Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR1144

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10/01718
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2888
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR1144
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Piranha II. 1. Slagende bewijsklacht art. 140a Sr, 2. Slagende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen moord/doodslag, 3. Psychische overmacht. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1998/225 m.b.t. art. 140a Sr. Uit de bewijsvoering kan de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven niet worden afgeleid. De door het Hof vastgestelde wetenschap van verdachte van het voorhanden hebben van en het (zelf) oefenen met vuurwapens is voor een zodanige bewezenverklaring niet voldoende. Ad 2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte het oogmerk had om moord en/of doodslag op één of meer politici uit Nederland voor te bereiden of te bevorderen. Evenmin kan uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen dat verdachte t.a.v. enkele van de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2005/94 m.b.t. psychische overmacht. ’s Hofs oordeel dat bij de beoordeling van het beroep op psychische overmacht de groepsdynamiek niet kan worden meegewogen omdat de invloed van die groepsdynamiek niet los gezien kan worden van de persoonlijkheid van verdachte, zodat een en ander niet kan worden aangemerkt als enige van buiten komende drang, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu geen rechtsregel er aan in de weg staat de persoonlijkheid van verdachte te betrekken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ten verwere aangevoerde drang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1569
NJ 2012/590 met annotatie van B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2012-0271
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/01718

Mr. Machielse

Zitting 21 juni 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 11 november 2009 ter zake van

1A en 1B. "Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven";

2 en 4. "De eendaadse samenloop van medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden of te bevorderen, dat moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken";

2 en 5. "De eendaadse samenloop van medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden of te bevorderen, dat moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken"

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 dagen.

2. Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld en heeft een schriftuur ingediend, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van een beroep op overmacht. Ten onrechte heeft het hof bepaalde feiten en omstandigheden niet in zijn overwegingen betrokken, waardoor het hof tot de slotsom is gekomen dat een externe drang niet aannemelijk is geworden. Voorts heeft het hof ten onrechte de verklaringen die een getuige-deskundige zowel schriftelijk als ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd terzijde gelaten.

3.2. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.(2) Van psychische overmacht zal slechts sprake kunnen zijn als van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij - door weerstand te bieden aan de (psychische) aandrang daartoe - zich anders zou gedragen.(3)

In de literatuur wordt deze blauwdruk van de psychische overmacht onderschreven. In geval van overmacht ziet de dader zich geconfronteerd met uitwendige omstandigheden die drang op hem uitoefenen die hij niet kan of behoeft te weerstaan.(4) Niet alleen wanneer men absoluut niet anders kan handelen, bijvoorbeeld omdat men door angst is verlamd, maar ook wanneer anders handelen zou neerkomen op een niet te vergen heldenmoed of op onbegrijpelijke dwaasheid kan met succes een beroep op overmacht worden gedaan. De maatstaf bij de beantwoording van de vraag of redelijkerwijs weerstand bieden gevergd kon worden wordt door verschillende auteurs anders ingevuld. De een gaat daarbij wat objectiever te werk dan de andere. Maar duidelijk is wel dat men tot op zekere hoogte rekening moet houden met de persoonlijkheid van degene die een beroep op overmacht doet, maar niet in dier voege dat niet verlangd mag worden dat verdachte zich tegen de aandrang verzet.

3.3. In de pleitnota in hoger beroep heeft de advocaat de achtergrond geschilderd van de beslissing van verdachte om te gaan verklaren. Hij maakt gewag van de hoop van verdachte en haar man dat zij hun leven weer terug zouden kunnen krijgen als, onder meer op basis van hun verklaringen, de personen die hun leven hadden bepaald, door opsluiting uit hun leven zouden zijn verdwenen. Als gevolg van deze verklaringen zijn verdachte en haar man op basis van risicoanalyses in een getuigenbeschermingsprogramma opgenomen. Hun vrees voor hun persoonlijke veiligheid werd kennelijk door de autoriteiten gedeeld. Na de bespreking van de tenlastegelegde feiten gaat de pleitnota in op de achtergrond van hun betrokkenheid bij het tenlastegelegde. Zij hadden angst voor de anderen. De advocaat beroept zich op verklaringen van anderen die deze angst ook hebben opgemerkt en op de omstandigheden die deze angst rechtvaardigen.

