Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR2355

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/05507
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2929
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR2355
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklachten ‘medeplegen’ moord en wegmaken sporen van dat misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1487
NJB 2011/2269

Conclusie

Nr. 10/05507

Mr. Vellinga

Zitting: 28 juni 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van moord" (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en ten aanzien van feit 2 ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de ontoereikende verwerping van een verzoek om het audiovisuele materiaal van de verhoren van de verdachte ter terechtzitting af te spelen.

4. Het middel heeft het oog op de volgende overweging van het Hof, weergegeven in het proces-verbaal van 7 juli 2009:

"Het hof wijst af het verzoek tot het ter terechtzitting afspelen van het audiovisueel materiaal dat is opgemaakt van de verhoren van de verdachte. Het hof acht dit, gelet op hetgeen ter onderbouwing van dat verzoek is aangevoerd door de raadsman van de verdachte, niet noodzakelijk, terwijl ook overigens die noodzaak niet aannemelijk is geworden uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier van de verdachte.

[...]"

5. Maatstaf voor de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is of het afspelen van het audiovisueel materiaal noodzakelijk is te achten (art. 315 jo. 415 Sv). Het Hof heeft aldus de juiste maatstaf toegepast.

6. In aanmerking genomen dat verdachtes raadsman ter terechtzitting van 7 juli 2009 slechts heeft verklaard het van belang te achten dat het Hof ter terechtzitting de politieverhoren van de verdachte beluisterde en bekeek omdat door de rechercheurs tendentieuze vragen waren gesteld die vooral gebaseerd waren op wat andere mensen verklaard hadden en daarvan slechts een samenvatting was weergegeven in de processen-verbaal van verhoor, is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en in het licht van de onderbouwing van het verzoek toereikend gemotiveerd. In het verzoek wordt immers onder meer niet aangegeven op welke vragen het verzoek ziet en waarom deze vragen tendentieus zouden zijn.(1) Dat het Hof ter terechtzitting van 16 juli 2010 - anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld: ambtshalve - is overgegaan tot het bekijken en beluisteren van drie van de vier fragmenten van verhoren die door het Openbaar Ministerie redengevend werden geacht voor de bewezenverklaring, doet aan het voorgaande niet af. Daaruit blijkt immers dat het Hof zich - zoals verdachtes raadsman beoogde - heeft willen overtuigen van de geloofwaardigheid van voor de verdachte bezwarende fragmenten van verhoren.

7. Voor zover in de toelichting op het middel voorts wordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om het vierde van de hiervoor genoemde fragmenten ter terechtzitting te vertonen, faalt het reeds omdat de verklaring van de verdachte waarop dit fragment betrekking heeft, namelijk het verhoor van de verdachte op 5 juni 2008(2), niet voor het bewijs is gebezigd.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof - door de zijdens de raadsman aangedragen fragmenten van verhoren niet maar de door het openbaar ministerie aangedragen fragmenten wel ter zitting te beluisteren en te bekijken - de equality of arms heeft geschonden.

10. De vraag of het Hof de equality of arms heeft geschonden vergt mede een oordeel van feitelijke aard. Daarom kan een beroep op schending van de equality of arms niet voor het eerst in cassatie worden gedaan.

11. Het middel faalt.

12. Het derde middel klaagt over schending van het openbaarheidsbeginsel, hierin bestaande dat het ter terechtzitting getoonde audiovisueel materiaal niet waarneembaar was op de publieke tribune.

13. Het middel miskent dat het openbaarheidsbeginsel inhoudt dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar plaatsvindt (art. 269 lid 1 Sv) en niet ook dat de inhoud van de stukken van het geding en ander bewijsmateriaal aan het publiek wordt getoond. In dit verband wijs ik op het bepaalde in art. 301 Sv dat erop neerkomt dat van processen-verbaal c.a. de inhoud niet wordt medegedeeld, tenzij dit - kort gezegd - wordt bevolen of verzocht.

14. Het middel faalt.

15. Het vierde middel berust op de stelling dat uit 's Hofs arrest onvoldoende blijkt dat het slachtoffer door anderen om het leven is gebracht in plaats van dat zij zelfmoord heeft gepleegd.

16. Deze stelling berust op onjuiste lezing van het arrest van het Hof. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers dat het slachtoffer niet door zelfdoding om het leven is gekomen. Ik wijs in het bijzonder op bewijsmiddel 5, inhoudende als verklaring van de medeverdachte dat zij het slachtoffer heeft gewurgd.

17. Het middel faalt.

18. Het vijfde middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen van het onder feit 1 primair tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed.

19. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"Ter beantwoording van de vraag of in dezen van medeplegen door de verdachte aan het haar onder 1 primair ten laste gelegde feit sprake is, is naar het oordeel van het hof het navolgende van belang.

De verdachte en haar medeverdachte zijn gezamenlijk opgetreden. Zij zijn gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] gegaan. De verdachte is vervolgens steeds in de woning van [slachtoffer] gebleven en eerst met haar medeverdachte uit de woning vertrokken. Voordat de verdachte en haar medeverdachte naar de woning van [slachtoffer] gingen, was de reden van hun bezoek aan [slachtoffer] ook voor de verdachte duidelijk. De verdachte wist bovendien van het voornemen van de medeverdachte om [slachtoffer] te slaan. De verdachte is ook in de woning met [slachtoffer] achtergebleven toen haar medeverdachte die woning enige tijd had verlaten. De verdachte heeft door aldus te handelen bijgedragen aan de voor het slachtoffer bedreigende situatie door haar aanwezigheid in de woning. De verdachte heeft geen enkele poging gedaan om de medeverdachte van haar voornemen af te brengen of haar daarvan te weerhouden. Zij heeft zich ook niet op enige ander wijze gedistantieerd van het handelen van de medeverdachte, hoewel hiertoe de gelegenheid heeft bestaan, gezien de tijd die met de dodingshandelingen gemoeid is geweest temeer daar het voor haar op enig moment duidelijk was dat die dodingshandelingen gaande waren. Dat de medeverdachte in het bijzijn van de verdachte bij het verlaten van de woning het blikje cola en de asbak met daarin de peuken heeft meegenomen, kan naar het oordeel van het hof niets andere betekenen - in onderling verband en samenhang bezien van de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn gebleken dat de verdachte en de medeverdachte hun betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] hebben willen verhullen.

Op grond van het bovenstaande is mitsdien naar het oordeel van het hof sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, dat sprake is van het medeplegen van het de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde feit."

20. Wil de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van moord dan moet het opzet van de verdachte niet alleen zijn gericht op samenwerking met haar medeverdachte zuster, die het slachtoffer daadwerkelijk door middel van verwurging van het leven heeft beroofd, maar ook op het van het leven beroven van het slachtoffer en moet zij daartoe met de medeverdachte hebben samengewerkt.

21. In de hiervoor aangehaalde overwegingen heeft het Hof in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht dat verdachte bewust met de medeverdachte heeft samengewerkt met het oog op het scheppen van een bedreigende situatie voor het slachtoffer en het plegen van geweld jegens het slachtoffer in de vorm van slaan.

22. Daarnaast heeft het Hof overwogen dat de verdachte zich niet van het handelen van de medeverdachte heeft gedistantieerd, ook niet - zo voeg ik daar aan toe - toen zij na een woordenwisseling tussen de medeverdachte en het slachtoffer begreep dat het slachtoffer dood moest en de medeverdachte het slachtoffer de keus gaf tussen "zelf doen" of door haar, de medeverdachte "doen" (bewijsmiddel 2), alsmede dat zij de medeverdachte niet van haar handelen - het van het leven beroven van het slachtoffer - heeft weerhouden.(3) Voorts in aanmerking genomen dat verdachte zich bovendien in zoverre met het dood gaan van het slachtoffer heeft bemoeid dat zij heeft geïnformeerd of het spul dat het slachtoffer had ingenomen nadat het slachtoffer op een gegeven moment had gezegd "als ik dan toch dood moet dan doe ik het zelf wel" enige uitwerking had (bewijsmiddel 6), en zij vervolgens gewoon meedeed met de ruzie tussen de medeverdachte en het slachtoffer (bewijsmiddel 6), kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte zo bewust en nauw met de medeverdachte heeft samengewerkt met het oog op het vermoorden van het slachtoffer dat van medeplegen van moord kan worden besproken.

23. Het middel faalt.

24. Het zesde middel, inhoudende de klacht dat het Hof heeft nagelaten het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de vrijspraak van feit 2, aangezien het Openbaar Ministerie in de appelschriftuur geen grieven heeft geformuleerd tegen voornoemde vrijspraak, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in het bepaalde in art. 416, derde lid, Sv.

25. Het middel faalt.

26. Het zevende middel richt zich tegen de bewezenverklaring van medeplegen van het onder 2 tenlastegelegde.

27. Het Hof heeft onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij tezamen en in vereniging met een ander op of omstreeks 6 juli 2007 te Ridderkerk, nadat er toen en daar het misdrijf was gepleegd van moord, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers hebben verdachte en haar mededader een blikje cola en een asbak meegenomen van de plaats van het delict en vervolgens dat blikje en die asbak in een container doen deponeren/gooien."

28. Bewijsmiddel 3 houdt in als verklaring van de verdachte dat de medeverdachte verdachtes blikje cola en de asbak met peuken in een plastic zakje heeft gedaan en heeft meegenomen, bewijsmiddel 6 dat de verdachte en de medeverdachte alle spullen die zij hadden aangeraakt in de woning van het slachtoffer in een plastic tas hebben gedaan en dat de medeverdachte vertelde dat zij de asbak, de telefoon van het slachtoffer en een blikje hadden meegenomen en de medeverdachte de opdracht had gegeven de plastic tas weg te gooien.

29. Het Hof heeft voor wat betreft het bewijs van feit 2 volstaan met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Ten aanzien van het bewijs van feit 1 heeft het Hof wel een overweging gewijd aan het verhullen van de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde:

"Dat de medeverdachte in het bijzijn van de verdachte bij het verlaten van de woning het blikje cola en de asbak met daarin de peuken heeft meegenomen, kan naar het oordeel van het hof niets andere betekenen - in onderling verband en samenhang bezien van de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn gebleken dat de verdachte en de medeverdachte hun betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] hebben willen verhullen."

30. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof voor waar gehouden dat de medeverdachte het blikje cola en de asbak heeft meegenomen. Dat betekent dat uit de bewijsmiddelen slechts kan worden afgeleid dat de medeverdachte het blikje cola en de asbak met de peuken in een plastic zak heeft gedaan, heeft meegenomen en heeft doen weggooien.

31. Nu aldus door het Hof niet is vastgesteld en uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ter zake van het meenemen van het blikje en de asbak op enigerlei wijze met de medeverdachte heeft samengewerkt, is de bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

32. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal, aangezien het Hof de verdachte ter zake van feit 2 heeft ontslagen van alle rechtsvervolging, de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kunnen afdoen en de verdachte kunnen vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.

33. Het eerste tot en met het vierde middel en het zesde middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

34. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2. De Hoge Raad kan de verdachte vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. onder meer HR 19 april 2011, LJN BP3820.

2 Zie het proces-verbaal van 16 juli 2010, p. 2.

3 Zie voor het belang hiervan HR 12 april 2005, LJN AS2769, NJ 2005, 577, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.