Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BR0453

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
10/00609
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR0453
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep. Bij de stukken bevindt zich een mededeling uitspraak met daaraan gehecht een akte van uitreiking die inhoudt dat na vergeefse aanbieding die mededeling is teruggezonden aan de afzender. Nu zich bij de stukken geen andere akte van uitreiking bevindt, is het oordeel van het Hof dat blijkens de akte van uitreiking de mededeling van het vonnis in persoon is betekend niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 10/00609

Mr. Vegter

Zitting 14 juni 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 20 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Kantonrechter te Haarlem, zitting houdende te Zaandam, van 28 maart 2006, waarbij verdachte wegens overtreding van artikel 30, vierde lid, WAM bij verstek is veroordeeld tot twee weken hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. F.P. Stewe, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn appel althans die beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houden de gedingstukken het volgende in:

a. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter te Haarlem, zitting houdende te Zaandam, van 28 maart 2006, waaruit volgt dat die dagvaardig, na tevergeefse aanbieding op het GBA-adres van verdachte, op 3 januari 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Haarlem en op diezelfde dag als gewone brief naar het GBA-adres van verdachte is verzonden.

b. Een aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter te Haarlem, zitting houdende te Zaandam, van 28 maart 2006 en met het parketnummer 15/808436-05, waarbij verdachte wegens overtreding van artikel 30, vierde lid, WAM bij verstek is veroordeeld tot twee weken hechtenis.

c. Een mededeling uitspraak betreffende voornoemd vonnis, met daaraan gehecht een akte van uitreiking, waaruit volgt dat die mededeling uitspraak, na tevergeefse aanbieding op het adres waarop verdachte in GBA het laatst stond ingeschreven, op 3 mei 2006 is teruggezonden aan de afzender.

d. Een GBA-overzicht van 15 mei 2006 betreffende verdachte, waaruit volgt dat verdachte sinds 30 januari 2006 zonder vaste woon- of verblijfplaats is en waarop met pen is geschreven: "graag signaleren".

e. Een afdoeningsbericht signalering, afkomstig van de Dienst Verkeerspolitie/Buro RICO (Politie Amsterdam), welk bericht blijkens de daarop geplaatste stempel op 5 februari 2007 bij het Arrondissementsparket te Haarlem is binnengekomen en waarop is aangekruist dat de afdoening zag op een "betekening in persoon". Die afdoening zou op 25 januari 2007 zijn afgehandeld door (politie)ambtenaar [verbalisant 1]. Verder houdt dit schrijven onder meer in:

"Aan de opdracht tot afdoening ingevolge bijgaande OPS c.q. PAPOS print is gevolg gegeven. Van de afdoening is middels een intern verantwoordingsformulier kennis gegeven aan bovengenoemd buro. Op basis van voornoemd afdoeningsformulier M 121 welke gearchiveerd is aan bovengenoemd buro, is dit schrijven opgesteld. Zonodig kan het afdoeningsformulier nagezonden worden."

f. Een aan voornoemd afdoeningsbericht gehecht proces-verbaal afhandeling signaleringen en de voorlopige maatregel, dat op ambtseed/-belofte is opgemaakt en op 25 januari 2007 is ondertekend door [verbalisant 1]. In dit proces-verbaal zijn de personalia van verdachte vermeld. Voorts is onder het kopje "Signaleringen/Beschikkingen" aangegeven dat het gaat om "Parket/CJIB/Beschikking-nr B900123030" en dat de code "BETIP" daarop van toepassing is. Onder het kopje "Info veroordeelde/betrokkene" staat vervolgens achter "BETIP" de volgende informatie:

"Aan u is schriftelijk informatie omtrent de signalering verstrekt. Neem contact op met het vermelde parket voor informatie over een in te stellen rechtsmiddel. Indien u niet reageert, gaat een eventuele proeftijd in op de 15e dag na dagtekening van dit schrijven."

Verder is in het proces-verbaal aangekruist het vakje "Betekening, verwezen voor beroep binnen 14 dagen" en is daaronder aangegeven dat het gaat om "Parket KG A'dam & Haarlem". Tot slot wordt in het proces-verbaal de code M-121 genoemd.

g. Een aan voornoemd afdoeningsbericht gehechte print "List tonen feiten t.b.v. raadplegen" van 26 januari 2007. Deze print houdt onder meer in de personalia van verdachte, "vonnisdatum: 28/03/2006", "Eig. ref. sign. aut.: 1580843605" en "Parket/cjib num.: B900117109".

h. Een aan voornoemd afdoeningsbericht gehechte uitdraai uit COMPAS, met als kopje "Melding ontvangen versluieringen OPS", van 30 januari 2007. Deze uitdraai houdt onder meer in de naam van verdachte, "Parketnr.: 808436-05" en "CJIBnr.: 900117109". Verder staat hierin achter "Bijzonderheden" vermeld: "25-01-2007/BETEKEND (...)."

i. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waarin tevens is opgenomen de aantekening van het mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van het Hof van 20 januari 2010, inhoudende - voor zover voor de beoordeling van het middel relevant -:

"(...)

De voorzitter houdt de verdachte voor dat de vraag rijst of het appel niet te laat is ingesteld.

De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld mondeling te reageren op deze uitlating van de voorzitter.

De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart - zakelijk

weergegeven -:

Ik was indertijd ingeschreven aan het adres [b-straat 1] te [woonplaats]. Dit betreft het adres van mijn zus. Ik heb mijn post niet goed in de gaten gehouden. U houdt mij voor dat de dagvaarding in eerste aanleg tevens is gestuurd naar het adres [c-straat 1 ] te [woonplaats]. Dit is mij niet bekend. Ik ben van mening dat het door mij ingestelde hoger beroep gewoon behandeld dient te worden.

(...)

AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

1. Voorvragen

Verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Blijkens de akte van uitreiking behorende bij de mededeling van het vonnis van 28 maart 2006, is deze aan verdachte op 25 januari 2007 in persoon betekend. Verdachte heeft op 2 november 2009 appel ingesteld. Ingevolge artikel 408, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafvordering had verdachte het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis dienen in te stellen, hetgeen niet is gebeurd. Omstandigheden die maken dat het te laat instellen van het appel verontschuldigbaar is, zijn niet aannemelijk geworden.

(...)"

5. Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen en binnen welke termijn tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld; die termijnen zijn van openbare orde.(1) Overschrijding van een dergelijke termijn betekent dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.(2)

6. Art. 408 Sv luidt:

"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

(...)

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

(...)"

7. Blijkens de aantekening van het mondeling arrest heeft het Hof zijn oordeel gegrond op art. 408, eerste lid, onder c Sv, zonder dat het Hof heeft vastgesteld dat "zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was". Het Hof heeft slechts vastgesteld dat de mededeling van het vonnis op 25 januari 2007 in persoon aan verdachte is betekend. Dit gegeven is echter niet relevant voor de maatstaf van art. 408, eerste lid, onder c Sv, maar voor de maatstaf van art. 408, tweede lid Sv. De betekening van de mededeling van een verstekvonnis is er immers op gericht om de verdachte omtrent de einduitspraak in te lichten. Het onderscheid tussen de beide maatstaven is van belang voor het begin van de appeltermijn. In het geval van art. 408, eerste lid, onder c Sv begint de termijn namelijk te lopen op de dag na de uitspraak, terwijl in het geval van art. 408, tweede lid Sv de termijn gaat lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de verdachte met de einduitspraak bekend is geworden. Kennelijk heeft het Hof bedoeld te overwegen dat ingevolge artikel 408, tweede lid, Sv verdachte het hoger beroep binnen 14 dagen na de betekening van de mededeling van het vonnis had dienen in te stellen, en dat dat niet is gebeurd.

8. Van cruciaal belang is of de einduitspraak verdachte inderdaad bekend is geworden.(3) Dat is het geval, wanneer de verdachte op de hoogte is gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van het hoger beroep.(4) Niet vereist is dat de volledige inhoud van het vonnis ter kennis komt van verdachte of dat de uitspraak hem middels een formeel bericht bekend wordt.(5) Voorts mag van degene die in een strafzaak is betrokken in redelijkheid worden gevergd dat deze zich tijdig op de hoogte stelt van de inhoud van een aan hem uitgereikt gerechtelijk schrijven indien die inhoud bij ontvangstneming niet duidelijk is.(6) De verdachte dient dan zelf actie te ondernemen.(7)

9. Het Hof heeft in het bestreden arrest als volgt overwogen: "Blijkens de akte van uitreiking behorende bij de mededeling van het vonnis van 28 maart 2006, is deze aan verdachte op 25 januari 2007 in persoon betekend." Met de steller van het middel ben ik van mening dat dit, gelet op hetgeen hierboven onder 4c is weergegeven, niet blijkt uit de akte van uitreiking. Kennelijk heeft het Hof bedoeld te verwijzen naar het hiervoor onder 4f genoemde proces-verbaal. Het middel behelst niet de klacht dat uit de (overige) stukken van het geding niet volgt dat het vonnis van 28 maart 2006 aan verdachte in persoon is betekend.

10. Naar het kennelijke oordeel van het Hof had de verdachte op 25 januari 2007 voldoende gegevens in handen omtrent hetgeen voor deze van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het eventueel instellen van hoger beroep, met als gevolg dat verdachte het hoger beroep binnen veertien dagen nadien had moeten instellen, hetgeen niet is geschied. Dat oordeel geeft - gelet op de inhoud van de onder 4f, 4g en 4h genoemde stukken - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is dit oordeel onbegrijpelijk.

11. Het voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 8 september 2009, LJN BI7028.

2 Vgl. HR 15 maart 2011, LJN BP2429.

3 Zie de conclusie van mijn ambtsgenoot G. Knigge bij HR 11 december 2007, LJN BB3055.

4 Vgl. HR 3 mei 1994, LJN ZC9722, NJ 1994/578, m. nt. Veen.

5 Vgl. HR 25 maart 1952, NJ 1953/109 en zie de conclusie van mijn ambtsgenoot G. Knigge bij HR 8 september 2009, LJN BI7028.

6 Vgl. HR 23 maart 1982, LJN AC7568.

7 Vgl. HR 23 juni 1981, LJN AC7262.