Na een uitleg van de algemene contouren van de overmacht gaat de pleitnota over tot de bespreking van de situatie waarin verdachte verkeerde. Zij heeft hand- en spandiensten verricht voor moslimfundamentalisten uit angst voor haar eigen leven. [Betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] geven duidelijk te kennen wat ongelovigen en afvalligen verdienen, dat tegen hen geweld mag worden gebruikt en dat hun leven mag worden genomen. Onder invloed van deze drie geeft verdachte haar stage op, verkopen zij en haar man hun inboedel, huren een appartement in Brussel. Zij worden gedwongen in het Amsterdamse Bos met een wapen te schieten, aan verdachte wordt een filmpje getoond waarin te zien is dat iemand wordt onthoofd, de man van verdachte wordt met onthoofding bedreigd door gebaren en verdachte zelf wordt, zoals zij ter terechtzitting van 30 september 2009 verklaarde, met een wapen bedreigd. Verdachte kon zich niet onttrekken aan de invloed en de dwingende wensen van de anderen, ook omdat zij een kwetsbare en sombere persoonlijkheid is.

3.4. Het hof heeft het beroep op overmacht als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is betoogd dat aan de verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht en dat zij om die reden ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft gehandeld onder invloed van grote angst voor een aantal medeverdachten. Die angst, in combinatie met de persoonlijkheid van de verdachte - zoals nader beschreven door de deskundige professor J.T.V.M. de Jong in zijn rapport d.d. 13 februari 2008, toegelicht in zijn brief van 30 september 2009 en in zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - heeft ertoe geleid dat de verdachte geen andere uitweg heeft gezien dan het plegen van strafbare feiten. Ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten had zij geen keuzevrijheid.

De angst is ontstaan nadat zij de angst van haar echtgenoot, de medeverdachte [medeverdachte], heeft ervaren en daarin is mee getrokken. De verdachte is in het bijzonder bang geworden nadat haar echtgenoot haar had verteld hoe de medeverdachte [betrokkene 1] door met een mes een snijbeweging te maken hem had getoond wat er met afvalligen zou gebeuren. Zij heeft niet willen schieten in het bos in Amsterdam, maar heeft dat toch gedaan omdat zij bang was dat haar anders wat zou worden aangedaan.

Volgens de deskundige De Jong is er in toenemende mate een sociale dwang uitgeoefend op de verdachte waardoor bij haar het besef is gegroeid dat er geen weg terug was. De articulatie van haar persoonlijkheid en die van haar echtgenoot binnen hun gezinsconstellatie, hun talenten en tekorten, hun intenties en hoop, hun psychologische en existentiële problemen in samenhang met de groepsdynamiek hebben er toe geleid dat zij en haar echtgenoot tot hun daden zijn gekomen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt te dien aanzien als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

Naar het oordeel van het hof zijn de angst van haar echtgenoot en de gebeurtenissen in het bos in Amsterdam voor het aannemen van een dergelijke drang onvoldoende. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep feiten en omstandigheden om eerder bedoelde drang aan te nemen, niet aannemelijk geworden.

Hoewel het hof zich ervan bewust is dat op menselijk handelen in zijn algemeenheid van invloed kan zijn een groepsdynamiek als door de deskundige De Jong is beschreven, kan de invloed van die groepsdynamiek op de verdachte niet los gezien worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte, gelet op de conclusie van de deskundige De Jong zoals hiervoor is weergegeven, welke conclusie het hof tot de zijne maakt. Juist die eigen persoonlijkheid van de verdachte kan niet worden aangemerkt als enige van buiten komende drang in het kader van haar beroep op psychische overmacht en daarmee kan ook de beschreven groepsdynamiek niet in dat verband worden meegewogen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar."

3.5. Het middel wijst erop dat het hof in de nadere bewijsoverwegingen vermeldt dat aan verdachte een onthoofdingsfilm is getoond, dat verdachte wapens heeft gezien en dat zelfs eenmaal een wapen op haar gericht is geweest. Het middel verwijt het hof deze omstandigheden niet in zijn beoordeling van het beroep op overmacht te hebben betrokken.

3.6. De kernoverweging in de verwerping van het beroep op overmacht acht ook ik onbevredigend. Dat de angst van verdachtes echtgenoot en de gebeurtenissen in het bos te Amsterdam voor het aannemen van een drang die overmacht kan opleveren onvoldoende zijn is nog wel te onderschrijven. Maar dat het hof vervolgens overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten aannemelijk zijn geworden om die drang aan te kunnen nemen laat in het midden of het hof de andere gestelde omstandigheden niet aannemelijk acht en daarom niet in zijn overwegingen betrekt, dan wel dat het hof die omstandigheden wel aannemelijk acht, maar meent dat zij bij het ontstaan van de gestelde drang geen rol hebben gespeeld dan wel dat deze omstandigheden, ook gevoegd bij de oorzaken van uitwendige druk die het hof wel heeft genoemd, niet ertoe kunnen leiden om aan te nemen dat de drang sterk genoeg was om daaraan niet te hoeven weerstaan.

3.7. Het middel keert zich ook tegen de overwegingen van het hof over de relatie tussen de groepsdynamiek en de persoonlijkheid van verdachte, zoals die door de deskundige De Jong is omschreven. Het hof is uitgegaan van de juistheid van die omschrijving. Op p. 41 van zijn arrest overweegt het hof in het voetspoor van de deskundige dat het met name rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat de verdachte - gegeven haar persoon - niet in staat is geweest om weerstand te bieden tegen de groepsdynamiek binnen de organisatie. In zijn overwegingen ter verwerping van het beroep op overmacht lijkt het hof van het standpunt uit te gaan dat de eigen persoonlijkheid van verdachte niet kan worden aangemerkt als een bron van van buiten komende drang en dat daarom ook de beschreven groepsdynamiek in het kader van overmacht buiten beschouwing moet blijven.

3.8. De kritiek van de steller van het middel op dit onderdeel van de motivering van de verwerping van het verweer onderschrijf ik. Uiteraard is het zo dat de persoonlijkheid van verdachte geen uitwendige oorzaak van niet-toerekening kan zijn, maar de persoonlijkheid is wel relevant voor de beantwoording van de vraag of van deze verdachte redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij weerstand bood aan de druk die vanuit de groep op haar werd uitgeoefend. Bij de beoordeling van het beroep op overmacht kan de persoonlijkheid van de verdachte niet buiten schot blijven.(5) Hoe externe factoren intern, psychisch, door een verdachte worden verwerkt hangt in belangrijke mate af van de persoonlijkheid van verdachte.(6) Met die individualiteit van verdachte zal rekening moeten worden gehouden, zij het dat hierin een zekere objectivering door de redelijkheid moet worden aangebracht. De vraag is dan wat er redelijkerwijs gevergd kan worden van een persoon als verdachte.(7)

3.9. De werking van de groepsdynamiek heeft de getuige-deskundige De Jong bij verschillende gelegenheden uitgelegd. Hij heeft ter terechtzitting van 14 oktober 2009 beschreven hoe verdachte in een fuik is terechtgekomen waar voor haar een weg terug ontbrak. Dat heeft tot gevolg gehad dat zij zich niet meer aan de beïnvloeding door de groep kon onttrekken. In het laatste onderdeel van zijn overwegingen lijkt het hof de groepsdynamiek uit te sluiten in de afwegingen in het kader van de overmacht, omdat de invloed van die groepsdynamiek bepaald wordt door de persoonlijkheid van verdachte. Mijns inziens geeft deze gedachtegang blijk van een onjuiste invulling van de overmacht. De druk die van de groep uitgaat behoort tot de uitwendige omstandigheden die door het ventiel van de persoonlijkheid worden geperst. Welke druk binnen de persoon wordt opgebouwd hangt af van de capaciteit van het ventiel en de mogelijkheid de drukverhoging te stoppen of druk te laten ontsnappen. Daarbij is de werking van de groepsdynamiek niet zonder belang. Dat er min of meer geobjectiveerde eisen zijn voor de druk die iemand moet kunnen weerstaan doet er niet aan af dat overmacht wordt getypeerd door een wisselwerking tussen uitwendige factoren en persoonlijkheidskenmerken.

3.10. Het derde onderdeel van het eerste middel verwijt het hof dat het ten onrechte de verklaringen van de deskundige professor De Jong buiten beschouwing heeft gelaten, althans in het kader van het beroep op overmacht niet naar waarde heeft geschat.

