Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ9102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10/03456 B en 10/03457 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ9102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Beslag. Art. 552a Sv en art. 116 Sv. HR merkt op dat de opvatting dat het de OvJ niet meer vrijstaat een beslissing te nemen a.b.i. art. 116.2 onder a en b, Sv indien een klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp is ingediend, geen steun vindt in het recht. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1341
NJB 2011/2064
JOW 2012/12
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/03456 B en 10/03457 B

Mr. Knigge

Zitting: 7 juni 2011

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank Haarlem heeft bij beschikking van 8 juli 2010 een klaagschrift van klager ex. art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het gelegde beslag, met last tot teruggave van een bestelauto (Peugeot Partner) en een klaagschrift van klager ex. art. 116 Sv, gericht tegen de hem toegezonden mededeling van de officier van justitie om de onder hem in beslag genomen bestelauto terug te geven aan [betrokkene 1], ongegrond verklaard en de teruggave aan [betrokkene 2] van de bestelauto gelast.

2. Tegen deze beschikking is namens klager twee keer - kennelijk telkens partieel - cassatieberoep ingesteld, één keer voor zover in die beschikking op het klaagschrift ex art. 552a Sv is beslist en éen keer voor zover daarin op het klaagschrift ex art. 116 Sv is beslist..

3. Namens klager heeft mr. C.L. Kranendonk, advocaat te Beverwijk, twee schrifturen ingediend, elk houdende twee middelen van cassatie. Nu de twee cassatieberoepen zijn gericht tegen één beschikking (waarin is beslist op twee klaagschriften) en gelet op de samenhang tussen de middelen, zal ik de middelen in één conclusie bespreken. In beide schrifturen zijn telkens twee cassatiemiddelen geformuleerd, waarvan het tweede identiek is. Ik zal dat tweede gezamenlijke middel als laatste bespreken. Daaraan vooraf gaat de bespreking van de middelen die in beide schrifturen als eerste worden gepresenteerd.

4. Voor de begrijpelijkheid van de bestreden beschkking zal ik eerst de achtergrond van deze zaak schetsen. De zoon van klager is bij vonnis van 1 februari 2010 door de Rechtbank Haarlem veroordeeld voor het van [betrokkene 1] afpersen van een bestelauto. Deze afpersing bestond - zo valt uit dat vonnis, dat zich bij de stukken bevindt, op te maken - onder meer hierin dat [betrokkene 1] werd gedwongen de bestelauto te verkopen aan klager, die de bestelauto op zijn naam liet zetten. In de klaagschriften wordt een beroep gedaan op het koopcontract dat van de verkoop zou zijn opgemaakt. In het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift wordt er melding van gemaakt dat klager als medeverdachte van de afpersing is aangemerkt, maar dat de vordering inbewaringstelling is afgewezen. Namens mij ingewonnen inlichtingen hebben uitgewezen dat de klager inmiddels onherroepelijk is vrijgesproken van zijn vermeende aandeel in de afpersing.

5. De beschikking van de Rechtbank houdt ten aanzien van beide klaagschriften het volgende in:

"De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op het bepaalde in artikel 116 lid 4 Sv kan het openbaar ministerie het in beslag genomen voorwerp teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen dit kennelijk door middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken.

Bij vonnis van 1 februari 2010 van deze rechtbank is de zoon van klager onder meer veroordeeld voor afpersing door twee of meer verenigde personen (van onder meer de bestelauto). De rechtbank acht derhalve bewezen dat de bestelauto door middel van een strafbaar feit aan de rechthebbende is onttrokken. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [betrokkene 1] aangemerkt kan worden als rechthebbende. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Het volgende is daartoe redengevend. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het aankoopbewijs van de bestelauto op naam staat van [betrokkene 1]. Klager heeft geen omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat hij [betrokkene 2] ten tijde van de overdracht voor bevoegd mocht houden en die uitsluiten dat hij redenen had om aan diens bevoegdheid te twijfelen. De enkele stelling dat de auto alleen op naam stond van [betrokkene 1] voor de voordeligheid, is daartoe onvoldoende. Nu de overdracht bovendien onder invloed van afpersing heeft plaatsgevonden, kan klager zich niet beroepen op het feit dat hij te goeder trouw was ten tijde van de overdracht en komt hem derhalve geen beroep toe op de beschermingsbepaling van 3:86 BW.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat - nu het belang van strafvordering zich klaarblijkelijk niet verzet tegen de opheffing van het gelegde beslag - het openbaar ministerie de bestelauto moet afgeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zijnde de belanghebbende [betrokkene 2]"

6. Het eerste middel in de zaak 10/03456 (betreffende het klaagschrift ex art. 552a Sv)

6.1. Het middel, in samenhang gelezen met de toelichting erop, klaagt dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank er (reeds) vanuit gaat dat de bestelauto (mede door klager) door middel van een strafbaar feit aan de rechthebbende is onttrokken. Dit omdat het door de Rechtbank bedoelde vonnis niet onherroepelijk was(1) en omdat klager daarin niet als medepleger is aangemerkt.

