Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8196

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10/02311 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Enkele bm zijn niet zonder meer redengevend voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel waardoor de bestreden uitspraak niet naar behoren met redenen is omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02311 P

Mr. Hofstee

Zitting: 31 mei 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 3 augustus 2009 aan verzoeker (de veroordeelde) de verplichting opgelegd om een bedrag van € 15.200,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.(1)

3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

4. Het middel treft doel. Verzoeker heeft op 6 augustus 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 16 april 2010 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Dit tijdverlies kan bovendien niet door een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd, zodat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een door de Hoge Raad te bepalen vermindering van de opgelegde maatregel.(2)

5. Het tweede middel behelst de klacht dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

6. Ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415 en art. 359, eerste lid, Sv dient de uitspraak op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud te bevatten van de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebezigde bewijsmiddelen.

7. In de aan de bestreden uitspraak gehechte bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, is onder meer het volgende bewijsmiddel 1 opgenomen:

"1. Een afschrift van het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage, gewezen in de strafzaak tegen de veroordeelde, d.d. 3 augustus 2009, waarvan het hof de daarin opgenomen bewijsmiddelen - voor zover betrekking hebbend op onderhavige ontnemingszaak - als hier geïntegreerd beschouwt."

8. Voorts bevat vorenbedoelde bijlage nog de inhoud van de bewijsmiddelen 2 tot en met 38 waaraan het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend. Daaronder bevinden zich tevens verscheidene in het gewezen arrest in de hoofdzaak (strafzaak) door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, welke het Hof voor de schatting van het voordeel relevant heeft geacht. Anders dan het middel betoogt, voldoet de bestreden uitspraak dus wel aan het hiervoor onder 6 genoemde vereiste.

9. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Het derde middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 6, 7, 8, 9, 10, 13, 15, 18, 19, 20, 24, 27, 28, 31, 34 en 38 niet zonder meer redengevend zijn voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl deze bewijsmiddelen bovendien strijdig zijn met de bewijsmiddelen 3 en 5 behorende bij het in bewijsmiddel 1 genoemde arrest in de hoofdzaak. De bestreden uitspraak is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.

11. De bestreden uitspraak houdt - voor zover hier relevant - het volgende in:

"Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 3 augustus 2009 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 3 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.

(...)

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof komt, gelet op de door de veroordeelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen, de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van de veroordeelde d.d. 10 februari 2006 en 11 februari 2006 alsmede het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie Haaglanden met nummer 1521/2005/57497, tot de navolgende berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak onder 3 primair bewezenverklaarde feit.

De veroordeelde heeft ten overstaan van de politie bekend een bedrag van in totaal € 15.200,-- ten gunste van zichzelf te hebben opgenomen van de rekeningen van [slachtoffer].

Op grond van het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 15.200,- (vijftienduizend tweehonderd euro).(...)"

12. Voor de beoordeling van het middel acht ik (enkel) de volgende vier bewijsmiddelen van belang:

- de als bewijsmiddel 5 gebezigde verklaring van verzoeker d.d. 11 februari 2006, inhoudende:

"Als ik geld nodig had, vroeg ik dat aan haar (ik begrijp [slachtoffer], AG). Dan kreeg ik haar pinpas en pinde ik geld. Dat geld stortte ik dan op de rekening van mijn broer of ik stopte het in mijn zak.

Het klopt dat [slachtoffer] alleen bij het postkantoor pint en dus alle overige pintransacties door mij zijn gedaan.

Het klopt dat ik € 15.200,-- in mijn zak gestopt heb om rekeningen te kunnen betalen."

