Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8783

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
10/04938
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8783
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging partneralimentatie op de voet van art. 1:401 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1147
RFR 2011/134
JWB 2011/463
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04938

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 17 juni 2011

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

In dit geding is over en weer verzocht om wijziging van de partneralimentatie.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

1.1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is ontbonden op 6 oktober 2004 door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.2. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 8 september 2004 bepaald dat de man vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw een bijdrage zal betalen in de kosten van haar levensonderhoud van € 243,- per maand, zulks overeenkomstig de tussen partijen getroffen regeling. Daarnaast stelde de rechtbank ten laste van de man een bijdrage vast ten behoeve van de dochter van partijen.

1.1.3. Naar aanleiding van een verzoek van de man tot vermindering van alimentatie heeft de rechtbank bij beschikking van 18 maart 2008 de partneralimentatie vanaf die datum nader vastgesteld op € 237,- per maand.

1.2. Op 7 januari 2009 heeft de vrouw zich tot de rechtbank gewend met het verzoek de partneralimentatie te verhogen tot € 690,- per maand, ingaande 20 december 2008. Volgens de vrouw is sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW, omdat de man sinds 20 december 2008 over een grotere draagkracht beschikt. Nu de dochter de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt is de man niet langer een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verschuldigd.

1.3. De man heeft het verzoek bestreden en een zelfstandig verzoek ingediend tot nihilstelling, althans vermindering, van de partneralimentatie. Bij beschikking van 28 juli 2009 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw gedeeltelijk ingewilligd. De rechtbank heeft de partneralimentatie met ingang van 20 december 2008 vastgesteld op € 561,- per maand. De rechtbank overwoog, voor zover thans nog van belang:

a. Bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan een aanvullende onderhoudsbijdrage hield de rechtbank geen rekening met de (fiscale) 'alleenstaande ouderkorting', nu het bedrag van deze korting door de vrouw daadwerkelijk wordt aangewend voor het onderhoud van de dochter van partijen (blz. 3 Rb).

b. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man hield de rechtbank geen rekening met de volgende aflossingsverplichtingen:

- een schuld van € 9.078,44 m.b.t. (voorgeschoten) kosten van rechtsbijstand, welke de man in procedures tegen de vrouw zou hebben gemaakt;

- een schuld van € 5.000,- van de man aan zijn vader uit hoofde van geldlening;

- een schuld uit een doorlopend krediet bij de Rabobank van € 13.500,- (blz. 4 Rb).

c. Nu de nieuwe echtgenote van de man in haar eigen levensonderhoud voorziet en zij samen minderjarige kinderen verzorgen, ging de rechtbank bij de draagkrachtbepaling uit van het gemiddelde van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en die voor een alleenstaande ouder, alsmede van een draagkrachtpercentage van 52,5 (blz. 5 Rb). De draagkracht van de man laat een partneralimentatie toe van ten hoogste € 561,-.

1.4. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft verweer gevoerd en van zijn kant incidenteel appel ingesteld. Hij herhaalde zijn verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie, althans vaststelling daarvan op een lager bedrag dan € 561,-.

1.5. Bij tussenbeschikking van 10 maart 2010 (LJN: BN0751) behandelde het hof een grief van de man over de berekening van de behoefte van de vrouw (rov. 4). Het hof heeft vervolgens de man toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat de vrouw naast haar reguliere inkomen uit arbeid betaalde nevenwerkzaamheden verricht (rov. 7).

1.6. Na verhoor van getuigen heeft het hof op 18 augustus 2010 een eindbeschikking gegeven. Het hof achtte de man niet geslaagd in zijn bewijsopdracht (rov. 2 - 4). Vervolgens besprak het hof de behoefte van de vrouw. Uitgaande van het bruto jaarinkomen uit het reguliere dienstverband van de vrouw, berekende het hof haar netto-inkomen. Naast de gebruikelijke belastingen en heffingen hield het hof rekening met de 'alleenstaande ouderkorting', op de grond dat de vrouw had erkend dat de dochter bij haar inwoont. Het hof kwam uit op een netto-inkomen van € 1.039,- per maand. Aldus resteerde een behoefte van de vrouw aan een aanvullende onderhoudsbijdrage van € 359,- (netto) per maand (rov. 6).

1.7. Bij de bepaling van de draagkracht van de man hield het hof, anders dan de rechtbank, wel rekening met de aflossingsverplichtingen van de drie in alinea 1.3 onder b genoemde schulden van de man; in totaal € 866,- per maand. Het hof stelde vast dat dit reële schulden zijn, en wat betreft de schuld aan de Rabobank, dat aannemelijk is dat de man niet eerder in staat was deze af te lossen zoals de vrouw had aangevoerd (rov. 7). Ten slotte onderschreef het hof het besluit van de rechtbank om uit te gaan van een draagkrachtpercentage van 52,5 en van het gemiddelde van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en die voor een alleenstaande ouder (rov. 8).

1.8. Per saldo kwam het hof tot het oordeel dat de draagkracht van de man slechts een alimentatie toeliet van € 192,- bruto per maand (rov. 9). Op grond hiervan kwam het hof tot een vernietiging van de beroepen beschikking van de rechtbank, en opnieuw recht doende, tot vaststelling van de partneralimentatie op € 192,- per maand vanaf 18 augustus 2010.

1.9. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de eindbeschikking. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I keert zich tegen de beslissing om, bij het berekenen van het netto inkomen van de vrouw, wel rekening te houden met de 'alleenstaande ouderkorting' (rov. 6). De rechtsklacht houdt in dat het hof miskent dat bij de vaststelling van de behoefte geen rekening is gehouden met (hetgeen de moeder bijdraagt in) de kosten van levensonderhoud van de dochter van partijen. Dan behoort volgens de klacht ook dit fiscale voordeel buiten beschouwing te blijven. Anders dan het hof lijkt te hebben gedaan, kan volgens het middelonderdeel geen parallel worden getrokken met de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige in het kader van een draagkrachtberekening. Het middel klaagt daarnaast dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de stelling van de vrouw dat de dochter van partijen inmiddels zelf voorziet in haar levensonderhoud.

2.2. Ingevolge het bepaalde in art. 8.15 lid 1 Wet IB 2001 geldt een 'alleenstaande ouderkorting' voor de belastingplichtige die gedurende meer dan zes maanden van een kalenderjaar a) geen partner heeft, b) een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres staat ingeschreven, en c) deze huishouding voert met geen ander dan kinderen jonger dan 27 jaar(1). Het netto-inkomen wordt dan iets hoger.

2.3. Ouders hebben onderling geen aanspraak op verhaal van de bedragen die zij hebben besteed ten behoeve van het levensonderhoud van meerderjarige kinderen(2). In het kader van de vaststelling van partneralimentatie dienen zodanige bestedingen ook niet bij de behoefte van de alimentatiegerechtigde ouder te worden opgeteld, aangezien anders een indirecte verhaalsmogelijkheid zou worden gecreëerd. Bovendien strekt partneralimentatie tot voorziening in het levensonderhoud van deze ouder en heeft een kind in de leeftijd van 21 jaar of ouder een eigen alimentatieaanspraak, voor zover het behoeftig is(3).

2.4. Nu de kosten, die de vrouw maakt voor het levensonderhoud van de dochter, bij de behoeftebepaling buiten beschouwing zijn gelaten, kan aan de steller van het middel worden toegegeven dat het meer voor de hand had gelegen, bij het vaststellen van de behoefte geen rekening te houden met de met het oog op deze kosten toegekende belastingkorting dan om dit wel te doen(4). Een grond tot cassatie levert dit echter niet op, gegeven de vrijheid die de feitenrechter toekomt bij de vaststelling van de behoefte. Op zichzelf beschouwd vormt de korting immers een fiscaal voordeel, dat mede bepalend is voor het netto inkomen van de vrouw. Evenmin behoefde het hof zijn beslissing op dit punt nader te motiveren: het partijdebat in appel is beperkt gebleven tot de vraag óf de vrouw aanspraak had op bedoelde korting. De slotsom is dat de klacht faalt.

2.5. De tweede klacht daarentegen komt mij gegrond voor. Van de kant van de vrouw is in hoger beroep gesteld dat zij niet langer recht heeft op de alleenstaande ouderkorting, omdat de dochter van partijen inmiddels een vaste baan heeft(5). Zoals gezegd, is een voorwaarde voor de alleenstaande ouderkorting dat het kind in belangrijke mate door de ouder wordt onderhouden. Ten aanzien van een meerderjarig kind met een (vaste) baan kan niet zonder meer worden aangenomen dat aan deze voorwaarde is voldaan. Zonder nadere redengeving, die ontbreekt, kan het hof dan ook niet worden gevolgd in zijn beslissing om rekening te houden met de alleenstaande ouderkorting.

2.6. Een gegrondbevinding van deze motiveringklacht baat de vrouw echter niet. De draagkracht heeft in dit geval de hoogte van de uiteindelijke alimentatie bepaald, als de maatstaf die in het laagste bedrag resulteert; zie rov. 9 van de bestreden beschikking. Indien, zoals hierna zal blijken bij de bespreking van de klachten over de draagkrachtbepaling, de draagkracht van de man geen hogere alimentatie toelaat, heeft de vrouw geen belang bij cassatie van de beslissing ten aanzien van de behoefte.

2.7. Middel II is gericht tegen de beslissing om bij de draagkrachtbepaling rekening te houden met de schuld van de man aan zijn vader, de voorgeschoten kosten van rechtsbijstand en de kredietschuld aan de Rabobank (rov. 7). Door deze beslissing enkel te baseren op de overweging dat het reële schulden zijn, heeft het hof nagelaten deze schulden te toetsen aan de uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkende redenen om een schuld buiten beschouwing te laten, aldus de klacht.

2.8. Subsidiair(6) klaagt het middel dat de redengeving van het hof tekort schiet in het licht van de volgende stellingen van de vrouw:

- dat de kosten van rechtsbijstand volgens de Tremanormen geen noodzakelijke last vormen, dat deze kosten buitenproportioneel hoog zijn en bovendien niet gespecificeerd;

- dat de schuld aan de vader bij gemis van een nadere onderbouwing niet mag worden beschouwd als een noodzakelijke last, nu deze is aangegaan ten behoeve van de herinrichting van de woning van de man en om daarmee andere schulden af te lossen;

- dat de Rabobankschuld een schuld is uit het huwelijk van partijen, waarvan de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze schuld niet eerder had kunnen aflossen.

2.9. Als hoofdregel geldt dat alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed zijn op diens draagkracht. De rechter kan niettemin redenen aanwezig achten om hiervan af te wijken, bijv. als een schuld onverplicht is aangegaan of indien de alimentatieplichtige zich reeds van zijn schuld had kunnen bevrijden. Een dergelijke afwijking zal de rechter moeten motiveren(7). Aan het rekening houden met een schuld behoeft niet in de weg te staan dat de schuld na de echtscheiding is aangegaan, en evenmin dat geen aflossing plaatsvindt(8).

2.10. De Tremanormen bevatten onder 6.2 onder meer de volgende aanbevelingen:

"18. Rente en aflossing schulden

Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen. Soms spelen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Veelal zullen deze problemen betrekking hebben op de vraag wie van partijen de bestaande schulden voor zijn rekening zal nemen. Wanneer aannemelijk is dat deze uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige zullen moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook vóórdat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Dit kan anders zijn met schulden, aangegaan na het verbreken van de samenwoning. Weliswaar zijn dit ten tijde van de alimentatievaststelling bestaande verplichtingen, maar bekeken zal moeten worden of het aangaan van deze schulden zo noodzakelijk was, dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot alimentatie.

19. Herinrichtingskosten

Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan, afhankelijk van de omstandigheden (...), geheel of ten dele rekening worden gehouden. Een schuld van maximaal € 5.500 met een maandelijkse verplichting van € 125 wordt in het algemeen redelijk geacht, indien aannemelijk is dat deze kosten daadwerkelijk zijn of moeten worden gemaakt. Wanneer de noodzaak van herinrichting vaststaat en er geen spaargelden aanwezig zijn, worden financieringslasten tot een bedrag van maximaal € 125 per maand in aanmerking genomen.

20. Overige kosten waaronder advocaatkosten

Dit is een restrubriek voor niet algemeen voorkomende kosten.

In het algemeen beschouwt de werkgroep advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden anders worden geoordeeld: indien er sprake is van een hoge eigen bijdrage ingeval van gefinancierde rechtshulp dan wel een inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtshulp alsmede van een beperkte vrije ruimte voor de onderhoudsplichtige zelf. Indien in dat geval aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de werkgroep uitsluitend ten aanzien van advocaatkosten in verband met een echtscheidingsprocedure aan rekening te houden met een bedrag van maximaal € 1.368 met een maandlast van maximaal € 114 gedurende ten hoogste een jaar. Indien bij de vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen reeds met deze advocaatkosten rekening is gehouden, vangt de termijn van een jaar aan per datum voorlopige voorzieningen."(9)

2.11. Nog daargelaten dat het middel verzuimt de ingeroepen "redenen om een schuld buiten beschouwing te laten" uitdrukkelijk te benoemen, faalt de klacht dat het hof de rechtspraak over dit onderwerp heeft miskend. Het hof heeft zijn beslissing immers gebaseerd op de vaststelling dat het gaat om reële schulden en dat aannemelijk is dat de man niet in staat is geweest tot eerdere aflossing op de Rabobankschuld. Hieruit volgt dat het hof geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van de hoofdregel dat een bestaande schuld in de vaststelling van de draagkracht wordt betrokken. Anders dan de rechtbank, is het hof op dit punt blijkbaar afgeweken van de Tremanormen(10). Tegen die afwijking is de klacht niet gericht(11). Overigens zou een zodanige klacht de vrouw ook niet baten, omdat de Tremanormen niet gelden als 'recht' in de zin van art. 79 RO en de feitenrechter aan die normen rechtens niet is gebonden(12).

2.12. De motiveringsklacht is eveneens ongegrond. Het verweer van de vrouw tegen de opgevoerde vaste lasten kwam erop neer, dat het bestaan van en de noodzaak van het aangaan van de schulden onvoldoende waren onderbouwd. Met betrekking tot de schuld aan de Rabobank, die stamt uit het huwelijk van partijen, hield het verweer in dat de man de schuld eerder had kunnen en moeten aflossen(13). Het eerste verweer verwierp het hof met de vaststelling dat het reële schulden zijn, het tweede met de vaststelling dat aannemelijk is dat de schuld aan de Rabobank niet kon worden afgelost, gezien "het algehele financiële plaatje" van de man. Deze vaststellingen geven voldoende inzicht in de door het hof gevolgde gedachtegang en zijn, ook beschouwd in het licht van de gedingstukken, niet onbegrijpelijk. Met de verwijzing naar het "algehele financiële plaatje" heeft het hof blijkbaar de man gevolgd in zijn betoog dat hij de schuld aan de Rabobank niet eerder heeft kunnen aflossen doordat hij na de echtscheiding alle huwelijkse schulden op zich heeft genomen, de daaruit voortvloeiende aflossingsplicht onvoldoende is verdisconteerd in de alimentatie die partijen oorspronkelijk zijn overeengekomen en dat hij vanaf september 2007 niet langer aanspraak kon maken op de extra vergoeding voor zijn werkzaamheden bij de brandweer(14). Voor een beoordeling van de feitelijke juistheid van deze vaststelling is in cassatie geen plaats.

