Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8096

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
10/02832
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8096
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek tot vaststelling kinderalimentatie. Hof niet buiten grenzen rechtsstrijd getreden met zijn oordeel over behoefte kinderen. Oordeel voorts voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1950
RvdW 2011/1307
JWB 2011/500
JPF 2012/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/02832

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 8 juni 2011

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

adv.: mr. H.J.W. Alt,

tegen:

[De man],

verweerder in cassatie,

adv.: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.

Deze kinderalimentatiezaak betreft in cassatie onder meer de vraag of het hof bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen de feitelijke grondslag van het verweer van de man tegen de door de vrouw verzochte bijdrage heeft aangevuld en/of bij die vaststelling buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Daarnaast wordt de vraag aan de orde gesteld of het hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd heeft.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Verzoekster tot cassatie, hierna: de vrouw, en verweerder in cassatie, hierna: de man, hebben tot december 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad, waarin zij nimmer hebben samengewoond. Uit de relatie van partijen zijn geboren [kind 1] (1997), [kind 2] (2001) en [kind 3] (2003). De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw, die alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift van 8 december 2006 (zaaknummer 115826 / FA RK 06-1608) heeft de vrouw de rechtbank Maastricht verzocht - onder meer en voor zover in cassatie van belang - te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] zal betalen ten bedrage van € 750,- per maand per kind.

Bij inleidend verzoekschrift van 30 januari 2007(2) (zaaknummer 117184/ FA RK 07-156), heeft [kind 1] de rechtbank - onder meer en voor zover in cassatie van belang - verzocht te zijnen behoeve een kinderalimentatie van € 750,- per maand vast te stellen.

De man heeft tegen beide verzoeken verweer gevoerd en verzocht - voor zover in cassatie van belang - de kinderalimentatie vast te stellen op € 505,- per kind per maand, zijnde het in de Nibud-tabellen genoemde bedrag bij een maandelijks netto gezinsinkomen van € 5.000,- of hoger.(3)

1.3 Ter zitting van 7 april 2009 heeft de vrouw aangegeven mede als verzoekster ten behoeve van Ramon te willen worden aangemerkt(4); de rechtbank heeft die wijziging toegestaan(5).

1.4 Bij beschikking in beide zaken van 14 juli 2009 heeft de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de kinderen overwogen (rov. 3, p. 3):

"Omdat de man en de vrouw nimmer hebben samengewoond en de vrouw geen eigen inkomsten heeft gegenereerd, zal de rechtbank bij de berekening van de behoefte van de kinderen enkel uitgaan van het inkomen van de man. De man heeft geen financiële stukken overgelegd met betrekking tot zijn inkomen uit onderneming. Hij heeft evenmin gegevens verstrekt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij na zijn pensionering minder inkomsten zal ontvangen. Bij gebreke van enige andere financiële bescheiden waaruit het tegendeel zou kunnen blijken gaat de rechtbank ervan uit dat de man zeer vermogend is en een inkomen heeft dat ver uitstijgt boven de in de Nibud-tabel gehanteerde normbedragen. Gelet op de - door de man niet betwiste - grote welstand en een hoge levensstandaard waaraan de vrouw en de kinderen gewend zijn, ziet de rechtbank aanleiding de behoefte van de kinderen vast te stellen op het door de vrouw gestelde bedrag van € 750,- per kind per maand."

De rechtbank heeft de man veroordeeld om met ingang van 8 december 2006 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 750,- per maand per kind als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen.

1.5 De man is van deze beschikking(6) in hoger beroep gekomen en heeft in zijn beroepschrift - voor zover in cassatie van belang - onder aanvoering van drie grieven verzocht de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen op een lager bedrag per maand vast te stellen, met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.(7) De vrouw heeft verweer gevoerd.

1.6 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 7 april 2010 heeft het hof 's-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank van 14 juli 2009 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen van partijen zal voldoen een bedrag van € 508,- per kind per maand met ingang van 18 december 2006, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling, te indexeren volgens de wettelijke indexering ex art. 1:402a Burgerlijk Wetboek vanaf 1 januari 2008.

1.7 De vrouw is tijdig(8) in cassatie gekomen van de beschikking van het hof van 7 april 2010.

De man heeft een verweerschrift ingediend.

2. Beoordeling van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieberoep heeft betrekking op de overwegingen van het hof naar aanleiding van de eerste grief van de man, waarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de behoefte van de drie kinderen moet worden vastgesteld op € 750,- per kind per maand. Het hof heeft daaromtrent als volgt overwogen:

"3.8.1. In hoger beroep is komen vast te staan dat de vrouw en de kinderen van partijen gedurende een groot aantal jaren in een bepaalde mate van welstand hebben geleefd, omdat de man gedurende de relatie van partijen - in welke relatie zij nimmer hebben samengewoond - ten behoeve van de vrouw en de drie kinderen van partijen maandelijks aan de vrouw een bedrag van tenminste € 2.200,- ter hand stelde en daarnaast de volledige huur van de door haar met de kinderen bewoonde woning betaalde, welke huur na verbreken van de relatie € 1.340,- per maand bedroeg, alsmede de gemeentelijke belastingen.

Daarbij komt dat de man de stelling van de vrouw dat de man ook een deel van de energiekosten en de autokosten van de vrouw voor zijn rekening nam, alsmede de kosten van uitstapjes en vakanties, onvoldoende heeft weersproken, zodat het hof van de juistheid van die stelling van de vrouw uitgaat.

3.8.2. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de vrouw gedurende een groot aantal jaren met haar gezin de beschikking heeft gehad over een netto besteedbaar inkomen van laatstelijk circa € 5.000,- per maand.

Het hof acht het onder de omstandigheden van het geval redelijk om voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen uit te gaan van genoemd netto besteedbaar inkomen ad € 5.000,- per maand en zoekt voor de vaststelling van de behoefte aansluiting bij de 'tabel eigen aandeel kosten van kinderen' als gehanteerd door de Werkgroep Alimentatienormen, zoals die gold in 2006, het jaar van de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen.

Op basis van die gegevens en uitgaande van de leeftijd van de drie kinderen in 2006 (16 kinderbijslagpunten) becijfert het hof de behoefte van de kinderen in 2006 op € 1.525,- per maand.

Uit het vorenstaande volgt dat de drie kinderen van partijen per 18 december 2006 ieder behoefte hebben aan een bedrag van circa € 508,- per maand.

In zoverre slaagt de eerste grief van de man, zij het op andere gronden dan door de man naar voren gebracht."

2.2 Het middel komt in vier onderdelen op tegen de vaststelling van het hof in rov. 3.8.2 dat de vrouw gedurende een groot aantal jaren met haar gezin de beschikking heeft gehad over een netto besteedbaar inkomen van laatstelijk circa € 5.000,- per maand, op grond waarvan het hof de eerste grief van de man, "zij het op andere gronden dan door de man naar voren gebracht", heeft laten slagen.

2.3 Het eerste onderdeel (cassatieverzoekschrift onder I.1) klaagt dat het hof zich op deze wijze schuldig heeft gemaakt aan een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer van de man. Het onderdeel voert daartoe aan dat de man aan zijn grief niet ten grondslag heeft gelegd dat het besteedbaar inkomen circa € 5.000,- per maand bedroeg waardoor reeds op die grond van de daarmee corresponderende (gefingeerde) behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan. Volgens het onderdeel kan de grief van de man redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat in een situatie waarin het besteedbaar inkomen de (op een netto besteedbaar inkomen van € 5.000 gelegen) limiet van de behoeftetabel(9) bij het rapport Alimentatienormen overstijgt, er eerst grond is voor het vaststellen van een hogere behoefte dan de uit die limiet voortvloeiende (gefingeerde) behoefte, indien die hogere behoefte met justificatoire bescheiden wordt onderbouwd.(10) De man ging derhalve uit van een besteedbaar inkomen boven de € 5.000,-, aldus het onderdeel. Het tweede onderdeel (cassatieverzoekschrift onder I.2) klaagt dat het hof met bedoeld oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Daartoe wordt aangevoerd dat partijen niet hebben gedebatteerd over de vraag of het besteedbaar inkomen laatstelijk al dan niet circa € 5.000,- bedroeg, maar over de vraag of, uitgaande van een inkomen boven de limiet van de behoeftetabel, een hogere behoefte dan passend bij die limiet moet worden becijferd aan de hand van justificatoire bescheiden dan wel door middel van lineaire doortrekking van de tabel.(11) De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.4 In dat verband is het partijdebat van belang. Dit kan als volgt worden samengevat.

2.4.1 In reactie op het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van een maandelijkse kinderalimentatie van € 750,- per kind heeft de man in zijn verweerschrift in eerste aanleg opgemerkt dat voor het geval dat van een netto-gezinsinkomen in eigenlijke zin als bedoeld in de behoeftetabellen bij het rapport Alimentatienormen geen sprake is omdat, zoals in casu, de ouders nooit met elkaar hebben samengewoond, het rapport aangeeft dat de vader moet bijdragen met het bedrag dat hij aan het kind zou besteden als het wel in zijn gezin zou wonen.(12) Voorts heeft hij gesteld dat uit die behoeftetabellen voortvloeit dat bij een inkomen van € 5.000,- of hoger (in een gezin met drie kinderen) de behoefte op € 505,- per kind is gemaximeerd, zodat de vrouw de door haar impliciet gestelde hogere behoefte nader dient te onderbouwen alvorens hij inzage zal geven in zijn inkomens- en vermogenspositie. Hij heeft ten slotte verzocht de alimentatie vast te stellen op € 505,- per kind per maand(13).

Ter zitting is namens de vrouw betoogd dat nu partijen nooit hebben samengewoond en zijzelf geen inkomen heeft, de behoefte van de kinderen moet worden bepaald aan de hand van het inkomen van de man, dat, naar zij uit het verweerschrift afleidt, hoger is dan € 5.000,-(14).

2.4.2 In haar beschikking van 14 juli 2009 heeft de rechtbank, op grond van de overweging dat de man en de vrouw nooit hebben samengewoond en de vrouw geen eigen inkomsten heeft gegenereerd, bij de berekening van de behoefte van de kinderen het inkomen van de man tot uitgangspunt genomen (rov. 3, p. 3, aangehaald onder 1.4 hiervoor).

2.4.3 In hoger beroep heeft de man niet tegen voormeld uitgangspunt(15) gegriefd. Hij heeft in dit verband echter gesteld een inkomen te hebben dat de behoeftetabel in het rapport Alimentatienormen overschrijdt - om welke reden hij geen inkomensgegevens heeft overgelegd - en onder verwijzing naar zijn verweerschrift in eerste aanleg verklaard bereid te zijn een conform het rapport Alimentatienormen 2007 bij een netto gezinsinkomen van € 5.000,- of hoger op een bedrag van € 505,- per kind vast te stellen kinderalimentatie te betalen. Hij heeft voorts, onder verwijzing naar de uitspraken van het hof 's-Gravenhage van 25 mei 2005 (LJN AT6246) en van de rechtbank Haarlem van 9 december 2008 (LJN BH2856), gesteld dat bij een hoger inkomen dan vermeld in de behoeftetabel geen plaats is voor lineaire doortrekking van die behoeftetabel en dat de rechtbank een hogere behoefte van de kinderen enkel had mogen vaststellen op basis van door de vrouw overgelegde justificatoire bescheiden. Nu de vrouw op geen enkele wijze de gestelde behoefte van € 750,- per maand heeft onderbouwd, is de rechtbank ten onrechte van een hogere behoefte uitgegaan, aldus de eerste grief van de man.

De vrouw is evenmin tegen het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt opgekomen. Zij heeft in dit kader echter gesteld (eveneens onder verwijzing naar rechtspraak) dat bij een hoger inkomen dan € 5.000,- de kosten van kinderen (wel) lineair dienen te worden doorgetrokken(16) respectievelijk dat zij de hogere behoefte van de kinderen voldoende aannemelijk heeft gemaakt; zij kan deze slechts niet exact vaststellen omdat de man zijn inkomenspositie niet met justificatoire bescheiden heeft onderbouwd.(17)

2.5 Uit het voorgaande volgt dat beide partijen het uitgangspunt van de rechtbank - dat bij de berekening van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van het inkomen van de man - in hoger beroep niet hebben bestreden, zodat ook het hof daarvan had moeten uitgaan(18). Voorts was tussen partijen niet in geschil dat dit inkomen het hoogste in de behoeftetabel vermelde bedrag (€ 5.000,-) overschrijdt. Het hof mocht dan ook niet uitgaan van het feitelijk verkregen en door hem op ca € 5.000,- berekende inkomen van de vrouw. De hiertegen gerichte klachten zijn derhalve terecht voorgesteld.

2.6 Hieraan doet naar mijn mening niet af dat de rechter grote vrijheid geniet bij het vaststellen en wegen van factoren die behoefte (en draagkracht) bepalen(19), noch dat de bijzondere aard van de alimentatieprocedure op sommige punten uitzonderingen op het algemene (appel)procesrecht toelaat. Ook ten aanzien van alimentatieprocedures geldt dat de rechter slechts beslist op basis van de door partijen aangevoerde grondslagen voor hun verzoek of verweer en dat de appelrechter aan onbestreden oordelen van de rechter in eerste aanleg gebonden is.(20)

2.7 Het slagen van de eerste twee onderdelen brengt mee dat de overige onderdelen, die zich richten tegen de vaststelling van het netto besteedbaar van de vrouw op een bedrag van ca € 5.000,- per maand, geen bespreking meer behoeven. Het is dan ook ten overvloede dat ik opmerk dat ook die overige onderdelen falen.

2.8 Het derde onderdeel (cassatieverzoekschrift onder I.3) klaagt dat het hof niet tot het oordeel kon komen dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw laatstelijk circa € 5.000,- per maand bedroeg, althans dat dit oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de in rov. 3.8.1 betrokken posten gemeentelijke belastingen, energiekosten, autokosten en kosten van uitstapjes en vakanties niet afzonderlijk heeft geconcretiseerd.

2.9 Bij de beoordeling van deze klacht staat voorop dat de vaststelling en weging van de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen kunnen worden gesteld(21); zo is de rechter niet verplicht alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens hij gebruik heeft gemaakt(22). De beslissing van de rechter dient voldoende inzicht te geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt(23), in het bijzonder hoe hij, gelet op het partijdebat(24), tot zijn beslissing is gekomen. Daarbij is de rechter echter niet gehouden op alle stellingen van partijen in te gaan(25).

2.10 In het onderhavige geval is het partijdebat met betrekking tot genoemde posten als volgt verlopen.

Ter zitting in eerste aanleg heeft de vrouw de volgens haar door de man betaalde posten energie, auto en vakanties/uitstapjes begroot op respectievelijk € 100,-, € 723,- en € 1.000,- per maand. De man heeft die stellingen bestreden. Ter zake van de energiekosten heeft de man ter zitting gesteld dat die kosten door de vrouw zelf zijn voldaan uit de door de man aan haar ten tijde van de relatie ter beschikking gestelde onderhoudsbijdrage. Met betrekking tot de autokosten heeft de man betoogd dat hij slechts incidenteel dergelijke kosten betaalde. Voorts heeft de man ter zitting de hoogte van de post vakantie/uitstapjes betwist; de man ging niet vier keer maar slechts eenmaal per jaar met de vrouw en de kinderen op vakantie. De man heeft daarnaast gesteld dat hij de gemeentelijke belastingen ten behoeve van de vrouw voldeed.

In hoger beroep heeft de man met betrekking tot zowel de energiekosten als de autokosten gesteld dat de vrouw die kosten voldeed uit de bijdrage die zij van hem ontving. Met betrekking tot de kosten voor vakanties/uitstapjes heeft de man aangevoerd dat zij niet jaarlijks met het gezin naar Spanje gingen, maar dat dit slechts drie keer is voorgekomen. De vrouw heeft in hoger beroep ter zake van energie- en autokosten gesteld dat de man, naast andere, met name genoemde posten, een deel van de overige vaste lasten van de vrouw betaalde. Met betrekking tot de post vakanties/uitstapjes heeft de vrouw in hoger beroep gesteld dat partijen regelmatig op vakantie gingen en in het weekend uitstapjes maakten, waarvan de kosten door de man betaald werden.

2.11 Uit rov. 3.8.1 wordt duidelijk dat het hof voor de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen niet zonder meer de door de vrouw ter zitting in eerste aanleg gestelde hoogte van de posten in kwestie heeft gevolgd maar aansluiting heeft gezocht bij de, naar aanleiding van het door de man gevoerde verweer aangepaste, stellingen van de vrouw dat de man 'een deel van de overige vaste lasten van de vrouw' betaalde en dat 'partijen regelmatig op vakantie gingen en in het weekend uitstapjes deden' die door de man betaald werden. Die benadering is in het licht van het gevoerde partijdebat niet onbegrijpelijk, noch noopte dat debat - in het bijzonder de afwezigheid van concrete stellingen ter zake van de vrouw in hoger beroep - het hof ertoe per post concreet de omvang ervan aan te geven.

Tegen deze achtergrond en gelet op de hiervoor aangegeven beperkte motiveringseisen is de door onderdeel 3 bestreden beslissing van het hof voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

2.12 Onderdeel 4 (cassatieverzoekschrift onder I.4) klaagt dat het gestelde in onderdeel 3 te meer klemt nu de vrouw onder punt 13 van het verweerschrift in hoger beroep ook nog heeft aangevoerd dat de uitstapjes vrijwel ieder weekend werden gemaakt en dat daarbij niet op de kosten werd gelet, en dat de kinderen merkkleding droegen en dure computerspellen kregen. Volgens onderdeel 4 heeft het hof deze (essentiële) stellingen ten onrechte niet opgenomen in rov. 3.7.3, en heeft het hof daaraan in rov. 3.8.1 ten onrechte geen kenbare aandacht besteed.

2.13 Voor zover onderdeel 4 voortbouwt op onderdeel 3 deelt het in het lot van dat onderdeel. Voor zover het onderdeel geacht moet worden ook een zelfstandige klacht te bevatten, faalt die klacht.

Hoewel het hof de stelling van de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep, inhoudende dat de uitstapjes vrijwel ieder weekend werden gemaakt en daarbij niet op de kosten werd gelet, niet letterlijk heeft weergegeven in rov. 3.7.3, kan uit rov. 3.8.1 worden opgemaakt dat het hof de kosten van uitstapjes en vakanties bij zijn overwegingen heeft betrokken. Het hof was daarbij gegeven de reeds eerder genoemde beperkte motiveringsplicht en gelet op het gebrek aan concretiserende stellingen ter zake in het partijdebat niet gehouden de exacte omvang van de post in zijn beschikking vast te stellen.

Aan de stellingen van de vrouw met betrekking tot de merkkleding en dure computerspellen mocht het hof naar mijn mening voorbij gaan. Met betrekking tot de post dure computerspellen heeft de vrouw niet gesteld dat het hier om kosten gaat die de man voor zijn rekening nam ten tijde van de relatie tussen partijen, zodat de stelling van de vrouw niet als essentieel, want onvolledig, kan worden aangemerkt. Wat betreft de post merkkleding ligt dit mogelijk anders nu de vrouw in eerste aanleg (verzoekschriften, p. 3 resp. 2/3) wel heeft gesteld dat de man maandelijks een grote bijdrage leverde aan zaken als 'kleding' voor de kinderen. Voor zover moet worden aangenomen dat de vrouw hierop doelt met haar stelling in hoger beroep betreffende 'merkkleding', heeft het hof die stelling kennelijk en - gelet op de betwisting van die post door de man in zijn beroepschrift (p. 3 onderaan), waarop door de vrouw in haar verweerschrift geen nadere onderbouwing is gegeven - niet onbegrijpelijk als niet aannemelijk buiten beschouwing gelaten. Het hof was niet gehouden die beoordeling uitdrukkelijk in zijn beschikking op te nemen(26).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 van de beschikking van het hof van 7 april 2010.

2 Zie ook het Wijzigingsverzoek d.d. 4 mei 2007, waarin het verzoek is aangevuld in die zin dat de vrouw als wettelijk vertegenwoordigster optreedt voor [kind 1] als verzoeker.

