Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR5211

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/04474
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR5211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Verkoop door man van aan vrouw toebehorende auto. Afwijzing vordering tot schadevergoeding op grond dat vrouw onvoldoende heeft gesteld om hoogte schade te kunnen vaststellen. Hof heeft te hoge eisen gesteld aan stelplicht vrouw omtrent haar schade. Hof had hetzij zaak naar rol moeten verwijzen voor uitlating over omvang schade, hetzij partijen naar de schadestaat moeten verwijzen (ook zonder dat dit uitdrukkelijk was gevorderd), hetzij omvang schade op voet van art. 6:97 BW moeten schatten. Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/601
RAV 2012/24
NJB 2012/21
RvdW 2011/1549
JWB 2011/602
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 10/04474

mr. J. Spier

Zitting 12 augustus 2011 (bij vervroeging)

Verkorte conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

1. Partijen hebben gedurende enige jaren een affectieve relatie gehad; zij hebben een aantal maanden samengewoond. Op 28 augustus 2005 is de samenwoning verbroken.

2. In cassatie staat vast dat de vrouw eigenaar was van een Mercedes-Benz CLK 200 K Cabriolet Elegance Aut. Zij heeft deze op 22 juni 2004 "nieuw" gekocht.

3. De vrouw heeft de man gedagvaard voor de Rechtbank Rotterdam en heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij de eigenaresse is van de Mercedes. Voorts vorderde zij de man te veroordelen primair tot afgifte van de Mercedes en subsidiair tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van de waarde "per medio 2005".

4. In haar vonnis van 7 februari 2007 heeft de Rechtbank de primaire vordering toegewezen. Tegen dat vonnis heeft de man beroep ingesteld. In incidenteel appel vraagt de vrouw het vonnis in die zin aan te vullen dat, als vast komt te staan dat de man niet kan voldoen aan de verplichting tot teruggave van de Mercedes, hij veroordeeld wordt tot de in de inleidende dagvaarding gevorderde schadevergoeding.

5. In zijn arrest van 13 juli 2010 oordeelt het Hof dat inmiddels is gebleken dat de man de Mercedes niet meer kan teruggeven omdat hij deze aan een derde heeft verkocht en geleverd (rov. 17-19). Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding overweegt het Hof:

"20. De vrouw wenst van de man een schadevergoeding ter hoogte van de waarde van de Mercedes per medio 2005.

21. De man is van mening dat de waarde van de auto dient te worden vastgesteld op het bedrag waarvoor de Mercedes is verkocht.

22. Het hof overweegt als volgt. Terzake de waarde van de Mercedes dient uitgegaan te worden van het moment dat de man de Mercedes heeft verkocht. De man heeft de Mercedes verkocht zonder toestemming van de vrouw hetgeen inhoudt dat hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, met als gevolg dat zij daardoor schade heeft geleden.

23. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om de hoogte van de door haar geleden schade te kunnen vaststellen. Nu er tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de wijze waarop de schade moet worden vastgesteld, is het hof onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld omtrent de hoogte van de door haar geleden schade. De vordering van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen."

Het Hof heeft het bestreden bestreden vonnis vernietigd. Het heeft de vordering tot afgifte van de Mercedes alsnog afgewezen.

6. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Tegen de man is verstek verleend. De vrouw heeft haar klachten schriftelijk toegelicht.

7. Het eerste onderdeel voert aan dat het Hof ten onrechte aanknoopt bij het tijdstip van de verkoop. Het Hof had moeten uitgaan van de datum van de beëindiging van de samenwoning.

8. De klacht faalt. In de inleidende dagvaarding wordt gevraagd om een vergoeding "per medio 2005, althans de waarde per een andere in goede justitie te bepalen datum". In haar - uiterst summiere - incidentele grief verwijst de vrouw uitsluitend hiernaar. Een nadere invulling van de datum waarop de vergoeding zou moeten worden berekend, heeft zij niet genoemd. Laat staan op begrijpelijke wijze. Het onderdeel doet op dergelijke stellingen dan ook geen beroep. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof gemeend dat:

a. de datum van "medio 2005" te vaag is en bovendien niet zinvol nu de samenwoning eerst later (ultimo augustus) is verbroken;(1)

