Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8901

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
10/02189 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8901
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Aanvang termijn art. 552a.3. Sv. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de termijn van art. 552a.3.Sv eerst aanvangt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de inbeslagneming de klager redelijkerwijs bekend moet zijn. I.c. is het oordeel van de Rb inzake de n-o van klaagster ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02189 B

Mr. Knigge

Zitting: 7 juni 2011

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank Haarlem heeft op 12 mei 2010 klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift gericht tegen het voortduren van de inbeslagneming van twee personenauto's.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klaagster heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank klaagster niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar klaagschrift op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

4.2. Voor een goed begrip van de zaak vermeld ik het volgende.

- Het onderhavige klaagschrift ziet op twee personenauto's die op 6 maart 2006 onder een ander, [betrokkene 1], in beslag zijn genomen. Klaagster stelt daarbij dat de auto's haar in eigendom toebehoren.

- Op 15 maart 2006 heeft de R-C machtigingen verleend in het kader van SFO's (strafrechtelijk financieel onderzoeken) tegen verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] tot handhaving van de gelegde beslagen als conservatoire beslagen. In een tweetal rapporten van de KLPD is opgenomen dat de in beslaggenomen personenauto's aan een ander dan aan deze verdachten toebehoren, met als doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. Volgens deze rapporten staan de kentekens van de personenauto's sinds 5 januari 2006 op naam van [klaagster] te [plaats] en zou [betrokkene 1] deze auto's vervolgens weer teruggekocht hebben van de vennootschap; in de rapporten is aangegeven dat uit onderzoek belangrijke aanwijzingen naar voren zijn gekomen die erop duiden dat de personenauto's in feite toebehoren aan de verdachten.

- Op 13 april 2006 heeft [betrokkene 1] een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van de gelegde beslagen; bij beschikking van 17 augustus 2006 is het klaagschrift ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet buiten redelijke twijfel staat dat [betrokkene 1] eigenaar is (zodat niet getoetst hoeft te worden of aan de voorwaarden van art. 94a lid 3 Sv is voldaan). De beschikking bevat onder meer de overweging dat de vraag rijst of niet [klaagster] als eigenaar in de zin van art. 94a lid 3 Sv moet worden aangemerkt.

4.3. De beschikking van de Rechtbank houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"In artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat - voor zover in dit kader van belang - 'het klaagschrift (...) zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (...) wordt ingediend ter griffie van het gerecht in

feitelijke aanleg (...)". Met de raadsman concludeert de rechtbank dat uit de Memorie van Antwoord betrekking hebbende op de gedachtewisseling omtrent artikel 552a Sv als bedoeling van de wetgever blijkt dat met het criterium "zo spoedig mogelijk" in dit geval wordt bedoeld dat klaagster niet meer tijd neemt voor het indienen van een klaagschrift dan in redelijkheid daarvoor nodig geacht kan worden na het tijdstip waarop de inbeslagneming aan klaagster bekend is geworden.

Door de raadsman van klaagster is bepleit dat het klaagschrift ten spoedigste in de zin van artikel 552a, derde lid. Sv is ingediend, omdat - zakelijk weergegeven - klaagster niet eerder dan in juli 2008 op de hoogte is geraakt van de inbeslagneming en hij (de raadsman) direct (per fax) op 29 juli 2008 aan de advocaat-generaal van hel ressorts parket om teruggave van de auto's heeft verzocht en - na uitblijven van enige reactie - het klaagschrift heeft ingediend.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet ontvangen kan worden in haar klaagschrift, nu zij - zakelijk weergegeven - kort na de inbeslagneming op 6 maart 2006. maar in ieder geval kort na de beschikking van de rechtbank van 17 augustus 2006 (waarbij op het door [betrokkene 1] tegen de inbeslagneming ingediende klaagschrift is beslist) kennis moet hebben gekregen van bedoelde inbeslagneming. Naar het oordeel van de officier van justitie is klaagster nalatig geweest in een spoedige indiening van het klaagschrift door eerst op 14 oktober 2008 gebruik te maken van het beklagrecht.

Vast staat dat op 6 maart 2006 de voertuigen onder [betrokkene 1] in beslag zijn genomen. [betrokkene 1] heeft in verband met de inbeslagneming op 10 april 2006 een klaagschrift ingediend, welk klaagschrift op 17 augustus 2006 ongegrond is verklaard.

Bij de behandeling van het klaagschrift zijn de - met betrekking tot voormelde Mercedes en VW-Passat - tussen [betrokkene 1] en klaagster gesloten huurkoopovereenkomsten in het geding gebracht. In deze huurkoopovereenkomsten is bepaald dat [betrokkene 1] als huurkoper de huurkoopsom met ingang van februari 2006 aan klaagster in maandelijkse termijnen dient te voldoen. Na voldoening van een slottermijn op 1 januari 2008 zal de eigendom van de voertuigen op [betrokkene 1] overgaan.

Nu klaagster de rechtsgeldigheid van deze huurkoopovereenkomsten niet heeft betwist, moet het ervoor worden gehouden dat voor zover (a) [betrokkene 1] klaagster niet op of omstreeks 6 maart 2006, toen de voertuigen in beslag zijn genomen. dan wel (b) omstreeks 17 augustus 2006, toen op het klaagschrift van [betrokkene 1] is beslist, van de inbeslagneming op de hoogte heeft gesteld, (c) [betrokkene 1] zijn verplichtingen uit hoofde van de huurkoopovereenkomsten niet langer zal zijn nagekomen, zodat klaagster in 2006 op enig moment van de inbeslagname kennis moet hebben gekregen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien [betrokkene 1] zijn betalingsverplichtingen jegens klaagster wel onverkort is blijven voldoen, [betrokkene 1] ingevolge de huurkoopovereenkomsten per I januari 2008 eigenaar van de voertuigen is geworden. In dat geval heeft klaagster in het geheel geen belang meer bij het namens haar ingediende klaagschrift van 14 oktober 2008 en kan klaagster uit dien hoofde niet in haar klaagschrift worden ontvangen.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat na de inbeslagneming van de voertuigen op 6 maart 2006, verbalisanten RN-03 044 en RN-03 073 op 3 april 2006 een bezoek hebben gebracht aan klaagster. Aldaar is gesproken met [betrokkene 2] en zijn ingevolge artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering - onder meer - alle gegevens en bescheiden aangaande de voertuigen waarop het onderhavige klaagschrift betrekking heeft, gevorderd en verkregen.

Voor zover verbalisanten destijds niet reeds aan klaagster hebben medegedeeld dat de voertuigen op 6 maart 2006 in beslag waren genomen, had klaagster, toen voornoemde verbalisanten de gegevens en bescheiden met betrekking tot de door middel van huurkoopovereenkomsten door klaagster voorgefinancierde voertuigen vorderden, moeten concluderen dat er met de voertuigen in strafrechtelijke zin kennelijk iets aan de hand was.

Naar het oordeel van de rechtbank had het aldus op de weg van klaagster gelegen zich hieromtrent nader te laten informeren en zich als kennelijk eigenaar van de voertuigen bij justitie te melden.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat klaagster omstreeks 6 maart 2006. dan wel rond 3 april 2006, of uiterlijk omstreeks 17 augustus 2006 bekend moet zijn geworden met de inbeslagneming van de voertuigen.

Eerst op 15 oktober 2008 is namens klaagster het klaagschrift ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee het klaagschrift niet zo spoedig mogelijk ingediend, als bedoeld in artikel 552a, derde lid. Sv."

4.4. Blijkens de toelichting komt de steller van het middel met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van de Rechtbank. Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat klaagster op de hoogte was van de inbeslagneming zou dat oordeel onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel voert aan dat zelfs al zou [betrokkene 1] zijn betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen, dit niet meebrengt dat klaagster daardoor in 2006 kennis heeft gekregen van de inbeslagneming. Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat klaagster in 2006 op de hoogte had kunnen zijn van de inbeslagneming en dat derhalve een in oktober 2008 ingediend klaagschrift daardoor niet is ingediend zo spoedig mogelijk als bedoeld in art. 552a Sv, vindt dit oordeel geen steun in het recht.

4.5. Het middel stelt de vraag aan de orde wanneer mag worden aangenomen dat een klaagschrift niet "zo spoedig mogelijk" als bedoeld in art. 552a lid 3 Sv is ingediend. Meer in het bijzonder is de vraag welke eisen moeten worden gesteld aan de vaststelling van het begin van de "termijn". Geldt hier iets soortgelijks als met betrekking tot de termijnen van hoger beroep en cassatie is bepaald in resp. art. 408 lid 2 Sv en 432 lid 2 Sv, zodat zich een omstandigheid moet hebben voorgedaan waaruit voortvloeit dat de grond voor het beklag de klager bekend is?

4.6. Jurisprudentie met betrekking tot het begrip "zo spoedig mogelijk" heb ik nagenoeg niet aangetroffen. In HR 17 februari 2004, LJN AO1737 (niet gepubl.) verwierp de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO het cassatieberoep tegen een niet-ontvankelijkverklaring die was gegrond op het oordeel dat het klaagschrift niet "zo spoedig mogelijk na inbeslagneming" was ingediend. Uit de conclusie voorafgaande aan deze beschikking blijkt dat het klaagschrift door klaagster meer dan vier jaren na de inbeslagneming van het desbetreffende geldbedrag werd ingediend. Die inbeslagneming vond plaats op het adres waar zowel de klaagster als de verdachte (in wiens zaak de inbeslagneming plaatsvond) woonden. A-G Machielse stelt dat klaagster al vanaf de inbeslagneming "geacht kan worden" daarmee bekend te zijn geweest. Veel betekenis kan aan deze beschikking niet worden toegekend, al was het maar omdat niet blijkt dat in feitelijke aanleg is aangevoerd dat klaagster niet van de inbeslagneming afwist en evenmin duidelijk is of in cassatie over het (impliciete) oordeel van het Hof op dit punt werd geklaagd. Maar in het algemeen, bijzondere omstandigheden daargelaten, kan het er denk ik wel voor gehouden worden dat men bekend is met een inbeslagneming van eigendommen die plaatsvindt op het adres waar men woont. Van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de inbeslagneming de klaagster bekend was, zou dus wel sprake geweest kunnen zijn. Daarmee is echter niet gezegd dat niet met minder genoegen mag worden genomen.

4.7. De wetsgeschiedenis verschaft weinig opheldering. Geheel zonder belang is zij echter niet. Art. 552a Sv is ingevoegd bij Wet van 22 mei 1958, Stb. 1958, 296 (datum inwerkingtreding: 1 februari 1959). De eis dat het klaagschrift zo spoedig mogelijk moest worden ingediend, was daarbij neergelegd in het tweede lid van het artikel. Over dat artikellid houdt de MvT het volgende in:

"Enige nadere toelichting behoeft het tweede lid van artikel 552a. De bijzondere procedure, welke het Wetboek van Strafvordering geeft voor het terugvragen van inbeslaggenomen voorwerpen sluit, ook naar huidige jurisprudentie, de weg naar de burgerlijke rechter af. Intussen bestaat hier behoefte aan een instituut, dat zijn parallel in het Burgerlijk Wetboek vindt, namelijk, verval of verjaring. Het is voor de Staat immers niet doenlijk, de goederen eindeloos voor de rechthebbende te bewaren, wanneer deze niet opkomt. Dit zou onverantwoord hoge risico's en kosten voor opslag en onderhoud met zich medebrengen, gezien de grote omvang en verscheidenheid van wat er zo al inbeslaggenomen pleegt,te worden. Daarbij komt, dat de traagst opkomende rechthebbenden meestal niet degenen zijn, wier geweten het zuiverst is. Men dient hen niet in de gelegenheid te laten, hun eigendommen pas te komen opvorderen, wanneer de hen bedreigende strafvordering verjaard is. Volgens artikel 1 van het Koninklijk besluit van 30 september 1862 (Stb. 176) worden de voorwerpen dan ook, drie jaar nadat ze hadden moeten worden teruggegeven, aan de dienst der Domeinen overgegeven om te worden verkocht, terwijl de praktijk aanneemt dat de rechten der eigenaars hierdoor een einde nemen.

Het is wenselijk, zodanige vervaltermijn uitdrukkelijk in het wetboek vast te leggen."(1)

De in art. 552a lid 2 neergelegde "vervaltermijn" begon te lopen vanaf de inbeslagneming. Dat veranderde door de wijziging die de Wet van 10 december 1992, Stb.1993, 11 (datum inwerkingtreding: 5 februari 1993) bracht. Art. 552a lid 3 Sv koppelt het einde van de vervaltermijn sindsdien aan het einde van de zaak. Behouden bleef dat het klaagschrift zo spoedig mogelijk moest worden ingediend. In de MvT werd daarover het volgende gezegd:

"Wel blijft gelden dat het beklag "zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming" moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvanke lijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten." (2)

In de Memorie van Antwoord werd naar aanleiding van een vraag van de CDA-fractie naar de betekenis van de term "zo spoedig mogelijk" het volgende geantwoord:

"In verband met de weergegeven term zij erop gewezen dat het voorstel wat dit betreft geen wijziging ten opzichte van de bestaande regeling meebrengt. Met die term is aangegeven dat degene die zijn beklag wenst te doen daarvoor na het tijdstip waarop hem de grond daarvoor ter kennis kwam, niet meer tijd neemt dan hij in redelijkheid geacht kan worden nodig te hebben. Onder omstandigheden is denkbaar dat de rechter een kennelijk door nalatigheid vertraagde klacht op die grondniet ontvankelijk acht."(3)

4.8. Deze wetsgeschiedenis leert dat het belang van een vervaltermijn door de wetgever daarin werd gezocht dat het ondoenlijk was om de inbeslaggenomen goederen "eindeloos" voor de rechthebbende te bewaren. De kosten van opslag speelden daarbij een rol. Hoe sneller de justitie de spullen kwijt was, hoe beter het was. Aannemelijk is dat de eis van een zo spoedig mogelijk beklag op dezelfde gedachte berustte. Daaruit lijken twee conclusies te kunnen worden getrokken. De eerste is dat het belang van een zo spoedig mogelijk beklag alleen speelt als de justitie de inbeslaggenomen voorwerpen niet meer nodig heeft. Anders gezegd: zolang het belang van de strafvordering zich nog tegen teruggave verzet, vergt het door de wettelijke eis gediende belang niet dat zo spoedig mogelijk wordt geklaagd. De tweede conclusie is dat, als het stadium van de teruggave aan de rechthebbende is bereikt, een niet ontvankelijk-verklaring van de klager contraproductief kan werken. Want daardoor raakt justitie de spullen niet kwijt. Een gegrondbevinding van het beklag heeft dat effect wel. Dat verklaart misschien de terughoudendheid die bij de latere wetswijziging door de Minister werd betracht toen het om de sanctionering ging. Het was "denkbaar", en dan nog alleen "onder omstandigheden" dat de rechter wegens laksheid van de klager tot niet ontvankelijkheid zou besluiten.

4.9. Niet zonder belang is dat het Wetboek van Strafvordering niet voorschrijft dat een officiële kennisgeving wordt gegeven aan eventuele andere rechthebbenden dan de beslagene. Wel volgt uit art. 552ca lid 1 Sv dat het OM, zodra het reden heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de verdachte toebehoort, de nodige naspeuringen verricht naar degene die als rechthebbende zou kunnen gelden. Het OM is vervolgens op basis van deze bepaling niet gehouden direct contact op te nemen met deze mogelijk rechthebbende om hem van zijn bevindingen op de hoogte te brengen, maar ingevolge het derde lid van het artikel moet het OM de informatie wel doorgeven aan het desbetreffende gerecht ingeval van een beklagprocedure (die is ingesteld door een ander dan deze rechthebbende). Het gerecht is vervolgens op grond van art. 552a lid 5 Sv gehouden de mogelijk rechthebbende de gelegenheid te bieden om een klaagschrift in te dienen.(4)

4.10. Deze regeling wijst er niet op dat de wetgever er een groot belang aan heeft gehecht dat een belanghebbende die niet de verdachte of de beslagene is, zo spoedig mogelijk van het gelegde beslag op de hoogte raakt. Voor zover kennisgeving is voorgeschreven, is dat in het belang van de rechthebbende zelf: voorkomen moet worden dat hij in een lopende beklagprocedure niet voor zijn belangen kan opkomen. Daaruit kan worden afgeleid dat met het tijdig kennisgeven van een eventuele derde-belanghebbende geen, of althans geen groot justitieel belang is gemoeid. In het verlengde daarvan ligt dat met het voorschrift dat klaagschriften zo spoedig mogelijk moeten worden ingediend, evenmin een groot justitieel belang is gediend.

4.11. In dit verband verdient opmerking dat het in veel gevallen weinig zin heeft om onmiddellijk na de inbeslagneming te klagen. Dat geldt in het bijzonder als de inbeslagneming zelf niet onrechtmatig was. Dan kan wel in een later stadium met succes worden geklaagd over het voortduren van het beslag in gevallen waarin het belang van de strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet. Maar ook als geklaagd wordt over de onrechtmatigheid van de inbeslagneming kan het zijn dat de klager eerst later met de gebreken die aan de inbeslagneming kleven, bekend is geworden. Met eerst in een laat stadium ingediende klaagschriften moet dus sowieso rekening worden gehouden.

4.12. Gelet op het voorgaande komt het mij voor dat terughoudendheid moet worden betracht met het verwijt dat de klager te laks is geweest met het indienen van zijn klaagschrift. Voor een dergelijk verwijt is pas plaats indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de klager reeds lang weet had van de gronden waarop zijn beklag rust. Dat vergt de vaststelling van feiten waaruit de bedoelde bekendheid min of meer dwingend voortvloeit. Onvoldoende is dat het weinig waarschijnlijk is dat de klager niet eerder van de gronden voor het beklag op de hoogte was.

4.13. Terug naar de onderhavige zaak. Het middel keert zich niet tegen het oordeel van de Rechtbank dat de door haar geconstateerde laksheid van de klaagster in dit geval reden oplevert voor niet-ontvankelijkheid. Het middel bestrijdt enkel het oordeel van de Rechtbank dat klaagster reeds in 2006 op de hoogte was van de inbeslagneming of daarvan toen op de hoogte had kunnen zijn. Ik zal mij daarom daartoe beperken.

4.14. De Rechtbank gaat uit van de rechtsgeldigheid van de destijds door [betrokkene 1] in het geding gebrachte huurkoopovereenkomsten aangezien klaagster die rechtsgeldigheid niet heeft betwist. Dit terwijl het OM er vanuit gaat dat er sprake is van een schijnconstructie waarbij klaagster en eerder ook [betrokkene 1] zich hebben voorgedaan als eigenaar. Toch komt het mij niet onjuist voor dat de Rechtbank bij de ontvankelijkheidsvraag uitgaat van de rechtsgeldigheid van de bedoelde overeenkomsten. Bij de ontvankelijkheidsvraag mag niet vooruitgelopen worden op de vraag of de belanghebbende werkelijk de rechthebbende is. Wie stelt eigenaar te zijn, is belanghebbende.(5) In het verlengde daarvan ligt dat bij de ontvankelijkheidsvraag uitgegaan moet worden van de juistheid van de feiten waarop de klager zijn eigendomspretentie baseert.

4.15. Het gekozen uitgangspunt maakt mijns inziens niet dat sprake is van een vaststelling van feiten waaruit min of meer dwingend voortvloeit dat -zoals de Rechtbank oordeelt - "klaagster in 2006 op enig moment van de inbeslagname kennis moet hebben gekregen". De onder (a), (b) en (c) opgesomde alternatieve mogelijkheden hebben mijns inziens een sterk speculatief gehalte. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt dat zij zelf voor mogelijkheid houdt dat de onder (a) en (b) genoemde alternatieven zich niet hebben gerealiseerd, terwijl uit de afwezigheid van die alternatieven niet dwingend voortvloeit dat mogelijkheid (c) zich wél heeft gerealiseerd. Dat [betrokkene 1] zijn betalingsverplichtingen "niet langer zal zijn nagekomen", is niet meer dan een aanname die niet op feiten is gebaseerd. Bovendien vloeit uit die aanname niet zonder meer voort dat klaagster met het beslag bekend is geworden.

