Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR2982

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10/02651
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR2982
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02651

Mr. Aben

Zitting 5 juli 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 18 mei 2010 ter zake van "diefstal" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zestig uren (subsidiair dertig dagen hechtenis), alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof van een tweetal in het arrest omschreven inbeslaggenomen goederen de teruggave gelast aan, respectievelijk, de verdachte en het slachtoffer.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.B. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het hof onbegrijpelijk is, althans - mede in het licht van een door de verdediging ingenomen (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt - ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat

"hij op 13 november 2009 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (50 euro), toebehorende aan [betrokkene 1]."

3.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv:

"1. Het proces-verbaal van aangifte van de Regiopolitie Haaglanden, nr. 2009016039-2, d.d. 13 november 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent (pagina 23 e.v. van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 13 november 2009 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Ik ben vandaag, 13 november 2009, bestolen van 50 euro. Ik was samen met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij [verdachte]. Hij woont aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Ik zag en voelde dat [verdachte] een briefje van 50 euro uit mijn broekzak haalde. Ik zag dat [verdachte] het briefje in zijn sok deed.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de Regiopolitie Haaglaanden, nr. 2009016039-7, d.d. 13 november 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar (pagina 29 e.v. van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 13 november 2009 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 2] (het hof begrijpt ingevolge pagina 6 van het dossier: [betrokkene 2]):

Op 13 november 2009 was ik samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 3] op visite aan de [a-straat 1] te Den Haag, bij [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] een briefje van 50 euro uit de hand van [betrokkene 1] trok. Ik zag dat [verdachte] de vijftig euro in zijn eigen sok propte.

3. Het proces-verbaal van aanhouding van de Regiopolitie Haaglanden, nr. 2009016039-3, d.d. 14 november 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk hoofdagent van politie (pagina 13 e.v. van het dossier). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 13 november 2009 hielden wij op de [a-straat] ter hoogte van nummer [1] als verdachte aan: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats], adres: [a-straat 1] te [woonplaats].

Op 13 november 2009 hoorde ik, verbalisant [verbalisant 3], [betrokkene 1] tegen mij zeggen: 'Ik ben net overvallen in huis. Op de [a-straat]'. Ik ben daarop gelijk met [betrokkene 1] naar de betreffende straat gerend. Ik hoorde dat een kennis in de woning 50 euro had gepakt uit de broekzak van [betrokkene 1]. De kennis moest zijn genaamd [verdachte]. Nadat [verdachte] het geld had gepakt, stopte hij het in één van zijn sokken.

Op hetzelfde moment kwam een man uit de portiek gelopen van de [a-straat 1]. [Betrokkene 1] zei direct dat die man [verdachte] moest zijn. Ik verbalisant [verbalisant 4], ben naar de man toegelopen en vroeg hem waar de 50 euro was. Ik zag dat de man bukte en uit zijn sok een briefje van 50 euro pakte. Hierna heb ik de man aangehouden."

3.4. In de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is door het hof tevens de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

"Het hof overweegt, dat het uit de verklaringen van de aangever en de getuige [betrokkene 2] heeft afgeleid dat er - ondanks het feit dat de wegnemingshandeling door beiden feitelijk verschillend wordt verwoord - hoe dan ook sprake is geweest van het wegnemen van een briefje van € 50 in de zin zoals dat is bewezenverklaard."

3.5. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in (blz. 2-3):

"Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 mei 2010 op gronden als nader vermeld in de schriftelijke pleitnotitie betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde geweld of het dreigen met geweld. Daarnaast is betoogd dat er evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor bewezenverklaring van diefstal van € 50, in het bijzonder omdat de aangifte en de getuigenverklaring van [betrokkene 2] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn.

De advocaat-generaal heeft, op gronden als vermeld in haar schriftelijke requisitoiraan-tekeningen, eveneens geconcludeerd tot vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde geweld of dreigen met geweld, maar tot bewezenverklaring en veroordeling ten aanzien van diefstal. Haars inziens is juist de verklaring van [betrokkene 4] onbetrouwbaar en kan deze niet als ontlastend bewijs dienen voor de verdachte.

Het hof is met de raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van geweld of met geweld heeft gedreigd. Het hof acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte € 50,00 heeft gestolen van de aangever en overweegt daartoe het volgende.

De aangever en de getuige [betrokkene 2] (het hof begrijpt op grond van het gerelateerde op pagina 6 van het politiedossier dat dit dezelfde persoon is als [betrokkene 2]) hebben allebei verklaard dat de verdachte een biljet van € 50,00 van de verdachte heeft afgenomen en dit biljet vervolgens in zijn sok heeft gedaan. Deze aangifte en verklaring vinden steun in het feit dat de politie een biljet van € 50,00 heeft aangetroffen in de sok van de verdachte. Het hof acht deze verklaringen derhalve anders dan de verdediging betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij komt dat de verdachte naar 's hofs oordeel de door hem naar voren gebrachte stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het biljet van € 50,00 uit zijn eigen portemonnee komt, nu hij niet heeft uitgelegd waarom hij het geld uit zijn eigen portemonnee heeft gehaald en dit vervolgens in zijn sok gedaan heeft. De verklaring van [betrokkene 4] maakt dit niet anders, nu haar verklaring naar het oordeel van het hof - anders dan de verdediging heeft betoogd - als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt gelet op de wijze van totstandkoming van haar verklaring en het feit dat de bestemming van het geld (volgens getuige [betrokkene 4] voor een taxi-rit van de verdachte) zonder nadere toelichting onder de gegeven omstandigheden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet aannemelijk is."