3.11. Naar mijn mening heeft dit onderdeel geen zelfstandige betekenis meer. Hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting en in zijn rapportages heeft verklaard is door de verdediging gebruikt ter onderbouwing van het beroep op overmacht. De getuige-deskundige heeft gewag gemaakt van de angst van verdachte, gebaseerd op de confrontatie en bedreiging met wapens, de beelden van onthoofdingen, het refereren aan de behandeling van afvalligen en ongelovigen, de indoctrinatie et cetera. Dat alles is ook door de advocaat in hoger beroep verwoord. Het hof was niet gehouden om afzonderlijke aandacht te besteden aan de bevindingen van de getuigen-deskundige.

Het eerste middel slaagt naar mijn oordeel in de eerste twee onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van feit 2. Van verschillende onderdelen van dit bewezenverklaarde feit kan niet worden bewezen dat verdachte daar weet van had, laat staan dat zij daaraan feitelijk heeft bijgedragen of heeft medegepleegd. Het vierde middel formuleert nog een afzonderlijke bewijsklacht over feit 2, er op neerkomende dat verdachte geen oogmerk had op het voorbereiden of bevorderen van moord of doodslag op politici in Nederland. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2. Als feit 2 is bewezen verklaard dat

"zij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om

- moord en/of doodslag, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland,

voor te bereiden en/of te bevorderen:

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededaders:

- één of meer vuurwapens in hun bezit gehad (te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een (op een) CZ, type Vz-61 Scorpion (gelijkend voorwerp) en/of een revolver en/of

- één of meer van voormelde vuurwapens vervoerd en/of

- met een vuurwapen (in een bos) geschoten, en/of

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en/of

- bivakmutsen in zijn bezit gehad en/of

- computers en/of CD-roms voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende instructies voor het maken en/of gebruiken van wapens en/of explosieven (waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandsbediening) en/of giffen en/of instructies met betrekking tot (militaire) training en/of gevechtstechnieken en/of overlevingstechnieken en/of de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten (Bouwstenen van naties.doc (onder meer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad"), (in een map/folder genaamd: i3dad:) 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an_booad.doc, veiligheid.doc) en/of

- bijeenkomsten gehouden en/of overleg gevoerd en/of

- op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en/of e-mail (ondermeer via één speciaal daarvoor aangemaakte e-mail account) en/of

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn en/of

- een lijst gemaakt en/of geprint en/of voorhanden gehad met namen en adressen van politici (van ondermeer de heren Zalm, Balkenende en Wilders en van de dames Hirsi Ali en Griffith) en/of

- een briefje gemaakt en voorhanden gehad met daarop (gecodeerd) de namen en adressen van politici (te weten van de heren Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich) en/of

- een afscheidsboodschap (een zogenaamd zelfmoordtestament) opgenomen/gemaakt en in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voornoemd(e) misdrij(f)(ven), ondermeer inhoudende een filmopname van [betrokkene 3] met op de achtergrond een (op een) automatisch vuurwapen (gelijkend voorwerp), waarbij [betrokkene 3] ondermeer de volgende (Arabische) teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en/of "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet () Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin Laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heeft uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd";"

4.3. Als bewijsmiddel 1 is in de bijlage bij het verkorte arrest de verklaring van verdachte, afgelegd in hoger beroep ter terechtzitting van 30 september 2009, opgenomen. Zij vertelt daar onder meer over een bijeenkomst in [A] in Den Haag waar [betrokkene 2] een lezing hield. Het was de derde lezing van deze medeverdachte die verdachte bijwoonde. In deze derde lezing sprak [betrokkene 2] onder meer over de politieke islam en ongelovigen. Verdachte vond deze lezing extreem en grimmig. Niet blijkt dat zij nadien nog een andere lezing in de moskee heeft bijgewoond. Bij een lezing van [betrokkene 1] in de woning van [betrokkene 2] zag verdachte een mes naast de laptop liggen. Ook bij andere gelegenheden nam zij waar dat [betrokkene 1] de beschikking had over een mes. Verdachte is in contact gekomen met een vrouw, die de echtgenote van [betrokkene 3] bleek te zijn. Toen haar man eens volledig overstuur was vernam verdachte van hem dat volgens [betrokkene 1] ongelovigen moesten worden onthoofd.(8) Toen verdachte en haar man, [medeverdachte], in het Amsterdamse Bos met een wapen hadden moeten schieten besefte zij dat er wapens in de groep omgingen. Zij heeft nog wapens en munitie in Brussel gezien en heeft achteraf gehoord dat zich wapens in de auto hadden bevonden. [Betrokkene 2] heeft verdachte in Brussel een onthoofdingsfilm laten zien. Verdachte en haar man hebben meerdere keren andere leden van de groep van Nederland naar Brussel vervoerd en terug. Bewijsmiddel 2 is een verklaring van haar echtgenoot over het schieten in het Amsterdamse Bos. De bewijsmiddelen 3 tot en met 7 hebben onder meer betrekking op de resultaten van een doorzoeking in de woning van [betrokkene 3]. De bewijsmiddelen 8 en 9 bevatten verklaringen van [betrokkene 7] over de islam-lessen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] die zij bijwoonde. De bewijsmiddelen 10 tot en met 12 geven de bevindingen weer van de politie met betrekking tot observaties en het onderzoek van e-mailverkeer. In bewijsmiddel 13 verklaart [betrokkene 3] over dit e-mailverkeer. Bewijsmiddel 14 geeft de inhoud weer van het zogenaamde apothekersgesprek. De echtgenoot van verdachte verklaart in bewijsmiddel 15 over diensten die hij aan [betrokkene 3] en [betrokkene 1] moest bewijzen. Bewijsmiddel 16 bevat het relaas van een politieambtenaar over de ontcijfering van een in code gesteld briefje. De bewijsmiddelen 17 en 18 houden verklaringen in over dat briefje. Bewijsmiddel 19 geeft de inhoud weer van het video testament van [betrokkene 3]. In bewijsmiddel 20 en 21 verklaart [medeverdachte] over wapens die hij in Brussel heeft gezien en wapens die hij voor [betrokkene 1] heeft vervoerd. De bewijsmiddelen 22 tot en met 24 hebben betrekking op het aantreffen van wapens op het adres van een medeverdachte. In bewijsmiddel 26 verklaart [medeverdachte] weer over de wapens die hij in Brussel heeft gezien. De bewijsmiddelen 27 en 28 bevatten beschrijvingen van de wapens. Bewijsmiddel 29 relateert dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op 22 juni 2005 te Amsterdam zijn aangehouden. [Betrokkene 1] bleek in het bezit van een automatisch vuurwapen, houders met scherpe patronen en een bij het wapen behorende geluiddemper. Het technisch onderzoek naar dit wapen en toebehoren is neergelegd in bewijsmiddel 30, met een herstel in bewijsmiddel 31. Bewijsmiddel 32 bevat een verklaring van een getuige die bevestigt dat [betrokkene 1] in het bezit was van een wapen. Tot slot bevat bewijsmiddel 33 nog een verklaring van [medeverdachte] over het bezit van wapens bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3].

4.4. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is niet meer af te leiden dan dat verdachte besefte dat leden van de groep de radicale islam aanhingen, dat deze personen wapens hadden en dat zij en haar man leden van deze groep heen en weer hebben vervoerd. Er is geen glimp van bewijs dat verdachte het oogmerk zou hebben gehad om moorden of doodslagen op politici in Nederland voor te bereiden of te bevorderen, noch dat zij deel had aan de geheimzinnige communicatie en ontmoetingen, of gasmaskers, bivakmutsen en instructies in haar bezit heeft gehad. Iedere aanwijzing voor enige wetenschap over het apothekersgesprek en over de belangstelling van andere leden van de groep naar de persoonlijke gegevens van Nederlandse politici ontbreekt. Dat verdachte op de hoogte was van het bestaan van het videotestament van [betrokkene 3] blijkt nergens uit.

Beide middelen zijn gegrond.

5.1. Het derde middel klaagt dat het bewijs van de feiten 1A en 1B niet uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden. Verdachte wist niet, in de zin van onvoorwaardelijke wetenschap, dat de leden van de groep het daadwerkelijk plegen van terroristische misdrijven beoogden. Een enkel vermoeden of voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende.

