Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR1106

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
09/01998
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR1106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het door het Hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van observatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1406

Conclusie

Nr. 09/01998

Mr. Silvis

Zitting 21 juni 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Verdachte is bij arrest van 4 mei 2009 door het gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, wegens 2. "in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof is afgeweken van een namens verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het proces-verbaal van observatie van het bewijs moet worden uitgesloten en het arrest niet in het bijzonder de redenen vermeldt die daartoe hebben geleid.

4. Namens verdachte is een verweer gevoerd zoals weergegeven in de toelichting op het middel.

5. Bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet het gaan om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.(2) Het verweer komt er op neer dat het bevel stelselmatige observatie niet had mogen worden verstrekt nu er geen sprake was van voldoende verdenking ten aanzien van verdachte en zijn medeverdachte. De informatie waarop de verdenking berustte is namelijk, aldus het verweer, ten onrechte gebruikt, jaren oud en onvoldoende concreet.

6. Ik betwijfel of er sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het verweer is zonder meer een uitvoerig betoog, maar lijkt voorbij te gaan aan de vraag of of er voldoende informatie was om tot een verdenking te komen. In dat opzicht kan mijns inziens niet worden gezegd dat het standpunt door ter zake doende argumenten wordt geschraagd.

De opmerkingen over de huisbezoeken gaan niet verder dan dat deze niet hadden mogen plaatsvinden en er geen rechtvaardiging voor de inbreuk op het huisrecht bestond. Er is een aantal keren aangebeld, men is niet binnengeweest, en verdachte en (bij het eerste bezoek) haar medeverdachte hebben de controleurs aan de deur te woord gestaan. Nu kan een opeenstapeling van afzonderlijk bezien weinig betekenisvolle gebeurtenissen in samenhang een kwalitatief ander karakter krijgen. Zo vertelde Karel van het Reve over, ik meen een lid van de KGB, de Russische geheime dienst, dat dagelijks maanden achtereen vergezeld van een collega bij een bepaalde persoon aanbelde en na opening van de deur zei: "wij komen u vandaag niet arresteren". Dat is staatsterreur. Maar van een dergelijke martelende repetitie, die aan een opbouw van een verdenking niet ten grondslag zou mogen liggen, is hier in de verste verte geen sprake. Wat betreft de huisbezoeken en de waarnemingen in de periode van 22 maart tot 30 juli 2005 wordt aangevoerd dat het hier onrechtmatig verkregen bewijs zou betreffen dat niet gebruikt zou mogen worden. Deze informatie is ook niet gebruikt voor bewijs, het gaat er enkel om of deze informatie mee kan werken aan een verdenking. Overigens geldt voor die waarnemingen dat dit waarnemingen betroffen in het openbaar, die niet op een zodanige manier met de persoon van verdachte of zijn medeverdachte verbonden waren dat de waarnemingen tot resultaat konden hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van verdachtes leven werd verkregen. Dit levert geen zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat gesproken moet worden van een stelselmatige observatie.

In het verweer wordt er voorts aan voorbij gegaan dat de verschillende gronden voor de verdenking in samenhang met elkaar moeten worden beschouwd en niet ieder op zich.

7. Ik meen dan ook dat de inhoud van het verweer niet voldoet aan de aan een uitdrukkelijk onderbouwd verweer te stellen eisen.

8. Het middel faalt derhalve.

9. Het tweede middel klaagt dat het hof ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken waarvan noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat daarvan de korte inhoud is medegedeeld; het betreft de bewijsmiddelen onder II, III, IV en VIII.

10. Ik stel voorop dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 9 januari 2007 onder meer inhoudt "De politierechter deelt mondeling mee de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek waaronder:", en dan volgen een aantal met name genoemde stukken. In aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen II, III, en IV alle verklaringen afgelegd in het voorbereidend onderzoek bevatten, komt het mij voor dat de korte inhoud ervan op de terechtzitting van 9 januari 2007 is meegedeeld.

11. Daar komt bij dat het door [verbalisant 4] op 14 februari 2006 in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer 030270/6010657/0 blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 2007 uitdrukkelijk is genoemd als proces-verbaal waarvan de korte inhoud is meegedeeld. Dit proces-verbaal bevat weergaves van de onder II, III, en IV tot het bewijs gebezigde verklaringen. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

12. Wat betreft bewijsmiddel VIII, dit houdt slechts in dat medeverdachte [medeverdachte] zich op 1 februari 2006 heeft ingeschreven op het adres van verdachte [a-straat 1] te Almere, en dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gemeld bij het centrum voor Werk en Inkomen te Almere met het verzoek in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm. Het komt mij voor dat deze informatie ter zitting inhoudelijk aan de orde is geweest, immers is de inschrijving per 1 februari 2006 ter sprake gekomen ter zitting in hoger beroep van 21 april 2009, evenals de omstandigheid dat verdachte en medeverdachte een gezamenlijke uitkering hebben naar de norm voor een echtpaar. Verdachte heeft dit zelf verklaard.

13. Het bovenstaande in aanmerking genomen mist de klacht feitelijke grondslag. Mocht omtrent het meedelen van de inhoud van bewijsmiddel VIII toch onvoldoende duidelijkheid bestaan, heeft verdachte geen redelijk belang bij de klacht van het middel(3).

14. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

15. Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

16. Namens verdachte is op 14 mei 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 11 juni 2010, bijna 13 maanden na het instellen van het cassatieberoep, bij de Hoge Raad ingekomen.

De Hoge Raad zal tevens niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doen.

De Hoge Raad kan zelf de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 09/01996 inzake [medeverdachte], waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 18 april 2006, LJN: AU8914, NJ 2006/395.

3 Vgl. HR 1 februari 1983, LJN: AD6353, NJ 1983/402, m.nt ThWvV; HR 12 mei 1992, LJN: AC2506, NJ 1992/659.