2.13. De vrouw heeft bij de feitenrechters niet aangevoerd dat het betrekken van de schulden in de draagkrachtbepaling tot gevolg heeft dat zij aan deze schulden meebetaalt en bovendien een afwijking van de Tremanormen vormt. Het hof kan daarom niet worden verweten dat in de beschikking hieraan niet uitdrukkelijk aandacht is besteed. Het maakt de beslissing van het hof ook niet onbegrijpelijk; het hof heeft klaarblijkelijk willen voorkomen dat de man in betalingsproblemen geraakt. Evenmin leidt het betoog tot de gevolgtrekking dat de beslissing van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt; zoals gezegd is de hoofdregel dat alle schulden de draagkracht beïnvloeden en overigens is de rechter rechtens niet aan de Tremanormen gebonden. De slotsom is dat middel II faalt.

2.14. Middel III bestrijdt met een rechts- en motiveringsklacht de beslissing om, bij de vaststellng van de draagkracht van de man, uit te gaan van een draagkrachtpercentage van 52,5% en het gemiddelde van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en die voor een alleenstaande ouder (rov. 8). De rechtsklacht houdt in dat deze berekeningsmethode slechts toepassing vindt indien in het gezin van de onderhoudsplichtige en de nieuwe levenspartner een kind verblijft dat is geboren uit deze relatie; niet indien het kind is geboren uit een eerdere relatie van de nieuwe partner. Subsidiair verdedigt het middel de opvatting dat pas aan toepassing van deze berekeningsmethode wordt toegekomen nadat is vastgesteld dat het kind niet kan worden onderhouden uit het eigen inkomen van die nieuwe partner en de eventueel door haar ontvangen kinderalimentatie. De motiveringsklacht houdt in dat niet blijkt dat het hof de draagkracht heeft gebaseerd op het totale gezinsinkomen van de man en zijn nieuwe partner, inclusief de ontvangen kinderalimentatie.

2.15. Het hof heeft, in navolging van de rechtbank(15), ermee rekening gehouden dat in het gezin van de man kinderen in de leeftijd van 10 en 16 jaar verblijven die door hem en zijn huidige echtgenote worden onderhouden(16). Op deze wijze heeft het hof toepassing gegeven aan art. 1:400 lid 1 BW, op grond waarvan een onderhoudsplicht jegens kinderen gaat boven die jegens een ex-echtgenoot. De voorrangsregel ziet uitdrukkelijk óók op stiefkinderen van de onderhoudsplichtige. Dat een stiefouder in beginsel onderhoudsplichtig is tegenover een in zijn gezin verblijvend stiefkind volgt uit art. 1:392, lid 1 onder c, in verbinding met art. 1:395 BW(17). De onderhoudsplicht van een stiefouder is naar de bedoeling van de wetgever niet subsidiair aan die van de ouders(18). In geval van samenloop moet ingevolge art. 1:397 lid 2 BW niet alleen rekening worden gehouden met ieders draagkracht, maar ook met de bijzondere verhouding waarin ieder tot het alimentatiegerechtigde kind staat. Hierop stuit de rechtsklacht af.

2.16. De motiveringsklacht treft evenmin doel. Dat het hof rekening heeft gehouden met het eigen inkomen van de huidige partner van de man volgt al uit het middelen van de draagkrachtpercentages en bijstandsnormen voor een alleenstaande, respectievelijk voor een alleenstaande ouder. Tot nadere motivering was het hof in het licht van het door de vrouw gevoerde verweer niet verplicht. De man heeft in appel - onweersproken - gesteld dat de vader van de stiefkinderen onvoldoende inkomen heeft om aan hun levensonderhoud bij te dragen(19).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie nader: Vakstudie Wet inkomstenbelasting 2001, aant. 2 bij art. 8.15.

2 HR 28 april 1995, NJ 1996, 102.

3 HR 14 mei 2004 (LJN: AO3876), NJ 2004, 371, m.nt. SW. Zie ook: Asser/De Boer 1* 2010, nrs. 622, 1030 en 1082.

4 Voor de rechtbank was de omstandigheid dat de korting daadwerkelijk wordt aangewend voor het levensonderhoud van de dochter, tezamen met de verwachting dat de dochter snel een baan zal vinden, juist reden om géén rekening te houden met de alleenstaande ouderkorting; zie de beschikking van 28 juli 2009, blz. 3.

5 Zie het proces-verbaal van 3 februari 2010, blz. 2 en 3. Deze stelling is van de kant van de man niet weersproken, zo blijkt uit de reactie van zijn raadsvrouwe: "Mijn cliënt hoort hier voor het eerst dat de dochter werkt. Vreemd dat mevrouw eerder van een alimentatie van € 270,-- per maand kon rondkomen en nu méér verzoekt terwijl de dochter van partijen werkt"; blz. 4 van het proces-verbaal.

6 Zie het cassatierekest onder 10.

7 Vaste rechtspraak vanaf HR 29 september 1978 (LJN-index: AC6360), NJ 1979, 143. Zie meer recent: HR 11 juli 2008 (LJN: BD1843), NJ 2008, 402 en de conclusie van mijn ambtgenote Rank-Berenschot vóór HR 11 maart 2011, LJN: BO9553 (art. 81 RO). Zie verder: Asser/De Boer 1* 2010, nr. 626 en S.F.M. Wortmann, Personen- en familierecht, losbl., aant. 2 bij art. 1:157 BW.

8 HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402, reeds aangehaald.

9 Tremanormen versie 2010, blz. 28 - 29.

10 Vgl. de in appel overgelegde pleitaantekeningen van de raadsvrouwe van de man, blz. 2: "Door de te hoge betalingsverplichting is cliënt in de financiële problemen gekomen en heeft hij thans verschillende schulden lopen om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Cliënt meent dat op dit punt afwijking van het Tremarapport gerechtvaardigd is (...)."

11 Vgl. de toelichting in nrs. 10 (vierde/vijfde regel) en 11 van het cassatierekest.

12 HR 1 november 1991 (LJN-index: ZC0400), NJ 1992, 30.

13 Vgl. het proces-verbaal van 14 juli 2009, blz. 2, het verweerschrift in het incidenteel appel, nrs. 8 - 10, en het proces-verbaal van 3 februari 2010, blz. 2.

14 Vgl. het verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel, nrs. 25 - 34, het proces-verbaal van 3 februari 2010, blz. 3, en de notitie "Situatie na het vaststellen van het echtscheidingsconvenant (1-7-2004)", prod. 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg.

15 Zie blz. 5, tweede alinea, van de beschikking van 28 juli 2009.

16 Vgl. het Rapport alimentatienormen versie 2010, blz. 18 - 19: "Gaat het echter om de vraag wat een onderhoudsplichtige kan bijdragen aan een kind of ex-echtgenoot terwijl die onderhoudsplichtige een kind in zijn gezin heeft waarover hij een co-ouderschap met een ander heeft afgesproken dan beveelt de werkgroep aan om bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie te rekenen met de norm voor een alleenstaande, het draagkrachtpercentage van 70 en de gevonden draagkracht te verdelen over alle (stief-, co-ouder en eigen) kinderen waarvoor de onderhoudsplichtige dient bij te dragen en daarbij rekening te houden met bijdragen die voor die kinderen van derden verkregen kunnen worden (zie verder ook 4.5). Indien daarna nog draagkracht resteert en partneralimentatie moet worden vastgesteld, dient rekening gehouden te worden met het verschil tussen de alleenstaande ouder en de alleenstaande norm en dienen de draagkrachtpercentages te worden gemiddeld, dus 60% in de netto en 52,5% in de bruto methode. Deze laatste rekenmethode kan overigens ook worden toegepast als de onderhoudsplichtige een nieuwe partner heeft die in eigen levensonderhoud voorziet en zij samen één of meer kinderen hebben en het vaststellen van partneralimentatie betreft" (cursivering toegevoegd, A-G).

17 Zie daarover nader: Asser/De Boer 1* 2010, nrs. 187 en 1092.

18 HR 11 november 1994 (LJN-index: ZC1539), NJ 1995, 129.

19 Zie het verweerschrift in appel, nr. 9 en het proces-verbaal van 3 februari 2010, blz. 3.