5.2. De bewezenverklaring van deze feiten luidt dat

"A

zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [medeverdachte] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:

- doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk, en/of

- moord, te begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III, te begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

en

B

zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [medeverdachte] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven

- het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III;"

5.3. Van het aan een organisatie als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr deelnemen in de zin van die bepalingen is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Redelijke wetsuitleg brengt voorts mee dat voor deelneming in de zin van evengenoemde artikelen voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.(9)

5.4. Aan de gebezigde bewijsmiddelen is te ontlenen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en andere personen uit hun kring een radicale interpretatie gaven aan de islam, welke onder meer inhield dat ongelovigen en afvalligen mochten worden onthoofd. Voorts was verdachte er van op de hoogte dat deze personen beschikten over schietwapens. Zij heeft gezien dat [betrokkene 1] wapens in zijn bezit had in de woning die verdachte en haar man in Brussel voor [betrokkene 1] hadden gehuurd. Voorts hebben verdachte en haar man [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verschillende malen vervoerd, maar aan geen enkel bewijsmiddel is te ontlenen dat verdachte toen heeft geweten dat zij tevens wapens vervoerde. Dat heeft zij naar eigen zeggen slechts achteraf een keer gehoord. De hand- en spandiensten die verdachte heeft verricht zijn daarom naar mijn oordeel niet te beschouwen als het bewust bijdragen dan wel ondersteunen van gedragingen die gericht zijn op levensberoving of het voorhanden hebben etc. van schietwapens. Het gaat mij te ver ook al van deelnemen aan een criminele organisatie te spreken in het geval verdachte hand- en spandiensten verricht ten behoeve van iemand van wie zij weet dat deze over wapens beschikt, zonder dat verdachte minstens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verrichte diensten daadwerkelijk met wapens te maken hebben, ook al zou zij weten dat het samenwerkingsverband waartoe [betrokkene 1] behoorde het voorhanden hebben van wapens tot oogmerk had.

Het middel komt mij voor gegrond te zijn.

6.1. Het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu het hof in strijd met art. 341, derde lid, Sv de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op tenminste één (ter terechtzitting) afgelegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en een ter terechtzitting afgelegde verklaring van medeverdachte [betrokkene 3].

6.2. Het hof heeft in zijn "Nadere overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde" - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging feiten 1 A en B: de artikelen 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht"(10)

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

(...) Ten slotte zijn twee vuurwapens aangetroffen in een kelderbox behorende bij de woning van de medeverdachte [betrokkene 4]. Die wapens zijn door de medeverdachte [medeverdachte] herkend als dezelfde wapens die hij voordien in zijn woning alsook in Brussel heeft gezien (6).

(...)

(6) Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte] d.d. 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 2010200510.00.11.15, p. 11798 en verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 februari 2008, proces-verbaal p. 35 ev"

6.3. In de bijlage bij het arrest, inhoudende de bewijsmiddelen, heeft het hof onder meer het volgende bewijsmiddel opgenomen:

13. De verklaring van [betrokkene 3]:

[Betrokkene 3] heeft als verdachte ter terechtzitting van dit gerechtshof d.d. 18 april 2008 onder andere het navolgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

"U vraagt mij waarom ik communiceerde via het opstellen van concepten in de emailaccount '[emailadres]'. U heeft geen idee hoe irritant het is om dag en nacht gevolgd te worden. Ik dacht de hele tijd: straks denken ze dit of dat. Ik wilde ook niet dat de levens van de mensen met wie ik contact had of met wie ik afsprak enkel en alleen om de reden dat zij contact met mij hadden, zuur gemaakt zouden worden."

6.4. De steller van het middel heeft aangevoerd dat in art. 341, derde lid, Sv is bepaald dat de verklaringen van een verdachte alleen te zijnen aanzien kunnen gelden, maar dat het vaste jurisprudentie is dat in niet gevoegde zaken verklaringen van een medeverdachte die elders dan ter terechtzitting zijn afgelegd wel kunnen worden gebruikt. Dit is anders indien het gaat om verklaringen die door een medeverdachte ter terechtzitting zijn afgelegd, aldus de steller van het middel, nu deze verklaringen geen bewijsmiddel zijn in de zin der wet. Art. 339 Sv kent immers wel de verklaring van de verdachte en van de getuige, maar niet de verklaring van de medeverdachte, hetgeen door de wetgever nog nader tot uitdrukking is gebracht in art. 341, derde lid, Sv, doordat de opgave van een medeverdachte niet ten aanzien van de verdachte kan gelden.

6.5. Vooropgesteld wordt dat ingevolge art. 341, derde lid, Sv de door de verdachte gedane opgaven alleen te zijnen aanzien en niet ten aanzien van de medeverdachte gelden. Het voorschrift geldt zowel voor op de terechtzitting als elders dan ter terechtzitting gedane opgaven van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.(11) De verklaring van een medeverdachte mag aldus geen bewijsmiddel zijn.(12) In de rechtspraak wordt het begrip medeverdachte echter in dusdanig enge zin gehanteerd dat alleen diegenen wier zaken zijn gevoegd als medeverdachten in processuele zin worden aangemerkt.(13) Dit betekent dat de ter terechtzitting of daarbuiten afgelegde verklaringen van verdachten wier zaken niet gevoegd zijn behandeld over en weer als bewijsmiddel gebruikt mogen worden.(14)

6.6. Gelet op hetgeen onder 6.5. is vooropgesteld, is voor de vraag of het hof door het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte](15) en [betrokkene 3] in de nadere bewijsoverweging respectievelijk als bewijsmiddel in de strafzaak van verdachte het voorschrift van art. 341, derde lid, Sv heeft miskend slechts bepalend of verdachte en [medeverdachte] respectievelijk verdachte en [betrokkene 3] in processuele zin als medeverdachten moeten worden aangemerkt en aldus of de strafzaken gevoegd zijn behandeld. Van belang is daarbij niet of de verklaring ter terechtzitting of daarbuiten is afgelegd.(16)

Het zij duidelijk dat, anders dan het middel betoogt, de verklaring van [medeverdachte] noch de verklaring van [betrokkene 3] een verklaring betreft van een medeverdachte in processuele zin, nu de strafzaken van verdachte en [medeverdachte] in eerste aanleg en in hoger beroep wel gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld en de strafzaken van verdachte en [betrokkene 3] in hoger beroep niet gelijktijdig en derhalve ook niet gevoegd zijn behandeld.(17) Art. 341, derde lid, Sv staat er in het onderhavige geval dan ook niet aan in de weg dat de verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene 3] in de zaak van verdachte in een nadere bewijsoverweging respectievelijk als bewijsmiddel worden gehanteerd.

Het vijfde middel faalt aldus.

6.7. Ten overvloede merk ik op dat de rechter ingevolge art. 350 Sv dient te beraadslagen en beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Daartoe behoort niet wat in een andere zaak is voorgevallen.(18) In onderhavige zaak heeft het hof beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 30 september 2009, 14 oktober 2009 en 28 oktober 2009. Uit de processen-verbaal van die terechtzittingen blijkt niet dat de door [medeverdachte] en [betrokkene 3] in hun eigen zaken ter terechtzitting afgelegde verklaringen op enigerlei wijze deel zijn gaan uitmaken van de bij de onderhavige zaak behorende processtukken.(19) Het hof mocht dan ook geen acht slaan op deze verklaringen. Hierover klaagt het middel echter niet.

7. Het vijfde middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. De overige middelen komen mij gegrond voor.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige, op de tweede volzin van het tweede lid van artikel 440 Sv gebaseerde beslissing, als de Hoge Raad zal menen te behoren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 10/01721 ([medeverdachte]), waarin ik heden ook concludeer.

2 HR 30 november 2004, NJ 2005, 94 m.nt. Mevis.

3 HR 23 november 1999, NJ 2000, 89; HR 19 september 2000, NJB 2000, p. 1796, nr. 123.

4 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 2 bij art. 40 Sr (bij t/m 1 december 2005); D. Hazewinkel-Suringa / J. Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, 15e druk, p. 297; J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, p. 292 e.v.; C. Bronkhorst, Overmacht in het strafrecht, 1952, p. 240 e.v.; M.M. Dolman, Overmacht in het stelsel van strafuitsluitingsgronden, 2006, p. 223; G.G.J. Knoops, Psychische overmacht en rechtsvinding, 1998, p. 21.

5 D. Hazewinkel-Suringa / J. Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, 15e druk, p. 298.

6 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, p. 293, voetnoot 70.

7 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 3 bij art. 40 Sr (bij t/m 1 december 2005).

8 Ook in het verkorte arrest heeft het hof met betrekking tot de feiten 1A en B gewezen op een verklaring van verdachte over [betrokkene 1]. Deze hangt volgens verdachte het standpunt aan dat ongelovigen mogen worden gedood. Voorts kende zij kennelijk de negatieve reputatie van [betrokkene 3]: p. 26.

