Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR5218

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
10/04951
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ6671
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR5218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Onrechtmatige daad Staat. Mededelingen gemeente betreffende afwijzing bouwvergunning inzake balkon tevens te begrijpen als dat evenmin dakkapellen mochten worden geplaatst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1399
JWB 2011/535

Conclusie

10/04951

mr J. Spier

Zitting 12 augustus 2011 (bij vervroeging)

Verkorte conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Gemeente 's-Hertogenbosch

1. In deze zaak - waarin tijdig cassatieberoep is ingesteld - gaat het, volgens 's Hofs niet bestreden oordeel, om de vraag of [eiser] op grond van mededelingen afkomstig van de gemeente mocht denken dat een verzoek tot de aanleg van een of meer dakkapellen zou worden afgewezen; zie rov. 4.3.2, 4.3.4 en 4.4. Het Hof komt, ampel gemotiveerd, tot de slotsom dat [eiser] op dit punt onvoldoende heeft aangevoerd; zie rov. 4.5, 4.6 en 4.8-4.18.

2. De meeste klachten trekken ten strijde tegen het onder 1 genoemde oordeel. Ze falen omdat niet wordt ingegaan op 's Hofs uitvoerige argumentatie. Met name wordt ook niet aangegeven waar [eiser] in feitelijke aanleg stellingen zou hebben ge√ętaleerd die zijn vordering zouden kunnen schragen, laat staan dat wordt vermeld waarom die stellingen hem zouden kunnen baten. Anders dan onderdeel 5 lijkt te menen, heeft het Hof niet miskend dat het bij een dakkapel niet gaat om een uitbouw; zie rov. 4.16. Anders dan onderdeel 8 en mogelijk ook 11 aanvoert, heeft het Hof niet miskend dat voor het bouwen van een dakkapel geen vergunning vereist was; zie rov. 4.18.

3. Voor zover het middel klachten postuleert die liggen buiten de dakkapellenproblematiek doen zij niet ter zake nu geen klacht is gericht tegen 's Hofs onder 1 genoemde afbakening van de rechtsstrijd.

4. Onderdeel 2 mislukt omdat geen beroep wordt gedaan op stellingen waaruit het Hof had moeten afleiden dat de feitelijke situatie anders was dan in rov. 4.14-4.16 vermeld. Het Hof kan, anders dan mr Garretsen lijkt te menen, niet met vrucht worden verweten dat [eiser] geen duidelijke stellingen heeft geformuleerd. Bovendien wordt ook hier niet ingegaan op 's Hofs redengeving.

5. Voor zover het middel meer of andere klachten voordraagt, zijn deze onbegrijpelijk dan wel gaan ze langs 's Hofs oordeel heen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G