b. in de gegeven omstandigheden, bij gebreke van andere zinvolle aanknopingspunten en in het licht van de evidente moeilijkheid om zoveel jaren later de waarde van de auto vast te stellen, in goede justitie kan worden uitgegaan van de waarde op de datum van verkoop. Daarbij verdient aantekening dat de vrouw in de dingtalen zelf nauwelijks iets heeft gesteld over de waarde(bepaling) op enige (andere) datum, laat staan dat zij zo'n stelling (al was het maar lapidair) heeft onderbouwd. In de aangifte bij de politie (van 6 oktober 2005) spreekt zij van "nu nog zo'n 60.000 euro" (prod. bij inl. dagv.; cursivering toegevoegd). Naar deze verklaring wordt in de dagvaarding niet specifiek gewezen.(2) Als de zo juist genoemde verklaring de vrouw te stade zou komen dan zou dat betekenen dat zou moeten worden uitgegaan van 6 oktober 2005. Op dat standpunt stelt het onderdeel zich evenwel niet.

9. Hoewel de steller van het onderdeel kan worden toegegeven dat voor de hand lijkt te liggen dat wordt aangeknoopt bij de datum van de beëindiging van de samenwoning was het Hof daartoe m.i. niet gehouden. Die datum heeft de vrouw immers niet genoemd. Zoals we zagen wel twee andere "tijdstippen".

10. De resterende klachten richten zich tegen de afwijzing van de (subsidiair) gevorderde schadevergoeding. Mogelijk heeft het Hof zich daarbij laten inspireren door de door de vrouw bij mva overgelegde verklaring van haar zelf waarin zijn gewaagt van een aanbod "de zaak hierbij [te] laten" als de man excuses zou aanbieden, wat hij heeft nagelaten.

11. Het Hof wijst er met juistheid op dat de vrouw ook op dit punt bitter weinig heeft aangevoerd. Laat staan dat haar uiteenzettingen gemakkelijk zijn te doorgronden. Bij die stand van zaken zag het Hof zich geplaatst voor een niet gering probleem. Het had de vrijheid gehad een deskundige te benoemen, maar het was daartoe ingevolge vaste rechtspraak niet gehouden. Ik kan ook heel goed begrijpen waarom het Hof dat niet heeft gedaan.

12. Zeker nu de vrouw - niet weersproken - heeft gesteld dat de man de auto voor € 40.000 heeft verkocht (cvr onder 11, zij het en passant en in ander verband), is onbegrijpelijk waarom het Hof de vordering geheel afwijst. Bovendien lijkt 's Hofs oordeel mij onjuist.(3) De daarop toegespitste klacht slaagt.

13. Aldus rijst de vraag of Uw Raad de zaak zelf kan afdoen. Hoewel dat, strikt genomen, wellicht wat lastig is, zou ik daarvoor een lans willen breken. De kans dat de feitenrechter op basis van de uitermate lapidaire stellingen over en weer tot een ander bedrag komt dan genoemde € 40.000, lijkt me verwaarloosbaar klein. Uitgaande van dit bedrag behoeft hij zich ook niet te verdiepen in de vraag of de auto vóór de verkoop was beschadigd en of deze beschadiging, reparatie ten spijt, de waarde heeft beïnvloed (partijen hebben daarover wat losse opmerkingen gemaakt).

14. Uit proces-economische overwegingen lijkt de beste oplossing om, na vernietiging, de subsidiaire vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 40.000. De enige complicatie zit in de datum waarop de gevorderde wettelijke rente zou moeten ingaan. Nu over de datum van verkoop niets is aangevoerd en de vrouw ook overigens over het tijdstip waarop de wettelijke rente zou zijn gaan lopen niets nuttigs te berde heeft gebracht, lijkt het meest aangewezen de datum van de inleidende dagvaarding daarvoor aan te houden. De zaak alleen voor het aanvangstijdstip van de wettelijke rente verwijzen, is m.i. niet erg zinvol, al was het maar omdat de verwijzingsrechter met hetzelfde probleem als zojuist genoemd wordt geconfronteerd.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met afdoening als vermeld onder 14.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Voor zover de s.t. onder 3.5 "medio 2005" een "datum" acht, is dat onbegrijpelijk.

2 Voor zover de s.t. onder 3.3 iets anders wil doen geloven, is dat niet juist.

3 Vgl. HR 19 december 2003, LJN AL7053, NJ 2004, 348 rov. 4.3.1.