Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR3037

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10/03899
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR3037
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Talloncriterium. Uitlokking. Art. 359a Sv. ’s Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof niet heeft vastgesteld dat verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1285
NJB 2011/1966
NBSTRAF 2011/321
VA 2012/17 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03899

Mr. Knigge

Zitting: 5 juli 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 25 juni 2007 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn (verdere) vervolging van verdachte in deze zaak.

2. Tegen deze uitspraak is door de plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof cassatieberoep ingesteld.

3. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Deze zaak hangt onder meer samen met de zaken [medeverdachte 1] (08/03338), [medeverdachte 3] (08/03342) en [medeverdachte 5] (07/10545) waarover de Hoge Raad reeds heeft geoordeeld bij arresten van 29 juni 2010 (LJN BL0655, BL0656 en BL0613).

5. In deze samenhangende zaken heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van die personen wegens deelneming aan een valsgeldtransactie. De Hoge Raad heeft enkel in de zaak [medeverdachte 1] de niet-ontvankelijk verklaring van het OM in stand gelaten. De zaak [medeverdachte 1] onderscheidt zich van de zaak [medeverdachte 5] daarin dat het Hof in de eerste zaak had vastgesteld dat [medeverdachte 1] door een persoon voor wiens handelen de politie of het OM verantwoordelijk was - een CIE-burgerinformant - is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij werd vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht. In de zaak [medeverdachte 5] had het Hof vastgesteld dat [medeverdachte 5] via [medeverdachte 1] was uitgelokt door de informant, dus niet rechtstreeks door de informant. Ten aanzien van [medeverdachte 3] had het Hof vastgesteld dat op de dagvaarding van [medeverdachte 3] meer feiten stonden inzake de handel in vals geld dan de transactie die door de informant was geïnitieerd. Derhalve kon volgens het Hof niet worden gezegd dat hij door toedoen van de informant was gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht. Desondanks kwam het Hof tot een niet-ontvankelijk verklaring van het OM. Samenvattend kan worden gezegd dat in de zaak [medeverdachte 1] sprake was van directe uitlokking door een CIE-informant, in de zaak [medeverdachte 5] van uitlokking door een andere verdachte, terwijl in de zaak [medeverdachte 3] geen sprake was van uitlokking.

6. Het middel

6.1. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verdachte.

6.2. De onderhavige zaak komt wat de uitlokking betreft nagenoeg overeen met de zaak [medeverdachte 5]. Net als in de zaak [medeverdachte 5] overwoog het Hof in de onderhavige zaak dat verdachte "niet eerder met justitie in aanraking [is] geweest in verband met delicten inzake de handel en gebruik van vals geld" en dat verdachte "de strafbare feiten [heeft] gepleegd nadat hij was benaderd door [medeverdachte 1] die door de CIE-informant [betrokkene 1] was overgehaald om te bemiddelen bij de vals geld transactie". In de zaak [medeverdachte 5] oordeelde de Hoge Raad als volgt:

"2.5. 's Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd.

2.6. Het Hof heeft zijn beslissing derhalve ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond."

6.3. Nu de Hoge Raad op deze grond het arrest van het Hof in de vergelijkbare zaak [medeverdachte 5] heeft vernietigd, zal het onderhavige arrest om dezelfde reden ook niet in stand kunnen blijven.

6.4. Het middel slaagt.

7. Ambtshalve redenen op grond waarvan de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG