft gekregen om de informatie van het ANP zonder te betalen en zonder toestemming tot zich te nemen. De schriftelijke aangifte en het onderzoek van [D] overhandig ik u als bijlagen bij dit proces-verbaal.

2. Een geschrift zijnde een schriftelijke aangifte tegen [verdachte], d.d. 22 december 2004 (p.22 e.v.), opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 3], Algemeen Directeur van het ANP, gevoegd als bijlage bij het onder 1 genoemde proces-verbaal met nummer PL1561/2004/28308-4. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

Hierbij doe ik aangifte van computervredebreuk, gepleegd door [verdachte]

Het ANP en [verdachte] zijn beide aanbieders van onder meer binnenlands nieuws. Het ANP heeft in de recente maanden geconstateerd dat [verdachte] zich met valse wachtwoorden toegang heeft verschaft tot het besloten computersysteem van het ANP. Het ANP stelt haar nieuwsdatabank op verschillende wijzen en tegen vergoeding aan haar klanten beschikbaar, onder meer via besloten diensten die toegankelijk zijn via het internet. Alle kanalen zijn beveiligd tegen ongeautoriseerde toegang, door middel van gebruikersnamen en wachtwoorden.

Het gaat om de nieuwsserver die bereikbaar is onder de domeinnaam artos2.anp.nl. Deze server is de ANP Realtime Ontvangst Server, of wel: ARTOS-nieuwsserver. Klanten van de Artos nieuwsserver kunnen - tegen betaling - met behulp van een gebruikersnaam en wachtwoord inloggen op deze dienst van het ANP. Het viel het ANP reeds langere tijd op dat [verdachte] telkens min of meer dezelfde selectie uit het nieuws gebruikte en met precies dezelfde onderwerpen kwam als het ANP. Dit geldt voornamelijk voor het binnenlands nieuws. Daardoor rees bij het ANP het vermoeden dat [verdachte] de dienst van het ANP gebruikte voor haar eigen dienst.

Het ANP heeft in juni en juli 2004 een onderzoek verricht, waarbij de artikelen van het ANP werden vergeleken met de artikelen van [verdachte]. Uit onderzoek bleek dat circa driekwart van de artikelen van [verdachte] over precies dezelfde onderwerpen gaat als de artikelen van het ANP. De artikelen hebben telkens min of meer dezelfde koppen. De artikelen van [verdachte] verschijnen in vrijwel alle gevallen later dan die van het ANP. Daarnaast hebben oud-medewerkers van [verdachte] aan het ANP bevestigd dat er bij [verdachte] in belangrijke mate wordt geleund op de nieuwsdatabank van het ANP. Het ANP] heeft aan [D] BV opdracht gegeven te onderzoeken of [verdachte] zich toegang verschafte tot de besloten databank van het ANP. [D] heeft geconcludeerd dat dit inderdaad het geval is. [D] stelt onder meer vast dat [verdachte] met valse wachtwoorden, althans wachtwoorden van anderen, zich toegang verschaft tot de ARTOS-nieuwsserver en dat [verdachte] iedere ochtend tussen circa 06.00 uur en 07.00 uur inlogt op de ARTOS-nieuwsserver en rond 23.00 uur weer uitlogt.

In haar rapport concludeert [D] dat [verdachte] [verdachte] via internet en zonder toestemming grote hoeveelheden nieuwsartikelen van het ANP heeft opgevraagd op de besloten server van het ANP.

[Verdachte] heeft geen abonnement op de nieuwsdienst van het ANP. Bij het verschaffen van toegang tot de ARTOS-server heeft [verdachte] gebruik gemaakt van gebruikersnamen en wachtwoorden die toebehoren aan RTV Utrecht en Sky Radio. RTV Utrecht en Sky Radio hadden en hebben geen toestemming om deze wachtwoorden aan derden te verschaffen. Toen het ANP [verdachte] met het onomstotelijke bewijs van [D] confronteerde, heeft zij erkend dat haar werknemers zich toegang tot de database van het ANP hebben verschaft.

3. Het relaas proces-verbaal ven de politie haaglanden, nr. PL1561/2004/28308-4 (p. 5 e.v.), op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 24 juli 2006 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

BIJLAGEN BlJ DE AANGIFTE

[Betrokkene 3], in de hoedanigheid van directeur van het ANP, leverde bij de aangifte een groot aantal bijlagen in. Deze bijlagen zijn toegevoegd aan dit proces-verbaal en worden hieronder genoemd.

RAPPORT [D] B.V. (NR. 20406/066 ANP)

Om de toedracht van deze feiten te onderzoeken maakte het ANP gebruik van de diensten van [D] B.V.. [D] deed onderzoek naar de toedracht van de misdrijven en stelde daarover een rapport op.

4. Een geschrift zijnde een niet ondertekend rapport met nr. 2006/066-ANP, met dagtekening 20 oktober 2004 (p.108 e.v.), gevoegd als bijlage bij het onder 3 vermelde proces-verbaal. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

In opdracht van het ANP is onderzocht of, en zo ja hoe, [verdachte] toegang had tot de nieuwsartikelen van het ANP. [Verdachte] betreft [verdachte]. Vastgesteld werd dat [verdachte] gebruik maakte van een internetaansluiting met het IP-adres [002]. Vanaf dit IP-adres werden over het internet verbindingen opgezet naar de server artos2.anp.nl. Op deze server kunnen abonnees van het ANP via webpagina's de nieuwsartikelen van het ANP opvragen. De server artos2.anp.nl is beveiligd met een inlognaam en wachtwoord.

Uit de logbestanden van de server artos2.anp.nl werd bekend dat vanaf het IP-adres [002]:

- werd ingelogd met de gebruikersnamen die aan anderen zijn verstrekt, namelijk 'skyned' en 'rtvutrecht' met bijbehorende wachtwoorden. Deze inlognamen behoren toe aan de bedrijven RTV Utrecht en Sky Radio.

- in de periode van 4 augustus tot en met 24 augustus 2004 1353 artikelen werden opgevraagd. Van 's morgens 06.00/07.00 uur tot 's avonds 23.00/24.00 uur pagina's werden opgevraagd, waarbij werd aangemeld met de gebruikersnamen 'skyned' en 'rtvutrecht'.

In de periode van 24 augustus tot en met 24 september 2004 werden in totaal 1719 nieuwsartikelen opgevraagd.

5. Een geschrift zijnde een redactiestatuut ven [verdachte], d.d. 1 oktober 2003, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], Algemeen Directeur [A], en [medeverdachte], Algemeen Hoofdredacteur [verdachte] B.V.. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

[Verdachte] is een persbureau met een volledig nieuwsaanbod. [Verdachte] is het bedrijf waar alle journalistieke operaties zijn ondergebracht. [Verdachte] is voor 100 procent in handen van [A].

De algemeen hoofdredacteur van [verdachte] is [medeverdachte]. De uitgever/directeur is [betrokkene 1]. De hoofdredacteur bewaakte de redactionele formule. Wijzigingen behoeven altijd zijn instemming. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor alle journalistieke producten die namens [A] worden vervaardigd.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden, nr. PL1561/2004/28308-16 (p. 81 e.v.), d.d. 12 mei 2006, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 12 mei 2006 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

als de op 12 mei 2006 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Het klopt dat ik van 1 april 2004 tot 1 oktober 2004 bij [verdachte] heb gewerkt. Het klopt dat ik gedurende die tijd de inlogcodes van het ANP (het hof leest: verstrekt door) heb gebruikt om in te loggen op de website van het ANP. Het klopt dat de inlogcodes van het ANP op een papiertje op het beeldscherm in de cockpit van het kantoor van [verdachte] zaten geplakt. Dat was om het gemakkelijk te maken bij [verdachte]. Het klopt dat niet alleen ik de codes kon gebruiken. Die lijn stond dag en nacht open. Dat liep echt uit de hand. Ik heb de codes meegenomen van mijn oude werkgevers [RTV Utrecht] en [Sky Radio].

7. Het proces-verbaal verhoor van getuigen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te 's-Gravenhage ondertekend op 24 juni 2009. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven:

als de op 24 juni 2009 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 2]:

Ik sta nog geheel achter mijn verklaring die ik in mei 2006 bij de politie heb afgelegd. [medeverdachte] was mijn hoofdredacteur. Op de nieuwsredactie werd gebruik gemaakt van de ANP nieuwsdienst. Die bron werd als extra check gebruikt. In die tijd wilden wij graag weten wie er eerder was met het nieuws: het ANP of wij. Bij sommige collega's heb ik gezien dat zij de browser continu open hadden staan. Op de redactie is nooit iets gezegd dat die browser minder of gedurende kortere tijd open zou moeten staan. Daar was eigenlijk geen controle op. Het gebeurde wel dat zelfs aan het einde van de dag niet werd uitgelogd, zodat de volgende ochtend ook niet meer op de ANP-server hoefde te worden ingelogd. Ik trad in april 2004 in dienst bij [verdachte]. Ik had alleen met [medeverdachte] te maken. Ik heb de inlogcodes aan de andere redacteuren gegeven.

8. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te 's-Gravenhage ondertekend op 5 september 2007. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 5 september 2007 tegenover deze rechter commissaris afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

[Verdachte] heeft twee doelstellingen. We wilden een ander geluid laten horen dan het ANP. Daarnaast is het ANP een monopolist op deze markt en daar wilden wij iets aan doen. Wij wilden marktaandeel krijgen.

9. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te 's-Gravenhage, ondertekend op 19 juni 2009. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 19 juni 2009 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige 4]:

Medio 2004 ben ik de rechterhand van [medeverdachte] geworden. Als chef Binnenland had ik een leidinggevende rol en daarnaast hield ik mij bezig met verslaggeving. De ANP nieuwsbron werd veel geraadpleegd. Dat gebeurde met behulp van een inlogcode. De inlogcode die ik voor de ANP-server gebruikte had ik van [betrokkene 2] gekregen. Ik wist dat in die code iets stond van RTV Utrecht. Ik wist dat [betrokkene 2] daar had gewerkt of daar nog werkzaam was. Ik ging er dan ook vanuit dat die code daar vandaan kwam. [medeverdachte] was mijn baas. Ik kan mij herinneren dat het ANP op een gegeven moment bezwaar heeft gemaakt dat er bij ons gebruik werd gemaakt van hun server. Ik meen dat dat in oktober 2004 is geweest. [Medeverdachte] heeft toen per direct verboden nog langer met die bron te werken. Het was op de redactie vanzelfsprekend dat er gebruik werd gemaakt van de ANP-server. Daar werd verder niet over gesproken. Destijds was er sprake van een journalistieke wedstrijd om het ANP te verslaan. Je wilde nieuws eerder brengen dan het ANP en raadpleegde het ANP om te zien of zij datzelfde nieuws al eerder hadden gebracht. De directie joeg de concurrentie met het ANP na.

10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden, nr. PL1561/2004/28308-9 (p. 66 e.v.), d.d. 17 februari 2006, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 17 februari 2006 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

als de op 17 februari 2006 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 5]:

Ik ben op 1 september 2004 directeur van [A] geworden. Ik ben verantwoordelijk voor de commerciële activiteiten. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de nieuwsvergaring en verspreiding. De hoofdredacteur is [medeverdachte]. Hij was er al toen ik in 2004 kwam en hij is er nog steeds. Eens per twee weken is er een managementvergadering van het MT. [medeverdachte] neemt daar ook aan deel.

[Medeverdachte] viel en valt onder mijn verantwoordelijkheid. Ik erken dat is gebleken dat enkele medewerkers van [verdachte] kennelijk enige tijd gebruik hebben gemaakt van de server van het ANP, zonder dat [verdachte] daarvoor een legale toegangscode had.

11. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te 's-Gravenhage, ondertekend op 19 juni 2009. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 19 juni 2009 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige 5]:

lk sta nog steeds achter mijn verklaring bij de politie van 17 februari 2006. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de redactie en daarmee ook voor de gang van zaken op de redactie en in de cockpit.

12. Een geschrift, zijnde een overeenkomst tussen ANP Radio B.V. en Sky Radio B.V., d.d. 4 augustus 2003 (p. 294 e.v.), opgemaakt en ondertekend door mr. [Betrokkene 3] (Algemeen Directeur ANP namens Algemeen Nederlands Persbureau Radio B.V.) en [betrokkene 4] (Directeur Sky Radio B.V.). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

De ondergetekenden:

A. ANP Radio B.V.

en

B. Sky Radio B.V.

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 2. Omschrijving van de Dienst

De Dienst bestaat uit geschreven algemene nieuwsbulletins voor de radiozender Sky Radio. Het ANP levert tevens aan Sky Radio de ruwe nieuwsleed die uitsluitend bedoeld is voor het zelf samenstellen van nieuwsbulletins.

