Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8879

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
11/00416
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verbintenissenrecht; uitleg bankgarantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1115
JWB 2011/437
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/00416

mr. J. Spier

Zitting 17 juni 2011 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

Straet Holding B.V.

(hierna: Straet)

tegen

Deutsche Hypothekenbank AG

(hierna: DHB)

1. Straet heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen een tussen- en eindarrest van het Hof Amsterdam in een zaak die in essentie gaat over de uitleg van een garantie.

2. Als ik middel I, dat uitwaaiert in een lange reeks subklachten, goed begrijp dan strekt het, naar de kern genomen, ten betoge dat de garantie niet kan worden ingeroepen als de schuld van fl. 15.000.000 van Telie aan DHB is betaald.

3. De talloze klachten mislukken omdat:

a. zij niet, laat staan met enige precisie en duidelijkheid, opkomen tegen 's Hofs uitvoerig gemotiveerde oordeel in rov. 4.6 e.v. van het tussenarrest;

b. niet, laat staan met enige precisie, wordt aangegeven waar de stellingen waar her en der beroep op wordt gedaan in feitelijke aanleg zouden zijn betrokken;

c. over het hoofd wordt gezien dat het Hof twee vragen onderscheidt. In de eerste plaats de uitleg van de garantie aan de hand van de tekst en de betekenis die partijen over en weer daaraan redelijkerwijs mochten toekennen (rov. 4.6 - 4.8) en vervolgens in rov. 4.9 het beroep van Straet op beweerde posterieure mededelingen van DHB (die van belang zouden kunnen zijn voor de uitleg). Het middel lijkt deze door het Hof duidelijk van elkaar te onderscheiden kwesties op één hoop te vegen (door te verwijzen naar rov. 4.6 - 4.9) waardoor de klachten onbegrijpelijk worden;

d. 's Hofs oordeel berust op een aan de feitenrechter voorbehouden beoordeling van feitelijke aard (in die zin ook s.t. mrs Snijders en Van Kessel onder 2.1). Het middel bestrijdt (terecht) niet 's Hofs juridieke uitgangspunt in rov. 4.6 van het tussenarrest.

4. Voor zover het middel nog andere klachten bedoelt te vertolken, zijn deze mij niet voldoende duidelijk, daargelaten of ze voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

5. Middel II valt goeddeels in herhalingen. Voor zover het aanvullende klachten bedoelt te postuleren, zijn deze niet goed begrijpelijk. Ze stuiten bovendien af op hetgeen is vermeld onder 3 sub a en d. Voor zover onder 2.5 wordt ingehaakt op de verklaring van Neggers wordt niet alleen hetgeen hiervoor is vermeld onder 3 sub c veronachtzaamd, maar wordt ook uit het oog verloren dat het Hof daarop in rov. 2.4 van het eindarrest is ingegaan. Een begrijpelijke klacht tegen dat laatste oordeel trof ik niet aan.

6. Ook middel III borduurt in belangrijke mate voort op de eerdere klachten. Het laboreert eveneens aan het onder 3 sub c genoemde euvel. Dat geldt met name voor onderdeel 3.9 (en daarmee ook voor de voorafgaande klachten waarop het is gegrond). Anders dan onderdeel 3.9 veronderstelt, is het "bewijsthema" niet de uitleg van de overeenkomst als bedoeld in rov. 4.6 van het tussenarrest; zie rov. 4.9 van het tussenarrest.

7. Voor het overige lopen de klachten stuk op 's Hofs niet bestreden oordeel dat

a. de getuigen (waar Straet kennelijk op doelt) geen bemoeienis hebben gehad met de tekst van de garantie;

b. hun verklaringen de lezing van DHB steunen;

c. Straet een garantie gaf met betrekking tot "de rente- en aflossingsverplichtingen van Telie" (rov. 2.3 van het eindarrest).

8. Ten overvloede: anders dan Straet lijkt te menen, gelden voor garanties geen algemene regels ongeacht de omstandigheden van het geval. De rechter dient een contractsbepaling uit te leggen tegen de achtergrond van de aard van het beding of de overeenkomst waarin het beding voorkomt.(1) Laat de rechter dit na, dan is sprake van een onjuiste rechtsopvatting. In Haefner te Kusnacht/ABN-AMRO Bank ging het - evenals in de onderhavige procedure - om de betekenis van een garantie(2) (te weten: bankgarantie). Aangevoerd was dat de bankgarantie naar haar aard een abstract karakter heeft en dat de uitgevende bank nimmer beroep toekomt op de achterliggende overeenkomst tussen haar cliënt en degene te wiens behoeve de garantie is gesteld, althans dat zulks het geval is indien in die garantie de woorden 'on first demand' voorkomen. Uw Raad overwoog daaromtrent in rov. 3.3:(3)

"Of een bankgarantie voor de uitgevende bank beroep op de achterliggende overeenkomst al dan niet uitsluit, moet van geval tot geval worden beslist door na te gaan welke zin betrokkenen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bewoordingen van de garantie mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 13 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981, 635)."

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen 2005, nr 110.

2 HR 25 september 1998, LJN AG3418, RvdW 1998, 160, JOR 1999, 22.

3 Kortheidshalve wijs ik naar de conclusie van het huidige lid van Uw Raad Bakels voor dat arrest, met name onder 2.1-2.5.