4.16. Ik merk daarbij op dat de Rechtbank het blijkens haar "ten overvloede" gegeven overweging ook zelf niet uitsluit dat [betrokkene 1] wél onverkort aan zijn betalingsverplichtingen is blijven voldoen. Dat [betrokkene 1] in dat geval eigenaar van de auto's is geworden, is daarbij - anders dan de Rechtbank meent - geen reden om klaagster niet ontvankelijk te verklaren in haar beklag. De bevinding dat klaagster geen eigenaresse (meer) is, vormt grond om het beklag ongegrond te verklaren. Zoals gezegd mag daarop bij de ontvankelijkheidsvraag niet vooruit worden gelopen. Ik wijs er daarbij op dat bij de vraag naar de gegrondheid van het beklag de rechtsgeldigheid van de huurkoopovereenkomsten wél moet worden onderzocht.

4.17. Ook hetgeen de Rechtbank "voorts" nog in aanmerking neemt, lijkt erop te wijzen dat zij zelf niet zeker is van de conclusie die zij trok uit de onder (a), (b) en (c) opgesomde mogelijkheden. In elk geval komt haar oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van de klaagster had gelegen om bij justitie te informeren, mij met de steller van het middel onjuist voor, tenminste als de Rechtbank daarmee heeft bedoeld te zeggen dat klaagster door niet te informeren haar recht om te klagen heeft verspeeld. Zoals gezegd dient het verwijt van laksheid bij het indienen van het klaagschrift te zijn gebaseerd op de vaststelling dat de klaagster daadwerkelijk met de inbeslagneming bekend was.

4.18. Bij dit alles verdient opmerking dat niet alles wat men zou verwachten, zich ook daadwerkelijk voordoet. Zo zou men op grond van art. 552a lid 5 Sv verwachten dat de Rechtbank klaagster destijds, voorafgaande aan haar beschikking op het door [betrokkene 1] ingediende klaagschrift (waarin de Rechtbank overweegt dat de vraag rijst of niet [klaagster] als eigenaar moet worden aangemerkt), van het gedane beklag in kennis had gesteld. Als dat was gebeurd, had daaruit wellicht de conclusie getrokken kunnen worden dat klaagster met de inbeslagneming bekend was geworden. Maar het is kennelijk - hoe vreemd misschien ook - niet gebeurd. Dat onderstreept dat men voorzichtig moet zijn met aannames die alleen zijn gebaseerd op de gebruikelijke of de normaal te verwachten gang van zaken. Die voorzichtigheid is te meer geboden als justitie zelf in gebreke is gebleven om de klaagster te informeren. Men moet dan wel heel zeker van zijn zaak zijn om klaagster het verwijt te maken dat zij te lang getalmd heeft met het indienen van een klaagschrift.

4.19. Mijn slotsom is dat de Rechtbank onvoldoende inzicht heeft verschaft in haar gedachtegang. Als zij heeft geoordeeld dat klaagster niet ontvankelijk is omdat zij niet langer als eigenaresse kan worden aangemerkt of omdat zij zelf tekortgeschoten is in haar plicht om tijdig bij justitie om opheldering te vragen, berust haar oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Als zij heeft geoordeeld dat klaagster niet ontvankelijk is omdat zij al in 2006 kennis had gekregen van de inbeslagneming, is haar oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

4.20. Het middel slaagt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 TK 1954-1955, 4034, nr. 3, p. 13.

2 TK 1990-1991, 21504, nr. 3, p. 45.

3 TK 1990-1991, 21504, nr. 5, p. 31/32.

4 Vgl. HR 15 februari 1994, NJ 1994/689, m.nt. Corstens, HR 8 juli 2008, LJN BC8667 (niet gepubl.) en HR 6 januari 2009, LJN BG4193.

5 Vgl. HR 6 januari 2004, LJN AN8586, NJ 2004/179.