9 HR 18 november 1997, NJ 1998, 225 m.nt. De Hullu; HR 29 januari 1991, DD 91.168 en 91.169.

10 Zie p. 17 e.v. van het arrest.

11 Vgl. bijv. HR 26 maart 1946, NJ 1946, 310. Zie ook Melai, aant. 9 bij art. 341 Sv (bij t/m 1 maart 1987) en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, p. 675 en 676.

12 Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, p. 675.

13 Vgl. bijv. HR 27 mei 1929, NJ 1929, p. 1329 e.v.; HR 23 december 1929, NJ 1930, p. 229 e.v.; HR 18 december 1933, NJ 1934, p. 324 e.v.; HR 14 juni 1960, NJ 1960, 597 m.nt. B.V.A.R.; HR 29 oktober 1974, NJ 1975, 108; HR 27 mei 1975, NJ 1975, 486; HR 21 november 1978, NJ 1979, 92 m.nt. Th.W.v.V.; HR 26 januari 1988, NJ 1988, 1022; HR 26 april 1988, NJ 1989, 141 m.nt. Th.W.v.V.; HR 6 maart 1990, DD 90.246; HR 6 april 2010, LJN BL0641. Zie ook Melai, aant. 8 bij art. 341 Sv (bij t/m 1 maart 1987) en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, p. 676.

14 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, p. 676.

15 Gelet op hetgeen door de steller van het middel is aangevoerd, ga ik ervan uit dat het middel zich, voor wat betreft het gebruik van de verklaring van [medeverdachte], slechts richt tegen het gebruik van de in voetnoot 6 genoemde ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van 20 februari 2008, proces-verbaal p. 35 e.v. en derhalve niet tegen het gebruik van de in die voetnoot tevens genoemde verklaring van [medeverdachte] bij de politie van 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 2010200510.00.11.15, p. 11798.

16 De steller van het middel verwijst in de schriftuur naar het arrest HR 15 december 1953, NJ 1954, 71, waarin verdachte en zijn echtgenote in eerste aanleg tezamen hebben terechtgestaan. Beiden zijn veroordeeld, waarna alleen verdachte hoger beroep heeft ingesteld. In hoger beroep heeft het hof in de zaak tegen verdachte een ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van zijn echtgenote tot het bewijs gebezigd. De Hoge Raad oordeelde dat die verklaring van de echtgenote van verdachte, die ten tijde van het afleggen van die verklaring medeverdachte was, blijkens art. 339 Sv voor het hof geen in de wet bekend bewijsmiddel opleverde, hetgeen door de wetgever nog nader tot uitdrukking is gebracht, doordat zij krachtens art. 341 Sv niet ten aanzien van verdachte kon gelden. Anders dan het middel lijkt te impliceren, is voor deze uitspraak slechts bepalend geweest dat in eerste aanleg, ten tijde van het afleggen van de verklaring van de echtgenote, de zaken van verdachte en zijn echtgenote gevoegd zijn behandeld en zij aldus als medeverdachten in processuele zin moesten worden aangemerkt. Dat de verklaring van de echtgenote van verdachte ter terechtzitting is afgelegd, is voor de uitspraak niet bepalend. Indien de zaken van verdachte en zijn echtgenote in eerste aanleg niet gevoegd zouden zijn behandeld, zouden zij geen medeverdachten zijn geweest in processuele zin en zou het hof de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de echtgenote, neergelegd in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, tot het bewijs in de zaak van verdachte hebben kunnen bezigen.

17 Overigens zijn de strafzaken tegen verdachte en [betrokkene 3] ook in eerste aanleg niet gelijktijdig en derhalve niet gevoegd behandeld.

18 Vlg. de door A-G Bleichrodt genomen conclusies in HR 13 februari 2007, LJN AZ5473 en HR 18 september 2007, LJN BA7244 en de door A-G Jörg genomen conclusie in HR 6 april 2010, LJN BL0641.

19 De processen-verbaal van de terechtzittingen houden niet in dat het hof de door [medeverdachte] en [betrokkene 3] in hun eigen zaken ter terechtzitting afgelegde verklaringen in het dossier van verdachte heeft gevoegd. De gewraakte verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene 3] betreffen ook niet verklaringen die zij als getuigen in de zaak tegen verdachte hebben afgelegd.