6.2. Ik stel voorop dat mij niet duidelijk is geworden waarom de Rechtbank in haar inleidende overweging een beroep doet op het bepaalde in art. 116 lid 4 Sv, nu het niet gaat om het - in afwachting van de definitieve beslissing met betrekking tot het beslag - in bewaring geven van de bestelauto aan de rechthebbende. Voor de in art. 116 lid 3 Sv geregelde teruggave aan de rechthebbende is niet vereist dat de beslagene het beslaggoed door middel van een strafbaar feit aan de rechthebbende heeft onttrokken. De vaststellingen die de Rechtbank op dit punt heeft gedaan, zijn derhalve weinig relevant. Het kan er mijns inziens voor gehouden worden dat het hier niet gaat om een dragende overweging, maar om een ongelukkig uitgevallen inleiding op de vraag of een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de bestelauto moet worden beschouwd.

6.3. Ik merk in dit verband het volgende op. Hoe ook de overweging dat "de rechtbank (...) derhalve bewezen [acht]" dat de bestelauto door middel van een strafbaar feit aan de rechthebbende is onttrokken, moet worden begrepen (daarover aanstonds), daarin heeft de Rechtbank in elk geval niet gesteld dat de auto door een door de klager gepleegd misdrijf aan de rechthebbende is onttrokken. In die overweging kan dan ook niet gelezen worden dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat zij reeds op die grond uitgesloten acht dat klager als de rechthebbende moet worden aangemerkt. Als dat anders was, zou de Rechtbank niet zijn ingegaan op de vraag of klager [betrokkene 2] voor beschikkingsbevoegd mocht houden (ex. art. 3:86 BW) en zou de Rechtbank niet hebben geoordeeld dat klager zich niet op zijn - eventuele - goede trouw kon beroepen.

6.4. Bij dat laatste - subsidiaire - argument beroept de Rechtbank zich op het feit dat de overdracht van de auto onder invloed van afpersing heeft plaatsgevonden. Alleen in zoverre heeft de Rechtbank dus aan het door haar genoemde veroordelende vonnis betekenis toegekend. Ik meen dat de desbetreffende overweging daarbij aldus gelezen moet worden dat de Rechtbank daarin vaststelt dat de uitgesproken veroordeling impliceert dat de rechtbank die deze veroordeling uitsprak, bewezen heeft geacht dat van afpersing sprake was. Met die verwijzing naar de inhoud van het vonnis heeft de Rechtbank kennelijk als haar - uit de aard der zaak voorlopige - oordeel tot uitdrukking willen brengen dat het naar haar oordeel aannemelijk is dat de bestelauto door afpersing is onttrokken aan degene die op dat moment rechthebbende was.

6.5. Het middel, dat berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, faalt.

7. Het eerste middel in de zaak 10/03457 (betreffende het klaagschrift ex. art 116 Sv)

7.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank geen beslissing heeft genomen op het door klager gevoerde verweer dat het OM in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde een kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv heeft laten uitgaan, terwijl klager toen reeds een klaagschrift tot teruggave had ingediend. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat dit verweer in het klaagschrift zou zijn opgenomen.

7.2. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is een dergelijk verweer niet opgenomen in het klaagschrift en evenmin tijdens de openbare behandeling in raadkamer naar voren gebracht. Het middel faalt in zoverre dus reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Overigens meen ik dat de Rechtbank een dergelijk verweer slechts had kunnen verwerpen. Niet valt in te zien waarom het feit dat de beslagene een klaagschrift ex art. 552a Sv indient, de officier van justitie berooft van de hem in art. 116 lid 3 Sv in het belang van de rechthebbende toegekende bevoegdheid.

7.3. In de toelichting op het middel wordt nog gesteld dat het OM - door de kennisgeving ex art. 116 lid 3 Sv alleen aan de klager en niet tevens aan diens raadsman te zenden - bewust de situatie heeft willen creëren dat klager niet tijdig op de mededeling reageerde, zodat het aan het OM vrijstond de bestelauto aan [betrokkene 1]. te doen toekomen. Ook hier geldt dat een dergelijk verweer in feitelijke aanleg niet is gevoerd. In de enkele opmerking in het klaagschrift dat klager het, gezien de correspondentie welke met het OM over de inbeslaggenomen bestelauto is gevoerd, "overigens wonderlijk en incorrect" vindt dat de raadsman van klager niet in kennis is gesteld van het voornemen van het OM - een opmerking waarop bij de behandeling van het klaagschrift niet is teruggekomen - had de Rechtbank niet een dergelijk verweer hoeven lezen. Overigens geldt ook hier dat de Rechtbank een dergelijk verweer enkel had kunnen verwerpen. Zo al van een verzuim zou kunnen worden gesproken, heeft de klager daarvan in casu geen nadeel ondervonden nu zijn raadsman tijdig met de kennisgeving bekend is geworden. Bovendien kan een dergelijk verzuim er niet toe leiden dat de beslissing over de vraag wie de rechthebbende is in het voordeel van klager moet uitvallen. Voor niet-ontvankelijkheid van het OM is, zo merk ik nog op, in de beklagprocedure geen ruimte.

7.4. Het middel faalt.

8. Het tweede middel in de beide zaken (10/03456 en 10/3457)

8.1. Het middel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de Rechtbank [betrokkene 1] als rechthebbende heeft aangemerkt. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in de pleitaantekeningen die ter zitting van 24 juni 2010 door klager zijn "benut", nadrukkelijk de omstandigheden zijn aangegeven waarom klager [betrokkene 2] voor bevoegd kon houden.

8.2. Uit het proces-verbaal van de openbare raadkamerbehandeling van 24 juni 2010 blijkt niet dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, laat staan dat dergelijke pleitaantekeningen zijn overgelegd. Overigens heb ik onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken geen pleitnota aangetroffen. In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag. Ik merk voorts op dat in geen van beide klaagschriften omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan klager [betrokkene 2] voor bevoegd zou hebben kunnen houden. Uit de processen-verbaal van de openbare raadkamerbehandelingen van 8 april 2010 (toen de behandeling van de klaagschriften is aangehouden) en van 24 juni 2010 blijkt enkel dat de raadsman heeft aangevoerd dat [betrokkene 2] altijd in de bestelauto reed en dat [betrokkene 2] had verklaard dat de auto alleen op naam van zijn vader stond omdat dat voordeliger was. Daarbij is gesteld dat klager niet wist dat [betrokkene 2] niet beschikkingsbevoegd was en dit ook niet behoefde te weten.

8.3. Het oordeel van de Rechtbank dat [betrokkene 1] gezien het aankoopbewijs ten tijde van de verkoop van de auto de rechthebbende op die auto was en dat klager geen omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat klager [betrokkene 2] ten tijde van de overdracht desondanks voor beschikkingsbevoegd mocht houden en die uitsluiten dat hij redenen had om aan diens bevoegdheid te twijfelen, is gelet op het gestelde in de beide klaagschriften en hetgeen namens klager op de openbare raadkamerbehandeling van 24 juni 2010 is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, is niet meer aangevoerd dan dat de bestelauto enkel omdat dat voordelig was op naam van [betrokkene 1] stond. Het is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank deze omstandigheid niet voldoende vond om aan te nemen dat [betrokkene 2] eigenaar van de auto was(2) of om goede trouw bij klager op dit punt aan te nemen.

8.4. In dit verband wijs ik op het civielrechtelijke arrest van de Hoge Raad van 4 april 1986, LJN AB9446, NJ 1986/810 m.nt. WMK waarin het eveneens draaide om goede trouw bij de koop van een motorvoertuig.(3) De Hoge Raad overwoog dat voor goede trouw, vereist voor een beroep op art. 3:86 BW, niet alleen nodig is dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste oordeelde de Hoge Raad dat de koper onderzoek dient in te stellen naar de bevoegdheid van de verkoper, hetgeen meebrengt dat de verkrijger van een tweede-handsauto tenminste de autopapieren - waaronder het overschrijvingsbewijs (destijds geheten deel III, thans deel II) - heeft onderzocht met het oog op deze bevoegdheid, wil hij ten tijde van de verkrijging te goeder trouw zijn. Dat de verkrijger dit onderzoek heeft gedaan, behoort tot de omstandigheden die de verkrijger bij de betwisting van zijn goede trouw zal hebben te stellen, aldus de Hoge Raad. Uit dit arrest vloeit logischerwijs voort dat als een onderzoek uitwijst dat het kentekenbewijs op naam is gesteld van een ander dan de verkoper, de verkrijger niet (zonder meer) te goeder trouw kan zijn. Als de verkoper een goede reden aandraagt voor dit verschil, bijvoorbeeld dat hij door de eigenaar is gemachtigd om de auto te verkopen, zal het van de omstandigheden van het geval afhangen of goede trouw kan worden aangenomen. De verkrijger zal dan veelal verder onderzoek moeten instellen naar die gestelde reden en bijvoorbeeld moeten verlangen dat hem een schriftelijke machtiging wordt getoond.

8.5. In het onderhavige geval heeft klager niet aangevoerd dat hij het van hem verlangde onderzoek naar de autopapieren heeft gedaan, laat staan dat hij heeft gesteld dat daaruit bleek dat de auto op naam van [betrokkene 2] stond. Hetgeen door de klager is aangevoerd, wijst er veeleer op dat de auto op naam van [betrokkene 1] stond en dat klager dat ten tijde van de verkrijging wist. Maar wat er van dat laatste ook zij, het oordeel van de Rechtbank dat klager niet te goeder trouw was omdat hij redenen had om aan de beschikkingsbevoegdheid te twijfelen, is niet onbegrijpelijk.

8.6. De Rechtbank voert in haar beschikking nog een subsidiaire grond op voor haar oordeel dat klager niet als de rechthebbende kan worden aangemerkt. Aangezien het oordeel van de Rechtbank reeds op de primaire grond stand houdt, meen ik met een enkele opmerking over de subsidiaire grond te kunnen voltaan.

8.7. De subsidiaire grond houdt in dat, zelfs al zou klager te goeder trouw zijn geweest, art. 3:86 lid 3 BW aan de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid in de weg staat. Dit derde lid vormt een uitzondering op de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid die het eerste lid van art. 3:86 BW biedt. De eigenaar van een goed die het bezit ervan door diefstal heeft verloren, heeft de mogelijkheid tot revindicatie, ook al is de verkrijger te goeder trouw. Kennelijk meent de Rechtbank dat afpersing gelijk gesteld kan worden aan diefstal in de zin van art. 3:86 lid 3 BW. In de jurisprudentie heb ik geen sluitend antwoord gevonden op de vraag deze mening juist is. In haar conclusie voor HR 6 november 1987, LJN AB9565, NJ 1988/293 wierp A-G Biegman-Hartogh deze vraag wel op, maar liet deze verder rusten:

"In Schut-Rodenburg wordt op p. 85 de vraag gesteld of, nu de ratio van het onderscheid tussen lid 1 en lid 3, anders dan vroeger, is gelegen in de noodzaak van misdaadbestrijding, aan de gedepossedeerde niet alleen in geval van diefstal, maar ook bij oplichting, afpersing en afdreiging een beroep op lid 3 zou moeten toekomen. Aangezien deze misdrijven in ons geval echter niet zijn gepleegd, laat ik deze vraag rusten."

Gewezen kan voorts worden op HR 12 oktober 1999, LJN ZD1744 (niet gepubl.). In deze zaak, waarin de oorspronkelijke eigenaar aangifte had gedaan van verduistering, oordeelde de Hoge Raad dat het "onder die omstandigheden - gelet op de bescherming die art. 3:86, derde lid, BW slechts ingeval van diefstal biedt aan de eigenaar van een roerende zaak" onbegrijpelijk was dat de Rechtbank had geoordeeld dat de oorspronkelijke eigenaar een beter recht had. Uit deze overweging blijkt weliswaar dat art. 3:86 lid 3 BW de oorspronkelijke eigenaar alleen ingeval van diefstal beschermt, maar wat daarbij onder "diefstal" moet worden verstaan, daarover biedt de overweging geen uitsluitsel.

8.8. In zijn conclusie voorafgaand aan de zojuist besproken beschikking merkte A-G Fokkens op dat andere vormen van verlies van het goed door de oorspronkelijke eigenaar dan de in art. 310 e.v. Sr omschreven diefstal vermoedelijk niet vallen onder het begrip diefstal, genoemd in art. 3:86 lid 3 BW. Daarbij wilde hij echter niet op voorhand uitsluiten dat sommige gevallen van verduistering -bij winkeldiefstallen bijvoorbeeld is er een vloeiende grens tussen diefstal en verduistering, terwijl in beide gevallen de eigenaar zijn goederen kwijt raakt omdat de dader deze wegneemt - en afpersing als diefstal in voornoemde zin kunnen worden beschouwd. Blijkens de wetsgeschiedenis - waarop ook A-G Fokkens wees - berust de mogelijkheid tot revindicatie ondanks de goede trouw van de verkrijger op de gedachte van misdaadbestrijding, welk aspect ontbreekt bij verloren zaken.(4) Onder de gelding van het oude art. 2014 BW werd de opvatting verdedigd dat voor bescherming van de derde-verkrijger te goede trouw slechts plaats was als het goed door toedoen van de oorspronkelijke eigenaar uit diens handen was geraakt. Dit "toedoen-beginsel" bood grond om onderscheid te maken tussen diefstal en verduistering. (5) Wellicht ligt iets van dit beginsel ook ten grondslag aan het huidige recht, zodat er nog steeds reden is voor het bedoelde onderscheid. Maar waarom het belang van een effectieve misdaadbestrijding minder zwaar zou wegen ingeval van afpersing dan ingeval van diefstal valt veel minder goed in te zien.

8.9. Hoewel dus voor de opvatting die uit de door de Rechtbank opgevoerde subsidiaire grond spreekt zeker iets valt te zeggen, is geenszins zeker dat die opvatting strookt met het geldende (civiele) recht. Nu de opgevoerde primaire grond het oordeel van de Rechtbank zelfstandig draagt, meen ik het hierbij in elk geval voorshands te kunnen laten.

8.10. Het middel faalt.

9. Ambtshalve vraag ik nog aandacht voor het volgende. De wet kent wat de beklagprocedure als bedoeld in het vierde boek, titel IX Sv niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.(6) De Rechtbank had dus niet een last tot teruggave van de auto aan [betrokkene 2] - die geen klaagschrift heeft ingediend - mogen geven.(7) Dit levert als ik het goed begrijp reden op voor ambtshalve cassatie. Veel zal daardoor niet veranderen. Nu de Rechtbank het beklag van klager over het voornemen van het OM om de bestelauto terug te geven aan [betrokkene 1] ongegrond heeft verklaard, kan de officier van justitie uitvoering geven aan dat voornemen zodra de beschikking onherroepelijk is geworden.(8)

10. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, doch uitsluitend voor zover daarin de teruggave is gelast van de inbeslaggenomen bestelauto aan [betrokkene 2] en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Uit namens mij telefonisch ingewonnen inlichtingen is gebleken dat dit vonnis inmiddels wél onherroepelijk is geworden doordat het daartegen door de verdachte ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk is verklaard en hiertegen geen cassatieberoep is ingesteld.

2 In de schriftuur wordt nog aangevoerd dat [betrokkene 1] aangifte heeft gedaan tegen zijn zoon van verduistering. Deze omstandigheid - die in cassatie niet vaststaat - duidt er, anders dan de steller van het middel lijkt te menen, op dat [betrokkene 1]. eigenaar van de auto was.

3 Vgl. ook HR 11 oktober 2002, LJN AE4361, NJ 2003/399, m.nt. W.M. Kleijn.

4 TK 1984-85, 17496, nr. 13, p. 3.

5 Zie Asser-Mijnssen-De Haan, Goederenrecht (3-I), 15e druk, p. 373/374, alwaar nog vermeld wordt dat J.W. Wagenaar in zijn bijdrage WPNR 6603 (2004) bepleit dat art. 3:86 lid 3 ook toepassing behoort te vinden in geval van verduistering.

6 Vgl. HR 26 november 2002, LJN AE6595 en HR 19 juni 2007, LJN BA0482, NJ 2007/358.

7 In het proces-verbaal van het verhandelde op de openbare raadkamerzitting van 8 april 2010 heeft de OvJ meegedeeld dat [betrokkene 2] niet als belanghebbende is opgeroepen. De OvJ had verzocht om de zaak aan te houden om [betrokkene 1]. alsnog in de gelegenheid te stellen een klaagschrift in te dienen en in de raadkamer te worden gehoord. De Rechtbank schorst hierop het onderzoek met bevel tot oproeping van vader en zoon [betrokkene 1 en 2]. Beiden zijn bij de de daarop volgende behandeling verschenen.

8 Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een overeenkomst tot bewaring (art. 116 lid 4 Sv) d.d. 23 juli 2010, die dus dateert van na de beschikking. Daaruit blijkt dat de bestelauto aan [betrokkene 2] ter bewaring is gegeven en dat die zich dus bevindt in de macht van [betrokkene 2].