- het als bewijsmiddel 6 gebezigde geschrift (een 'Afrekening GIROREKENING' van het slachtoffer) d.d. 1 juli 2002, inhoudende:

"[slachtoffer], rekeningnummer Postbank [001]

Geboekt op:1 jul

Naam/omschrijving:[verdachte] [plaats]

Code:OV

Nr.:1

Giro-/Bankrekening:[002]

Af/bij:AF

Bedrag:500,00"

- het als bewijsmiddel 28 gebezigde geschrift (een 'Afrekening GIROREKENING' van het slachtoffer) d.d. 29 november 2004, inhoudende:

"[slachtoffer], rekeningnummer Postbank [001]

Geboekt op:24 nov

Naam/omschrijving:[betrokkene 1] [plaats]

Code:OV

Nr.:14

Af/bij:AF

Bedrag:370,00"

- het als bewijsmiddel 38 gebezigde geschrift (een 'Afrekening GIROREKENING' van het slachtoffer) d.d. 5 december 2005, inhoudende voor zover relevant:

"[slachtoffer], rekeningnummer Postbank [001]

Geboekt op:29 nov

Naam/omschrijving:[verdachte] [plaats]

Code:[O]V

Nr.:16

Giro-/Bankrekening:[002]

Af/bij:AF

Bedrag:1.400,00 (...)"

13. Volgens de steller van het middel(3) is het een feit van algemene bekendheid dat de door de voormalige Postbank (thans ING) op afrekeningen van de girorekening gehanteerde code "OV" staat voor een handmatig, door de rekeninghouder zelf uitgevoerde overschrijving met behulp van een overschrijvingskaart of via internetbankieren. Deze code wordt vermeld in de hierboven onder 12 weergegeven bewijsmiddelen 6, 28 en 38. Gelet op de betekenis van de code "OV" is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat immers verkregen zou zijn door middel van diefstal met valse sleutels in de vorm van een giromaatpas en een creditcard, ontleend heeft aan bewijsmiddelen waaruit blijkt dat handmatige overschrijvingen hebben plaatsgevonden, aldus de steller van het middel.

14. De steller van het middel heeft hier een punt. Uit de bewijsmiddelen 6, 28 en 38 kan wel worden afgeleid dat een geldbedrag is overgeschreven, maar niet dat deze overschrijvingen hebben plaatsgevonden door middel van een giromaatpas of een creditcard, zoals in de hoofdzaak onder feit 3 primair is bewezen verklaard. Mogelijk zijn deze overschrijvingen uitgevoerd met behulp van een overschrijvingskaart of via internetbankieren.

15. De voorgestelde klacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Gezien de bestreden uitspraak, zoals hiervoor onder 11 weergegeven, heeft het Hof de schatting van (de omvang van) het wederrechtelijk verkregen voordeel voornamelijk gegrond op de als bewijsmiddel 5 gebezigde bekentenis van verzoeker ten overstaan van de politie dat hij een bedrag van in totaal € 15.200,- ten gunste van zichzelf had opgenomen van de rekeningen van [slachtoffer].

16. Voor zover het middel de klacht bevat dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen strijdig zijn met de in het arrest in de hoofdzaak opgenomen bewijsmiddelen 3 en 5, is deze klacht tevergeefs voorgesteld. Het Hof verwijst immers in bewijsmiddel 1 enkel naar de in voornoemd arrest opgenomen bewijsmiddelen "voor zover betrekking hebbend op onderhavige ontnemingszaak". Zoals hiervoor al onder 8 is opgemerkt, bevat de aan de bestreden uitspraak gehechte bijlage ook een aantal van de in het arrest in de hoofdzaak gebezigde bewijsmiddelen, welke het Hof voor de schatting van (de omvang van) het wederrechtelijk verkregen voordeel relevant heeft geacht. Nu die bijlage niet tevens de bedoelde bewijsmiddelen 3 en 5 bevat, hebben deze naar het kennelijke oordeel van het Hof geen betrekking op de onderhavige ontnemingszaak. Ik meen dan ook dat die bewijsmiddelen 3 en 5 hier niet ter zake doen.

17. De bestreden uitspraak is derhalve naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

18. Derhalve is ook het derde middel tevergeefs voorgesteld.

19. Het tweede middel en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

20. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde maatregel. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze ontnemingszaak hangt samen met de hoofdzaak met griffienummer 10/02312, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis.

3 Zie ook het tweede middel in de samenhangende hoofdzaak met griffienummer 10/02312.