3 Volgens weergave van de rechtbank in haar beschikking van 14 juli 2009, rov. 3, 3e alinea.

4 P-v, p. 2.

5 Beschikking rechtbank, rov. 3, 2e alinea.

6 Het appelschrift kondigt hoger beroep aan tegen de beschikkingen in beide zaken. Blijkens de kop van zijn beschikking gaat het hof uit van hoger beroep tegen (uitsluitend) de beschikking in de door de vrouw geëntameerde zaak 115826 / FA RK 06-1608.

7 De man heeft in zijn beroepschrift eveneens verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad (art. 351 Rv). Dit verzoek is door het hof afgewezen bij beschikking van 7 oktober 2009; het speelt in cassatie geen rol.

8 Het verzoekschrift tot cassatie is op 6 juli 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

9 Dit is de door het hof in rov. 3.8.2 bedoelde tabel 'Eigen aandeel kosten van kinderen' die is opgenomen in de Bijlage bij de achtereenvolgende rapporten van de Werkgroep Alimentatienormen.

10 Verwezen wordt naar appelschrift p. 4, 2e, 3e en 4e woordblok.

11 Verwezen wordt naar appelschrift p. 4, 2e, 3e en 4e woordblok, en verweerschrift punt 15.

12 De man doelt kennelijk op het rapport Alimentatienormen 2006, p. 8.

13 Zie de verweerschriften van de man van 9 mei 2007, onder 8-10.

14 P-v van de zitting van 7 april 2009, p. 3, onderaan.

15 Zie over de te hanteren maatstaven bij bepaling van de behoefte van kinderen van wie de ouders niet in gezinsverband hebben samengewoond HR 13 april 2007, LJN AZ6098, NJ 2007, 394 m.nt. SFMW en HR 27 februari 2004, LJN AN9690, NJ 2004, 283 m.nt. SFMW; zie ook de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 16 mei 2008, LJN BC8414 (art. 81 RO) en de conclusie van A-G Moltmaker voor HR 11 oktober 2002, LJN AE5148 (art. 81 RO). Zie voorts A-G Wesseling-van Gent, conclusie (onder 2.3-2.14) voor HR 8 april 2011, LJN BQ0479, RvdW 2011, 523; Personen- en familierecht (losbl.), S.F.M. Wortmann, art. 1:404 BW, aant. 2A; Asser/De Boer I* (2010), nrs. 1062, 1073; Rapport Alimentatienormen 2009, p. 9.

16 Vgl. over lineair doortrekken van de (toenmalige, tot € 3.500 lopende) tabel A-G Verkade in zijn conclusie (onder 3.21 en 3.24) voor HR 14 juli 2006, LJN AX5382, RvdW 2006, 739.

17 Verweerschrift onder 15 resp. 13.

18 Vgl. HR 13 april 2007, LJN AZ6098, NJ 2007, 394 m.nt. SFMW, rov. 3.2. Vgl. ook HR 25 maart 2011, LJN BP1478, RvdW 2011, 428.

19 Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 19 oktober 2007, LJN BA5803, NJ 2007, 563; HR 22 september 2006, LJN AX8848, NJ 2006, 520; HR 10 december 1999, LJN AA3843, NJ 2000, 4, en HR 24 november 1995, LJN ZC1896, NJ 1996, 260. Zie ook Asser/De Boer I* (2010), nr. 620.

20 Vgl. A-G Huydecoper in zijn conclusie (onder 8) voor HR 24 december 2010, LJN BO3559.

21 Zie noot 19.

22 HR 17 maart 2000, LJN AA516, NJ 2000, 313.

23 HR 29 juni 2001, LJN AB2376, NJ 2001, 495; HR 10 oktober 2003, LJN AI0366, NJ 2004, 37; HR 19 oktober 2007, LJN BA5803, NJ 2007, 563.

24 HR 10 oktober 2003, LJN AI0366, NJ 2004, 37; HR 19 oktober 2007, LJN BA5803, NJ 2007, 563.

25 HR 10 maart 2006, LJN AV1044, NJ 2006, 191.

26 HR 10 maart 2006, LJN AV1044, NJ 2006, 191; HR 19 oktober 2007, LJN BA5803, NJ 2007, 563.