Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8452

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/04459
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Kort geding. Verzekeringsrecht. Weigering verzekeringsuitkering wegens beweerde brandstichting. Opname personalia in incidentenregister onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/924
JWB 2011/385
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04459

mr J. Spier

Zitting 20 mei 2011 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV

(hierna NN)

1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Haagse Hof.

2. Middel I berust op een misvatting. Art. 6 EVRM ziet op de eisen gesteld aan en waarborgen met betrekking tot procedures bij de rechter. Voor zover het middel al begrijpelijke klachten op dit punt ventileert, stuiten ze hierop af.

3. Voor zover het middel meent dat bij een vermoeden van brandstichting aangifte moet worden gedaan, mislukt het omdat een rechtsgrond daarvoor ontbreekt.

4. De klacht onder 16 voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het Hof heeft op dit punt niets vastgesteld. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de stelling: onder omstandigheden kan dit grond opleveren geen of minder waarde te hechten aan zo'n rapport, maar dat is - zeker in kort geding - overgelaten aan de feitenrechter; zie ook rov. 8 en 11 van 's Hofs arrest.

5. Middel II vervalt goeddeels in herhalingen en mislukt op de eerder genoemde gronden. Voor het overige zien de klachten eraan voorbij dat het in casu gaat om een - door [eiser] ge├źntameerd - kort geding. Dat leent zich niet voor (uitvoerig) feitenonderzoek. Het Hof heeft niet geoordeeld dat [eiser] - kort gezegd - de brand heeft aangestoken en evenmin dat hij zich aan andere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Als [eiser] dat in rechte uitgezocht wil hebben, dan is een kort geding daarvoor niet de juiste weg.

6. Uit de s.t. van mrs Rijpma en Van der Keur onder 6 blijkt dat ook een bodemprocedure is ge├źntameerd en dat deze in eerste aanleg niet tot een voor [eiser] gunstig resultaat heeft geleid (zie prod. 1). Dat vonnis zou onherroepelijk zijn geworden (s.t. NN onder 7 en 8). Mogelijk moet de repliek van mr Garretsen onder 1 zo worden begrepen dat hij dit laatste ontkent. Omdat bijlage 3 bij de s.t. van NN niet duidelijk is, heb ik ambtshalve navraag laten doen bij de griffie van het Hof. De bodemprocedure blijkt inderdaad te zijn geroyeerd; ik moge verwijzen naar het aangehechte van genoemde griffie ontvangen document. Daarom mist [eiser] belang bij zijn cassatieberoep.

7. Ten overvloede: in de zaken waarin een verzekeringsuitkering wegens beweerde brandstichting werd geweigerd en waarin ik de afgelopen vele jaren heb mogen concluderen, bekroop mij soms een wat ongemakkelijk gevoel. Evenals in talloze andere zaken bestaat soms de indruk dat - op voor een leek wankele gronden - naar een bepaald resultaat wordt toegewerkt. Over de onderhavige zaak wil geen uitspraak doen. Ik volsta ermee op te merken dat de uitkomsten van de door [eiser] ingeschakelde deskundige, zoals geciteerd in rov. 2.10 van het vonnis in prima, bepaaldelijk zuinig zijn geformuleerd.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal