Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR1105

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
09/01996
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR1105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van het door het Hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van observatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1405
NJB 2011/2162

Conclusie

Nr. 09/01996

Mr. Silvis

Zitting 21 juni 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Verdachte is bij arrest van 4 mei 2009 door het gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, wegens 1. "Opzettelijk uit enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof is afgeweken van een namens verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het proces-verbaal van observatie van het bewijs moet worden uitgesloten en het arrest niet in het bijzonder de redenen vermeldt die daartoe hebben geleid.

4. Namens verdachte is een verweer gevoerd zoals weergegeven in de toelichting op het middel.

5. Bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet het gaan om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.(2) Het verweer komt er op neer dat het bevel stelselmatige observatie niet had mogen worden verstrekt nu er geen sprake was van voldoende verdenking ten aanzien van verdachte en zijn medeverdachte. De informatie waarop de verdenking berustte is namelijk, aldus het verweer, ten onrechte gebruikt, jaren oud en onvoldoende concreet.

6. Ik betwijfel of er sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het verweer is zonder meer een uitvoerig betoog, maar lijkt voorbij te gaan aan de vraag of of er voldoende informatie was om tot een verdenking te komen. In dat opzicht kan mijns inziens niet worden gezegd dat het standpunt door ter zake doende argumenten wordt geschraagd.

De opmerkingen over de huisbezoeken gaan niet verder dan dat deze niet hadden mogen plaatsvinden en er geen rechtvaardiging voor de inbreuk op het huisrecht bestond. Er is een aantal keren aangebeld, men is niet binnengeweest, en verdachte en (bij het tweede bezoek) zijn medeverdachte hebben de controleurs aan de deur te woord gestaan. Nu kan een opeenstapeling van afzonderlijk bezien weinig betekenisvolle gebeurtenissen in samenhang een kwalitatief ander karakter krijgen. Zo vertelde Karel van het Reve over, ik meen een lid van de KGB, de Russische geheime dienst, dat dagelijks maanden achtereen vergezeld van een collega bij een bepaalde persoon aanbelde en na opening van de deur zei: "wij komen u vandaag niet arresteren". Dat is staatsterreur. Maar van een dergelijke martelende repetitie, die aan een opbouw van een verdenking niet ten grondslag zou mogen liggen, is hier in de verste verte geen sprake. Wat betreft de huisbezoeken en de waarnemingen in de periode van 22 maart tot 30 juli 2005 wordt aangevoerd dat het hier onrechtmatig verkregen bewijs zou betreffen dat niet gebruikt zou mogen worden. Deze informatie is ook niet gebruikt voor bewijs, het gaat er enkel om of deze informatie mee kan werken aan een verdenking. Overigens geldt voor die waarnemingen dat dit waarnemingen betroffen in het openbaar, die niet op een zodanige manier met de persoon van verdachte of zijn medeverdachte verbonden waren dat de waarnemingen tot resultaat konden hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van verdachtes leven werd verkregen. Dit levert geen zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat gesproken moet worden van een stelselmatige observatie.

In het verweer wordt er voorts aan voorbij gegaan dat de verschillende gronden voor de verdenking in samenhang met elkaar moeten worden beschouwd en niet ieder op zich.

7. Ik meen dan ook dat de inhoud van het verweer niet voldoet aan de aan een uitdrukkelijk onderbouwd verweer te stellen eisen.

8. Het middel faalt derhalve.

9. Het tweede middel klaagt dat het hof ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken waarvan noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat daarvan de korte inhoud is medegedeeld; het betreft de bewijsmiddelen onder II, III, IV en IX.

10. Ik stel voorop dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 9 januari 2007 onder meer inhoudt "De politierechter deelt mondeling mee de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek waaronder:", en dan volgen een aantal met name genoemde stukken. In aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen II, III, en IV alle verklaringen afgelegd in het voorbereidend onderzoek bevatten, komt het mij voor dat de korte inhoud ervan op de terechtzitting van 9 januari 2007 is meegedeeld.

11. Daar komt bij dat het door [verbalisant 4] op 14 februari 2006 in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer 030270/6010657/0 blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 2007 uitdrukkelijk is genoemd als proces-verbaal waarvan de korte inhoud is meegedeeld. Dit proces-verbaal bevat weergaves van de onder II, III, en IV tot het bewijs gebezigde verklaringen. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

12. Wat betreft bewijsmiddel IX, dit houdt slechts in dat verdachte zich op 1 februari 2006 heeft ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Almere, en dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gemeld bij het centrum voor Werk en Inkomen te Almere met het verzoek in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm. Het komt mij voor dat deze informatie ter zitting inhoudelijk aan de orde is geweest, immers is de inschrijving per 1 februari 2006 ter sprake gekomen ter zitting in hoger beroep van 21 april 2009, evenals de omstandigheid dat verdachte en medeverdachte een gezamenlijke uitkering hebben naar de norm voor een echtpaar. Verdachte heeft dit zelf verklaard.

13. Het bovenstaande in aanmerking genomen mist de klacht feitelijke grondslag. Mocht omtrent het meedelen van de inhoud van bewijsmiddel VIII toch onvoldoende duidelijkheid bestaan, heeft verdachte geen redelijk belang bij de klacht van het middel(3).

14. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

15. Het derde middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, in het bijzonder niet dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit een door misdrijf verkregen uitkering.

16. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006 in de gemeente Almere telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning aan de [a-straat 1] te Almere en van de in de woning aanwezige voorzieningen, zoals gas en water en elektriciteit en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetend dat de huur van die woning en die voorzieningen en die eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus telkens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken."

17. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"I.

Een proces-verbaal van de Sociale recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/0, d.d. 14 februari 2006 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4], sociaal rechercheur, als zodanig buitengewoon opsporingsambtenaar, zoals genoemd in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 2], aangever, (opgenomen op de pagina's 15 en l6 van het hiervoor genoemde proces-verbaal):

Ik ben teamleider Sociale Recherche Flevoland bij de afdeling Handhaving, Dienst Sociale Zaken, van de gemeente Almere en uit hoofde van mijn functie bevoegd tot het doen van aangifte.

[medeverdachte], wonende [a-straat 1] te Almere heeft in de periode van 9 oktober 1996 tot en met 25 januari 2006 een uitkering ontvangen ingevolge de Abw/WWB, norm Alleenstaande ouder.

Uit de binnengekomen informatie en het verder ingestelde onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] en [verdachte] de rechtmatigheidsformulieren over de periode van l januari 1997 tot en met december 2005 vermoedelijk valselijk hebben ingevuld en ondertekend, waarna zij deze inleverden bij de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere.

[Medeverdachte] wist dat zij hier door een uitkering ontvingen, waarop zij geen recht hadden.

Met ingang van l januari 2002 is eveneens een mutatieformulier uitgereikt waarop wijzigingen in persoonsgegevens en leefsituatie aan de Dienst Sociale Zaken gemeld kunnen worden.Van de gezamenlijke huishouding heeft [medeverdachte] op geen enkele wijze melding gemaakt. Zou [medeverdachte] de juiste informatie hebben verstrekt, dan zou aan haar geen uitkering zijn verstrekt, dan wel zou met de hoogte van de uitkering rekening zijn gehouden.

Door haar handelwijze heeft [medeverdachte] in strijd met een aan haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Abw, sedert 1 januari 2005 artikel l7 van de WWB, opzettelijk nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, waardoor [medeverdachte] een uitkering ontving van de Dienst Sociale Zaken, terwijl [medeverdachte] wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht, hoogte en/of duur van de uitkering.

II

Processen-verbaal van verhoor van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/08-1, 2 en 3 d.d. 25 januari 2006, telkens op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], sociaal rechercheurs, als bijlage l3 deel uitmakend van het onder I genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [medeverdachte], medeverdachte:

Ik heb twee kinderen, een jongen en een meisje. Ik heb een relatie met [verdachte]. Ik heb al 13 jaar een uitkering van de Sociale Dienst. Ik denk dat ik vanaf 1997 in Almere woon. Ik was de eerste bewoner van mijn woning aan de [a-straat 1].

Opmerking verbalisant: Ik toonde de verdachte de rechtmatigheidsformulieren over de fraudeperiode van juli 1997 tot en met 31 december 2005, afkomstig uit de administratie van de Dienst Sociale Zaken te Almere.

Ik herken de formulieren aan mijn naam en handtekening. Ik heb de formulieren altijd zelf ingevuld.

De laatste tijd is [verdachte] wel heel veel bij mij. [Verdachte] is inderdaad meer bij mij dan dat hij in zijn eigen woning aan [b-straat] verblijft. Ik kan niet zeggen hoe lang dat al is. We gaan samen wel eens op stap. We gaan wel naar vrienden. We gaan naar het sporten van de kinderen. Hij gaat wel eens mee boodschappen doen. Ik was zijn kleding. Hij kan dat, denk ik, zelf niet. [Verdachte] heeft een sleutel van mijn woning.

Afgelopen juli of augustus zijn we op vakantie geweest naar Turkije. [Verdachte] heeft kleding en wat papier bij mij liggen.

Ik snap wel dat we voor de bijstandswet een gezamenlijke huishouding voeren.

Vraag verbalisant: "[Verdachte] heeft volgens u geen inkomsten en hij verblijft veel bij u, u wast voor hem en hij eet onder andere mee. Hij heeft dus voordeel gehad van uw uitkering."

Ja, als je dat zo stelt, dan klopt dat inderdaad.

III.

Een proces-verbaal van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/08-03, d.d. 25 januari 2006 op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 6], sociaal rechercheurs, als bijlage l5 deel uitmakend van het onder I genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:

Op 25 januari 2006 hoorden wij verbalisanten een buurtbewoner van de [a-straat] te Almere. Deze verklaarde het volgende inzake de bewoners van de [a-straat 1] te Almere.

Het gezin van de [a-straat 1] te Almere bestaat uit een gezin en twee kinderen. De man heet [verdachte]. De man en vrouw wonen samen. Vijf jaar geleden is de relatie even uitgegaan. [Verdachte] ging toen vreemd met een vrouw, genaamd [betrokkene 1]. Het gezin wordt in de [a-straat] door de buurtbewoners ook wel de rijkelui van de straat genoemd, omdat zij altijd de duurste kleding dragen. Ik weet dat [verdachte] hier al tien jaar woont. [Verdachte] rijdt in een witte auto, [medeverdachte] rijdt altijd in een gele auto. Vorig jaar is het gezin naar Turkije op vakantie geweest.

IV.

Een proces-verbaal van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/08-01, d.d. 25 januari 2006 op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 6], sociaal rechercheurs, als bijlage l5 deel uitmakend van het onder I genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:

Op 25 januari 2006 hoorden wij een persoon die, ter vaststelling van zijn identiteit, ons opgaf te zijn genaamd: [betrokkene 3], wonende [a-straat 2] te Almere. Nadat wij aan de getuige hadden medegedeeld waarover wij hem wensten te horen, verklaarde hij het volgende:

Ik begrijp en versta de Nederlandse taal goed. Ik ben de bewoner van [a-straat 2]. Ik woon hier sinds 1995. Mijn buren van de [a-straat 1] bestaat uit een man, vrouw en twee kinderen. Het gezin woont hier ook sinds 1995. De mensen van nummer [001] hebben een Honda en een Hyundai.

V.

Een proces-verbaal van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/05-03, d.d. 20 december 2005 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 7], sociaal rechercheurs, als bijlage 10 deel uitmakend van het onder I genoemde dossier,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:

Op 20 december 2005 hoorden wij, sociaal rechercheurs, een persoon die ons opgaf genaamd te zijn: [getuige 1], woonplaats kiezende te Almere, [c-straat 1]. Nadat wij aan de getuige hadden medegedeeld waarover wij haar wensten te horen verklaarde zij het volgende:

Ik heb vanaf 24 april 1997 tot l augustus 2005 op de [a-straat 3] gewoond. U vraagt mij wie er op nummer [001] woont. Dat weet ik niet. U laat mij een luchtfoto zien en een foto van de [a-straat] en daarop kan ik u de woning aanwijzen. Als u mij vertelt dat het nummer [001] is, dan zal dat kloppen. Op dat adres woonde een gezin met twee kinderen, een jongen en een meisje.

De vrouw had lang blond haar en de man had een fors postuur. Ze doen als gezin heel veel. Het leek mij een heel hecht gezin. Op de foto die u mij toont, herken ik de gele auto als zijnde de auto die bij het gezin hoort. Ik zag hem minder, omdat ik overdag naar mijn werk ging, maar in het weekend zag ik hem wel. Ik had niet de indruk dat hij er alleen het weekend verbleef. Ik had het idee dat ze er gewoon als gezin woonden, met z'n vieren.

VI.

Een proces-verbaal van observatie van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/04, d.d. l0 december 2005 op ambtsbelofte dan wel ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (eed), [verbalisant 2] (eed), [verbalisant 3] (belofte), [verbalisant 4] (belofte), [verbalisant 5] (belofte) en [verbalisant 6] (belofte), sociaal rechercheurs, als bijlage 3 deel uitmakend van het onder I genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van verbalisanten:

Naar aanleiding van het onderzoek, gerelateerd bij proces-verbaal, voorzien van het nummer 030270/6010657/0 contra [medeverdachte] en [verdachte], hebben wij, allen sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, met toestemming van de officier van justitie observaties verricht op verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] met betrekking tot het onderzoek en daarbij het volgende bevonden:

Gedurende de periode l5 augustus 2005 tot en met l3 november 2005 hebben er 213 observaties op 78 dagen plaatsgevonden teneinde vast te stellen of verdachte [verdachte] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verdachte [medeverdachte]. Verdachte is van de 78 dagen 28 dagen waargenomen in de [a-straat]. Tevens is waargenomen dat verdachte [verdachte] over een sleutel beschikte van het perceel met nummer [001]gelegen in de [a-straat].

Van de 213 observaties is l74 keer gezien dat de gele Hyundai Atos, welke volgens RDW-gegevens op naam stond van [verdachte], geparkeerd stond op de [a-straat] en/of in de omgeving van Almere is waargenomen. Bij een drietal waarnemingen is waargenomen dat verdachten gezamenlijk boodschappen deden bij een supermarkt en bij de Ikea Amsterdam. Bij de betaling van de goederen in de Ikea is waargenomen dat verdachte [verdachte] contant de goederen afrekende.

VII.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 23 april 2009:

Ik wist dat [medeverdachte] een uitkering had. Ik woonde niet bij haar. Aanvankelijk woonde ik op [b-straat] in Amsterdam. In 1999 kreeg ik een relatie met [betrokkene 1]. Ik heb eerst met [betrokkene 1] in mijn huis aan [b-straat] gewoond. Op een gegeven moment verhuisden wij naar de [d-straat 1], ook in Amsterdam. Ik woonde dus in Amsterdam, maar soms bezocht ik [medeverdachte] in Almere. Dat kon, omdat ik altijd nachtdienst had en [betrokkene 1] overdag werkte.

[betrokkene 1] raakte op een gegeven moment zwanger. Daar was ik niet blij mee. Ik had immers ook nog een relatie met [medeverdachte]. Met [betrokkene 1] kwam het ergens in de zomer van 2004 tot een relatiebreuk.

VIII.

De verklaring van [betrokkene 1], als getuige gehoord ter terechtzitting van 9 januari 2007 van de politierechter Zwolle-Lelystad, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik met [verdachte] een relatie heb. We hebben tijdens die relatie ook een aantal jaren samengewoond, van juni 1999 tot de nazomer van 2004. [Verdachte] en ik hebben gedurende die hele periode samengewoond.

IX.

Een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de Sociale Recherche Flevoland, nr. 030270/6010657/02, d.d. 16 februari 2006 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 4], sociaal rechercheur, deel uitmakend van het onder I genoemde dossier,voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op l6 februari 2006 zag ik, in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Almere dat [verdachte] zich, met ingang van l februari 2006 had ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Almere. Tevens zag ik in het uitkeringssysteem van de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere dat [medeverdachte] en [verdachte] zich gezamenlijk hadden gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen te Almere met het verzoek in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm."

18. De bewijsmiddelen houden - voor zover voor het middel van belang - het volgende in:

- medeverdachte [medeverdachte] heeft tot en met 25 januari 2006 een uitkering ontvangen ingevolge de Abw/WWB, norm Alleenstaande ouder;

- zij snapt dat zij met verdachte voor de bijstandswet een gezamenlijke huishouding voerde;

- verdachte ging samen met [medeverdachte] naar vrienden, naar het sporten van de kinderen, mee boodschappen doen, en ze zijn samen op vakantie gegaan;

- [medeverdachte] wast de kleding van verdachte en verdachte heeft een sleutel van de woning;

- verdachte heeft geen inkomsten, en verblijft veel bij [medeverdachte], hij eet daar mee, en zij wast voor hem;

- volgens [medeverdachte] klopt het dat verdachte voordeel heeft gehad van haar uitkering;

- verdachte wist dat [medeverdachte] een uitkering had;

- er is een drietal waarnemingen waarbij verdachte samen met [medeverdachte] boodschappen doet bij een supermarkt en de Ikea; bij de waarneming waarbij verdachte en [medeverdachte] samen boodschappen deden bij Ikea rekende verdachte bij betaling de goederen contant af.

19. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte geen eigen bron van inkomsten had, dat hij wist dat [medeverdachte] een uitkering had, dat hij met [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerde, en dat hij, bij gebreke aan een eigen inkomen, moest weten dat hij op kosten van [medeverdachte] leefde.

20. Het middel faalt derhalve.

21. Het vierde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

22. Namens verdachte is op 14 mei 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 11 juni 2010, bijna 13 maanden na het instellen van het cassatieberoep, bij de Hoge Raad ingekomen.

De Hoge Raad zal tevens niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doen.

De Hoge Raad kan zelf de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

23. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 09/01998 inzake [medeverdachte], waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 18 april 2006, LJN: AU8914, NJ 2006/395.

3 Vgl. HR 1 februari 1983, LJN: AD6353, NJ 1983/402, m.nt ThWvV; HR 12 mei 1992, LJN: AC2506, NJ 1992/659.