Artikel 3. Het gebruik van de Dienst

Het is Sky Radio niet toegestaan om (delen van) de Dienst aan derden te leveren.

Artikel 15.1

Deze overeenkomst treedt in werking op 1 juli 2003 en wordt afgesloten voor de periode tot 1 januari 2005, met stilzwijgende verlenging voor steeds 1 jaar, tenzij één der partijen de overeenkomst drie maanden voor het eind van de lopende termijn middels aangetekend schrijven opzegt.

Artikel 17.3 Algemeen

De rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst zijn niet zonder toestemming van de wederpartij aan derden overdraagbaar.

13. Een geschrift, zijnde een overeenkomst tussen B.V. Algemeen Nederlands Persbureau ANP en [E], d.d. 5 september 2002 (p.300 e.v.), opgemaakt en ondertekend door mr. [betrokkene 3] (Algemeen Directeur ANP) en [betrokkene 5] (Hoofd Personeel en Organisatie van [E]). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

De ondergetekenden:

A. Algemeen Nederlands Persbureau ANP

en

B. [E],

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 2. Begripsomschrijvingen en afkortingen

Originators: partijen die content maken

Syndicators: Partijen die content afkomstig van Originators verzamelen, eventueel verrijken en vervolgens distribueren voor hun afnemers

Artikel 4. Omschrijving van de Dienst

[het ANP] en Cliënt komen overeen dat het ANP de Dienst ter beschikking stelt aan Client voor inzage door de redactie en voor publicatie.

Artikel 5.1

Deze overeenkomst treedt in werking op 1 januari 2002 en wordt afgesloten voor de duur van 8 (acht) maanden zonder tussentijdse opzegging waarna de overeenkomst van rechtswege eindigt.

Artikel 6. Toegestane gebruik

Cliënt kan de Dienst niet op enigerlei wijze doorleveren aan onder meer Syndicators ten behoeve van wederverkoop of enige andere toepassing dan genoemd artikel.

Artikel 8.1

Cliënt zal, zonder schriftelijke toestemming vooraf van het ANP, de Dienst op geen enkele andere wijze aanwenden dan bedoeld in artikel 6.

Artikel 9. Levering

De Dienst wordt door [het ANP] geleverd via een aansluiting op artos2.anp.nl, welke verbinding 24 uur per dag open staat.

Artikel 17.3 Algemeen

De rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst zijn zonder toestemming van de wederpartij niet aan derden overdraagbaar."

6.4. De bestreden uitspraak houdt voorts in:

"Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, op gronden zoals nader omschreven in de door de raadsman ter zitting van 22 september 2009 overgelegde pleitnotitie.

Het hof is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt allereerst vast dat het onder 2 tenlastegelegde een delict betreft dat door een rechtspersoon - de geadresseerde van de norm - kan worden begaan.

Voorts stelt het hof vast dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat door natuurlijke personen, zijnde de redacteuren die gedurende de tenlastegelegde periode werkzaam waren voor de verdachte, door middel van het onbevoegd gebruik van een of meerdere inlogcode(s), die door [betrokkene 2] waren meegenomen van zijn vorige werkgevers RTV Utrecht en Sky Radio en door hem aan bij de verdachte werkzame collegaredacteuren beschikbaar was/waren gesteld, meermalen computervredebreuk is gepleegd in de database van het ANP. Die database bevond zich op de beveiligde ARTOS-server van het ANP.

Ten aanzien van de vraag of de genoemde verboden gedragingen van die individuele redacteuren aan de rechtspersoon redelijkerwijs kunnen worden toegerekend, overweegt het hof als volgt.

De gedragingen van de individuele redacteuren werden verricht in het kader van de taak en doelstellingen van de rechtspersoon. Uit het redactiestatuut blijkt dat [verdachte] een persbureau is met een volledig nieuwsaanbod.

Uit de verklaring die [betrokkene 2] op 24 juni 2009 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, blijkt dat op de nieuwsredactie gebruik werd gemaakt van de ANP nieuwsdienst en dat die bron als extra check werd gebruikt. [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat men in die tijd bij [verdachte] graag wilde weten wie eerder was met het nieuws: het ANP of [verdachte]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de medeverdachte [betrokkene 1] op 5 september 2007 als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [verdachte] twee doelstellingen had. De eerste doelstelling was dat [verdachte] een ander geluid wilde laten horen dan het ANP. De tweede doelstelling was dat [verdachte] iets wilde doen aan de monopoliepositie van het ANP. Ook [getuige 4] heeft tijdens zijn verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris op 19 juni 2009 verklaard dat er sprake was van een journalistieke wedstrijd om het ANP te verslaan en dat het doel was om eerder nieuws te brengen dan het ANP. De website van het ANP werd gecheckt om te zien of zij dat nieuws al eerder hadden gebracht. Volgens [getuige 4] joeg de directie van [verdachte] de concurrentie met het ANP na.

Naar het oordeel van het hof hebben de hiervoor genoemde gedragingen ook in het maatschappelijk verkeer te gelden als gedragingen van de rechtspersoon en zijn die gedragingen bovendien dienstig geweest aan de rechtspersoon. Aldus hebben de hiervoor genoemde gedragingen plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.

Voorts blijkt uit het redactiestatuut dat de leiding van de rechtspersoon zeggenschap kon uitoefenen over de gedragingen van de individuele redacteuren.

De medeverdachte [medeverdachte] was aangesteld als algemeen hoofdredacteur. Uitgever/directeur was de medeverdachte [betrokkene 1]. [getuige 5] heeft op 17 februari 2006 bij de politie verklaard dat hoofdredacteur [medeverdachte] onder zijn verantwoordelijkheid viel als directeur van [verdachte] en dat [medeverdachte] deelnam aan de managementvergadering die eens per twee weken plaatsvond.

[Betrokkene 2] heeft op 24 juni 2009 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij op de binnenlandredactie eindredacteur was en dat hij met hoofdredacteur [medeverdachte] de werkwijze in journalistieke zin en technische zaken besprak. [Getuige 4] heeft op 19 juni 2009 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat [medeverdachte] zijn baas was en dat hij ([getuige 4]) zijn rechterhand was. Als chef binnenland had [getuige 4] een leidinggevende rol en naast die rol hield hij zich bezig met verslaggeving.

Tenslotte is het hof van oordeel dat de verdachte de verboden gedragingen van de individuele redacteuren heeft aanvaard. [Betrokkene 2] heeft op 12 mei 2006 bij de politie verklaard dat hij gedurende de onder 2 tenlastegelegde periode bij [verdachte] heeft gewerkt en dat hij de inlogcodes van het ANP heeft gebruikt om op de website van het ANP in te loggen. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat hij die codes had meegenomen van zijn vorige werkgevers RTV Utrecht en Sky Radio. Die inlogcodes van het ANP zaten op een papiertje op het beeldscherm in de cockpit van [verdachte] geplakt en waren daarmee zichtbaar voor alle redacteuren/gebruikers van die cockpit. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat hij niet de enige was die de codes gebruikte en dat de lijn dag en nacht open stond.

Tijdens zijn verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris op 24 juni 2009 heeft [betrokkene 2] verklaard dat [medeverdachte] zijn hoofdredacteur was en dat op de nieuwsredactie - waar [betrokkene 2] op dat moment werkzaam was - gebruik werd gemaakt van de ANP nieuwsdienst. Deze bron werd als extra check gebruikt. [Betrokkene 2] heeft tevens verklaard dat er geen controle was op de duur waarmee de browser van de [A] nieuwsdienst open stond. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij met [medeverdachte] de werkwijze in journalistieke zin en technische zaken besprak en dat hij alleen met [medeverdachte] te maken had.

[Getuige 4] heeft op 19 juni 2009 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij medio 2004 de rechterhand van hoofdredacteur [medeverdachte] was geworden op de redactie van [verdachte]. Volgens [getuige 4] werd de ANP-nieuwsbron veel geraadpleegd op de redactie, hetgeen met behulp van een inlogcode gebeurde. De inlogcode die [getuige 4] voor de ANP-server gebruikte had hij van [betrokkene 2] gekregen. [Getuige 4] wist dat [betrokkene 2] had gewerkt bij RTV Utrecht en of daar nog werkzaam was. [Getuige 4] ging er dan ook vanuit dat die code daar vandaan kwam.

[getuige 4] heeft voorts verklaard dat hoofdredacteur [medeverdachte] zijn baas was en dat hij nauw met hem heeft samengewerkt. Tot slot heeft [getuige 4] verklaard dat het op de redactie vanzelfsprekend was dat er gebruik werd gemaakt van de ANP-server. De redactieleiding heeft met betrekking daartoe in de onder 2 bewezen verklaarde periode lange tijd niet ingegrepen.

Het hof is van oordeel dat uit de bovengenoemde verklaringen blijkt dat de verboden gedragingen van de individuele redacteuren en de feitelijke gang van zaken op de redactie met betrekking tot het gebruik van de ANP-server werden gebillijkt.

Het hof is van oordeel dat hoofdredacteur [medeverdachte] als leidinggevende opzet had op de verboden gedragingen van de individuele redacteuren en dat die opzet kan worden toegerekend aan de verdachte."

6.5. Het middel bevat volgens de steller van het middel twee klachten die zich lenen voor gezamenlijk bespreking. Dat klinkt helder, maar is het wat mij betreft niet. De eerste klacht heeft volgens de steller van het middel betrekking op het zogenoemde aanvaardingscriterium en het daarmee samenhangende vereiste van wetenschap. Namens de verdachte is aangevoerd dat geen van de leidinggevenden wetenschap heeft gehad van de (verboden) gedragingen van de individuele redacteuren. Dat gebrek aan wetenschap werkt tevens door in het vereiste opzet, aldus de steller van het middel. Ik neem aan dat de tweede klacht daarmee verband houdt. In het vervolg van de toelichting wijst de steller van het middel op 's Hofs oordeel 'dat de hoofdredacteur [medeverdachte] als leidinggevende opzet had op de verboden gedragingen van de individuele gedragingen en dat die opzet kan worden toegerekend aan de verdachte'. Het opzet van [medeverdachte] kan volgens de steller van het middel echter niet uit de bewijsmiddelen volgen, met name kan daaruit niet volgen dat bij [medeverdachte] wetenschap ten aanzien van het gebruik van de inlogcodes aanwezig was. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat de wetenschap bij [medeverdachte] niet vereist is om opzet aan te nemen, is dat oordeel volgens de steller van het middel zonder nadere motivering onjuist althans onbegrijpelijk. Indien het Hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat die wetenschap wel aanwezig is geweest, geldt volgens de steller van het middel zoals gezegd dat zulks niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

6.6. Ik merk op dat, hoewel het middel zelf ruimer is gesteld, de in de toelichting geformuleerde klachten slechts lijken te zien op het bewezenverklaarde opzet, en niet zozeer op het daderschap van de rechtspersoon. De vraag of een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van de hem tenlastegelegde gedragingen moet los worden gezien van de vraag of sprake is van opzet.(7) In eerste instantie lijkt de steller van het middel dat ook wel te doen, maar in de toelichting verdwijnt het onderscheid.

6.7. Wat betreft het daderschap van de rechtspersoon moet het volgende worden vooropgesteld. Een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.(8)

6.8. Zoals hiervoor onder 6.4 is weergegeven, heeft het Hof uitgebreid uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat de bewezenverklaarde gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het Hof heeft geoordeeld dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat de gedragingen van de individuele redacteuren werden verricht in het kader van de taak en doelstellingen van de rechtspersoon. De eerste doelstelling van de rechtspersoon was het laten horen van een ander geluid dan ANP. De tweede doelstelling was iets doen aan de monopoliepositie van het ANP. Het Hof heeft vastgesteld dat op de nieuwsredactie gebruik werd gemaakt van de ANP nieuwsdienst, dat die bron als een extra check werd gebruikt, dat men in die tijd bij [verdachte] graag wilde weten of zij of het ANP eerder waren met het nieuws en dat ook daartoe de website van het ANP werd gecheckt, dat er sprake was van een journalistieke wedstrijd om het ANP te verslaan en dat de directie van [verdachte] de concurrentie met het ANP najoeg. Het Hof heeft geoordeeld dat deze gedragingen ook in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als gedragingen van de rechtspersoon en dat die gedragingen dienstig zijn geweest aan de rechtspersoon. In het licht van die omstandigheden is 's Hofs oordeel dat de gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon niet onbegrijpelijk. Daarover klaagt het middel ook niet. En daarop stuit de klacht over het daderschap van de rechtspersoon reeds af. De vaststelling dat sprake is van gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon draagt het oordeel dat de gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend zelfstandig. Het zogenoemde aanvaardingscriterium is, zoals ook uit het onder 6.7 overwogene volgt, slechts een van de omstandigheden die kan bijdragen aan de vaststelling dat sprake zou kunnen zijn van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon. Het is, anders dan kennelijk de steller van het middel wil, geen constitutief vereiste voor het aannemen van daderschap van de rechtspersoon. Nu het middel hieromtrent verder geen klachten formuleert, laat ik het hierbij.

6.9. De tweede klacht betreft kennelijk het (ontbreken van) opzet, dat volgens de steller van het middel bij de medeverdachte [medeverdachte] ontbrak en dus ook niet kan worden toegerekend aan de verdachte. Daarbij is volgens de steller van het middel kennelijk van belang dat de leidinggevenden binnen het bedrijf geen wetenschap hadden van de (verboden) gedragingen. Met 'leidinggevenden' wordt dan, zo begrijp ik de toelichting, de hoofdredacteur [medeverdachte] bedoeld.

6.10. Voor het bewijs van opzet bij de rechtspersoon is niet per se vereist dat komt vast te staan dat namens die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet kan ook worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.(9)

Het Hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte] was aangesteld als algemeen hoofdredacteur. De eindredacteur van de binnenlandredactie was [betrokkene 2], degene die de inlogcodes had meegenomen van zijn vorige werkgevers, RTV Utrecht en Sky Radio. Op de nieuwsredactie werd gebruik gemaakt van de [het ANP]-nieuwsdienst. De inlogcodes van het ANP waren, om het makkelijk te maken, op een papiertje op het beeldscherm in de cockpit van [verdachte] geplakt en daarmee zichtbaar voor alle redacteuren/gebruikers van die cockpit. [betrokkene 2] was niet de enige die de codes gebruikte, hij heeft de codes ook aan andere redacteuren gegeven, en de lijn stond dag en nacht open. [betrokkene 2], besprak met [medeverdachte] de werkwijze in journalistieke zin en de technische zaken.

De rechterhand van [medeverdachte] was [getuige 4], chef binnenland. [Getuige 4] en [medeverdachte] werkten nauw samen. [Getuige 4] had een leidinggevende rol en hield zich daarnaast bezig met verslaglegging. De voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 4] houdt onder meer in dat het op de redactie vanzelfsprekend was dat gebruik werd gemaakt van de ANP-server en dat de redactieleiding met betrekking daartoe in de onder 2 bewezenverklaarde periode lange tijd niet heeft ingegrepen.

Uit de bewijsmiddelen kan mitsdien worden afgeleid dat het gebruik maken van de ANP-server een vanzelfsprekende werkwijze op de redactie was, dat de eindredacteur de werkwijze in journalistieke zin en de technische zaken met [medeverdachte] besprak en dat de redactieleiding lange tijd niet heeft ingegrepen. Tegen de achtergrond van die omstandigheden is 's Hofs oordeel dat de verdachte, onder meer middels [medeverdachte], opzet had op de verboden gedragingen niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.

6.11. Ook dit middel faalt.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (10/00049) waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 HR 30 juni 2009, LJN BI4030, NJ 2010/230 m.nt. Mevis.

3 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 172 e.v. over de aan cassatiemiddelen te stellen eisen.

4 Vgl. HR 13 januari 2009, LJN BG4829, NJ 2009/60 en HR 2 februari 2010, zaaknr. 08/04678 (niet gepubliceerd).

5 Vgl. HR 4 december 2007, LJN BB7088, NJ 2008/20.

6 Vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130 m.nt. Buruma.

7 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006/328 m.nt. Mevis, rov. 3.5. Zie ook NLR, aantekening 6 bij art. 51 Sr en de conclusie (onder 10) van mijn ambtgenoot Aben vóór HR 12 januari 2010, LJN BK2149.

8 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006/328 m.nt. Mevis en HR 22 februari 2011, LJN BN7719, NJ 2011/124 m.nt. Mevis.

9 Vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130 m.nt. Buruma.