3.5. Ik bespreek eerst de in het middel besloten liggende klacht dat het hof heeft nagelaten zijn afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging toereikend te motiveren. Blijkens een ter terechtzitting van 4 mei 2010 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte in hoger beroep als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangevoerd dat de door het hof als bewijsmiddelen 1 en 2 gebezigde verklaringen van aangever [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft - naar de kern genomen - betoogd dat de betreffende verklaringen tegenstrijdig zijn, nu door [betrokkene 1] is verklaard dat de verdachte hem het briefje van vijftig euro afhandig maakte door het uit zijn broekzak te halen, terwijl de verklaring van [betrokkene 2] inhoudt dat de verdachte het briefje van vijftig euro op een bepaald moment uit de hand van [betrokkene 1] trok. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook wat betreft de verdere omstandigheden van de tenlastegelegde diefstal onvoldoende op elkaar aansluiten, aangezien de verklaring van [betrokkene 2] inhoudt dat de verdachte tevens een bankpas en een telefoon van [betrokkene 1] heeft afgenomen, maar deze omstandigheid uit de verklaring van [betrokkene 1] zelf niet naar voren komt. Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] familie van elkaar zijn en door getuige [betrokkene 4], de partner van de verdachte, is verklaard dat het briefje van vijftig euro aan de verdachte toebehoorde.

3.6. In het bestreden arrest heeft het hof heeft met betrekking tot de verwantschapsrelatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in expliciete zin inderdaad niets overwogen, maar dat behoefde het m.i. ook niet te doen. Nu zowel in het geval van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als in het geval van de verdachte en [betrokkene 4] sprake is van een (directe) persoonlijke relatie, heeft het hof er kennelijk voor gekozen in het kader van zijn betrouwbaarheidsoordeel vooral naar de inhoud van de verschillende verklaringen te kijken. 's Hofs motivering in dit verband ligt dan ook in de motivering van zijn 'inhoudelijke' betrouwbaarheidsoordeel besloten. Dat het hof geen nadere overweging heeft gewijd aan de opmerking van de raadsman dat [betrokkene 1] anders dan [betrokkene 2] niets heeft verklaard over zijn bankpas en mobiele telefoon, behoeft evenmin te verbazen. Onbetrouwbaar maakt deze omstandigheid de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op zichzelf immers niet, terwijl het hof deze verklaringen slechts redengevend voor de bewezenverklaring heeft geacht voor zover zij de tenlastegelegde diefstal van het briefje van vijftig euro aangaan. Wat betreft de door de raadsman gestelde tegenstrijdigheid in de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met betrekking tot de wijze waarop de verdachte het briefje van vijftig euro van [betrokkene 1] heeft weggenomen, heeft het hof overwogen dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in ieder geval beide inhouden dat de verdachte het briefje van vijftig euro van [betrokkene 1] heeft afgepakt en vervolgens in zijn sok heeft gestopt. De verklaringen op dit punt worden ondersteund door de bevindingen van de politie. Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat het in een sok stoppen van een briefje van vijftig euro een atypische handeling is. Nu twee verschillende personen daarover (onafhankelijk van elkaar) in gelijke zin hebben verklaard vormt zulks een sterke aanwijzing voor de juistheid van hun verklaringen. Daarmee heeft het hof zijn afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de raadsman in het licht van art. 359, tweede lid, Sv toereikend gemotiveerd.

3.7. Dan de resterende klacht die in het middel besloten ligt. Deze klacht ziet op de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring. Ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft het hof in een nadere bewijsoverweging (die is opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen) te kennen gegeven dat het uit deze verklaringen "heeft afgeleid dat er - ondanks het feit dat de wegnemingshandeling door beiden [[betrokkene 1] en [betrokkene 2], DA] feitelijk verschillend wordt verwoord - hoe dan ook sprake is geweest van het wegnemen van een briefje van € 50 in de zin zoals dat is bewezenverklaard."

Opgemerkt kan worden dat de hier aangehaalde overweging in ieder geval geen motiveringsgebrek oplevert, nu het hof duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht wat het uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft afgeleid. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het verschil tussen de verklaring van [betrokkene 1], namelijk dat hij heeft gezien en gevoeld dat de verdachte een briefje van vijftig euro uit zijn broekzak haalde, en de verklaring van [betrokkene 2], te weten dat zij heeft gezien dat de verdachte een briefje van vijftig euro uit de hand van [betrokkene 1] trok, niet zo groot is dat het eraan in de weg staat uit deze verklaringen af te leiden dat de verdachte het briefje van vijftig euro van [betrokkene 1] heeft weggenomen. Mede in het licht van hetgeen het hof ter motivering van de bewezenverklaring heeft overwogen, is dit oordeel m.i. niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen ruimte.

4. Het middel faalt in zijn geheel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden