Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8734

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
11/01654
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/929
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/01654

mr. Wuisman

Parketdatum: 20 mei 2011

CONCLUSIE inzake:

[Verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Bij arrest d.d. 31 maart 2011 bekrachtigt het hof te Leeuwarden het vonnis d.d. 15 februari 2011, waarmee de rechtbank het verzoek van verzoekster tot cassatie om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en sub b, Fw afwijst. Het hof gaat er daarbij van uit dat verzoekster tot cassatie een schuldenlast van in totaal € 123.501,49 heeft, waaronder een schuld van € 14.510,- aan de gemeente Groningen. Van deze laatste schuld maakt een 'fraudeschuld' van € 3.683,26 deel uit. Die schuld heeft betrekking op onterecht van de gemeente ontvangen uitkeringen uit hoofde van de Wet werk en bijstand. Die uitkeringen ontving verzoekster deels in 2005 en deels in 2006, terwijl zij niet aan de gemeente meldde dat zij in Kenia verbeef. Tijdens dat verblijf liet zij haar dochter inlichtingenverklaringen naar Kenia opzenden en, na die verklaringen ingevuld teruggezonden te hebben, bij de gemeente indienen. Verzoekster stelt niet geweten te hebben dat zij haar verblijf in Kenia aan de gemeente had moeten melden. Die schuld, die voor het grootste deel meer dan vijf jaren vóór de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is ontstaan, is al voor een bedrag van € 2.259,21 afgelost. Aan de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank legt het hof met name het volgende ten grondslag: "Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep staat vast dat [verzoekster] een fraudeschuld heeft laten ontstaan. Het hof hanteert als uitgangspunt dat iedere schuld die als fraudeschuld valt te kwalificeren - ongeacht de omvang van de schuld - in de weg staat aan toelating tot de schuldsaneringsregeling."

1.2 Verzoekster tot cassatie is met een op 6 april 2011 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift in cassatie gekomen van het arrest van het hof.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Aan het aangevoerde cassatiemiddel ligt ten grondslag dat het hof van een strafbaar feit, te weten fraudeschuld, is uitgegaan. Dat doet het hof ten onrechte, want in de strafwet komt het delict fraudeschuld niet voor. Bovendien is er ook niet een met waarborgen omklede rechtsgang voor de strafrechter geweest. Een en ander levert strijd met artikel 6 EVRM alsmede 47 EU-Handvest op.

2.2 Het middel slaagt niet wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het arrest van het hof geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het hof beoogd heeft uit te gaan van een in de strafwet voorkomend delict. Met de term 'fraudeschuld' wil het hof niet meer aangeven dan dat verzoekster tot cassatie een schuld heeft doen ontstaan door uitkeringen uit de Wet werk en bijstand in ontvangst in ontvangst te nemen, terwijl zij de daaraan verbonden inlichtingenplicht nakomt op een zodanige wijze dat voor de gemeente niet kenbaar wordt dat zij in het buitenland vertoeft. In de vraag of die handelwijze een strafbaar feit oplevert, verdiept het hof zich niet en hoefde het hof zich ook niet te verdiepen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden