Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ8091

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
10/01591
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ8091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

81 RO. Onteigening; procesrecht; vraag of faxbericht van rolgriffier namens rolrechter met verwijzing naar eerdere beslissing rolrechter dat verzoek om pleidooi is afgewezen als incidenteel vonnis kan worden beschouwd; voorwaarden voor tussenkomst in onteigeningsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1184
JWB 2011/473
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/01591

MR. R.L.H. IJZERMAN

Zitting van 10 juni 2011

Conclusie inzake:

Latrusco N.V.

[Eiser 2]

[Eiseres 3]

[Eiser 4]

[Eiser 4]

[Eiser 6]

[Eiseres 7]

tegen

Gemeente Heerlen

1. Feiten en het geding in feitelijke instantie

1.1 Bij vonnis van 25 maart 2009(1) heeft de Rechtbank te Maastricht ten name van en ten behoeve van de gemeente Heerlen (hierna: de Gemeente) vervroegd de onteigening uitgesproken van de volgende onroerende zaken, alle kadastraal bekend als gemeente Heerlen:

- sectie [A], nr. [001], grondplannummer [002], een gedeelte groot 30 are en 54 centiare;

- sectie [B], nr. [003], grondplannummer [004], een gedeelte groot 25 are en 63 centiare;

- sectie [B], nr. [005], grondplannummer [006], een gedeelte groot 8 are en 99 centiare.

Voornoemde onroerende zaken zijn eigendom van [eiser 6] en [eiseres 7] (hierna tezamen ook: [eisers 6 en 7]) en worden gehuurd door [betrokkene 1] die op de percelen een camping exploiteert. De Rechtbank heeft bij dit vonnis voorts een voorschot bepaald op de vast te stellen schadeloosstelling voor [eiser 6], [eiseres 7] en [betrokkene 1], en deskundigen benoemd om de schadeloosstelling te begroten. Tegen dit vonnis is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft dit beroep bij arrest van 5 november 2010, nr. 09/01632, verworpen.

1.2 Op 3 september 2009 heeft de door de Rechtbank bepaalde opneming door deskundigen plaatsgevonden.

1.3 Latrusco N.V. (hierna: Latrusco), [eiser 2], [eiseres 3], [eiser 4] en [eiser 4] (hierna tezamen ook: [eisers 2 t/m 5]), en [eisers 6 en 7] hebben bij incidentele conclusies van 3 september 2009 voor de Rechtbank gevorderd dat hen wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen.

1.4 Latrusco heeft gesteld recht en belang te hebben om tussen te komen in het geding omdat zij op grond van voor de Rechtbank overgelegde notariële akten van levering respectievelijk hypotheek:

- eigenaresse is van (onder andere) het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A], nr. [001];

- een recht van hypotheek heeft dat is gevestigd op (onder andere) de registergoederen, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B], nr. [003], en sectie [B], nr. [005];

- een pandrecht heeft op de roerende zaken behorende bij (onder andere) voornoemde registergoederen.

Verder is Latrusco eigenaresse van, respectievelijk houdster van, een hypotheekrecht op een aantal percelen welke zijn gelegen naast voornoemde in de onteigening betrokken percelen. Zij heeft verzocht om volledige vergoeding van alle schade aan die percelen ten gevolge van de onteigening.

1.5 [Eisers 2 t/m 5] hebben gesteld recht en belang te hebben om tussen te komen in het geding omdat zij op grond van voor de Rechtbank overgelegde notariële akten van levering respectievelijk hypotheek:

- allen een pachtrecht hebben dat is gevestigd op het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A], nr. [001], en het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B], nr. [007];

- [eiser 2] een recht van hypotheek heeft dat is gevestigd op (onder andere) het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A], nr. [001], en op het registergoed, kadastaal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B], nr. [007].

1.6 [Eisers 6 en 7] hebben gesteld recht en belang te hebben om tussen te komen in het geding, omdat zij op grond van voor de Rechtbank overgelegde notariële akten van levering respectievelijk van hypotheek:

- een recht van vruchtgebruik hebben dat is gevestigd op het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A], nr. [001];

- een recht van hypotheek hebben dat is gevestigd op (onder andere) het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A], nr. [001], en het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B], nr. [007].

Rechtbank

1.7 Bij vonnis van 10 maart 2010(2) heeft de Rechtbank als volgt beslist:

De rechtbank

in het incident tot tussenkomst van Latrusco

4.1. laat Latrusco als eigenaar van perceel kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A]N nr. [001] toe in de hoofdzaak tussen te komen,

4.2. wijst de gevorderde tussenkomst van Latrusco als houder van een recht van hypotheek op de registergoederen, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B] nr. [003] en sectie [B], nr. [005] en als houder van een pandrecht op de roerende zaken behorende bij voornoemde registergoederen af,

4.3. veroordeelt Latrusco in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeente Heerlen tot op heden begroot op EUR 768,00,

in het incident tot tussenkomst van [eisers 2 t/m 5]

4.4. wijst het gevorderde af,

4.5. veroordeelt [eisers 2 t/m 5] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeente Heerlen tot op heden begroot op EUR 768,00,

in het incident tot tussenkomst van [eisers 6 en 7]

4.6. Iaat [eisers 6 en 7] als vruchtgebruikers op het perceel kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A] nr. [001] toe tussen te komen in de hoofdzaak,

4.7. wijst de gevorderde tussenkomst van [eisers 6 en 7] als houders van een recht van hypotheek op het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [A] nr. [001] en het registergoed, kadastraal bekend Gemeente Heerlen, sectie [B] nr. [007] af,

4.8. veroordeelt [eisers 6 en 7] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeente Heerlen op heden begroot op EUR 768,00.

In de hoofdzaak

4.9. verstaat dat de zaak op de parkeerrol staat voor ontvangst deskundigenbericht vóór 1 mei 2010.

1.8 De afwijzende beslissingen heeft de Rechtbank als volgt gemotiveerd:

3.3. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vorderingen ten aanzien van de respectievelijke hypotheekrechten moeten worden afgewezen. Latrusco, [eisers 6 en 7] en [eisers 2 t/m 5] hebben verzuimd om naast de door hen overgelegde notariële akten tevens een bewijs van inschrijving van de hypotheekrechten in de openbare registers over te leggen. De rechtbank kan dientengevolge niet vaststellen dat de vestiging van de hypotheekrechten, wat daar verder ook van zij, is voltooid. Nu de Gemeente Heerlen de hypotheekrechten heeft betwist, mocht van Latrusco, [eisers 6 en 7] en [eisers 2 t/m 5] worden verwacht dat zij deze stelling van hun kant volledig hadden onderbouwd.

3.4. De tussenkomst van Latrusco op basis van een pandrecht ten aanzien van de roerende zaken bij de percelen [003] en [005] moet eveneens worden afgewezen. Blijkens de toelichting van Latrusco zou het hier gaan om de zich in de grond van de betreffende percelen bevindende delfstoffen (zilverzand). Nu het pandrecht niet is gevestigd op de te onteigenen percelen, is niet voldaan aan artikel 3 en 4 van de Onteigeningswet.

3.5. Voorts hebben [eisers 2 t/m 5] op grond van artikel 42, lid 6 van de Onteigeningswet ten aanzien van het ten behoeve van hen bij akte van 31 augustus 2009, aldus na de ter inzage legging als bedoeld in artikel 3:11 Awb, overeengekomen pachtrecht geen recht op schadeloosstelling door de Gemeente Heerlen, zodat zij niet kunnen worden aangemerkt als derde-belanghebbenden ingevolge artikel 3, lid 2 van de Onteigeningswet.

3.6. Daar de rechtbank de hoedanigheid van respectievelijk rechthebbende en derdebelanghebbenden van Latrusco, [eisers 2 t/m 5] en [eisers 6 en 7] niet heeft kunnen vaststellen en deze door de Gemeente Heerlen - gemotiveerd - wordt tegengesproken, komt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van artikel 3, lid 3 van de Onteigeningwet de procedure dient te worden voortgezet met [eisers 6 en 7] als de in het Koninklijk Besluit genoemde eigenaren van de percelen [003] en [005], [eisers 6 en 7] als vruchtgebruikers van het perceel [001] en Latrusco als eigenaar van dat perceel, alsmede de bij vonnis van 5 november 2008 als huurder reeds toegelaten tussenkomende partij [betrokkene 1]. De ingevolge de onderhavige incidentele vorderingen verzochte tussenkomst van Latrusco, [eisers 2 t/m 5] en [eisers 6 en 7] in de in deze incidenten genoemde hoedanigheid van hypotheekhouders c.q. pandrechthouder c.q. pachters, zal worden afgewezen.

3.6.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank voorts tot het oordeel dat ingevolge artikel 3, lid 3 van de Onteigeningswet de door de Gemeente Heerlen in het kader van de onderhavige procedure te betalen schadevergoeding, aldus ook het op deze schadevergoeding te betalen voorschot, dient te worden geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden indien Latrusco, [eisers 2 t/m 5] en/of [eisers 6 en 7] aanspraak maken op schadevergoeding op grond van de door hen in het incident gestelde eigendom of rechten.

3.7. Voor zover Latrusco met haar verzoek om volledige vergoeding van alle schade die zij ten gevolge van de onteigening stelt te ondervinden als eigenaresse respectievelijk houdster van een hypotheekrecht op een aantal percelen welke zijn gelegen naast in de onteigening betrokken percelen, beoogt te stellen dat zij op grond daarvan een recht tot tussenkomst heeft, kan zij evenmin worden toegelaten als tussenkomende partij. Een eigenaar van naastgelegen percelen wordt in die hoedanigheid niet aangemerkt als derde belanghebbende ingevolge de Onteigeningswet.

3.8. Latrusco als eigenaar van perceel [001] en [eisers 6 en 7] als de vruchtgebruikers van dat perceel worden toegelaten in de procedure in de stand waarin deze zich thans bevindt. Aangezien de rechtbank bij vonnis van 25 maart 2009 reeds heeft beslist over de onteigening, kunnen zij zich, anders dan door hen wordt gevorderd, niet meer worden toegelaten om zich daarover nog uit te laten.

3.9. Latrusco, [eisers 2 t/m 5] en [eisers 6 en 7] zullen in de proceskosten van de afzonderlijke incidenten worden veroordeeld. De kosten van de Gemeente Heerlen worden telkens begroot op € 768,- (2 punten van het liquidatietarief ad € 384,-) voor de conclusie van antwoord en de conclusie van repliek in het incident. De kosten van [eisers 6 en 7] en [eisers 2 t/m 5] zullen worden bepaald op nihil.

2. Het geding in cassatie

2.1 Latrusco, [eisers 2 t/m 5] en [eisers 6 en 7] (hierna: Latrusco c.s.) hebben tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld(3). De Gemeente heeft geantwoord. De partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten op de zitting van 10 december 2010. Latrusco c.s. hebben ter zitting van 24 december 2010 gereageerd op de schriftelijke toelichting van de Gemeente.

2.2 Latrusco c.s. stellen zeven middelen voor. Deze worden in onderdeel 3 samengevat en beoordeeld.

3. Beoordeling van de middelen

Middel I

3.1 Middel I betoogt dat de Rechtbank het recht heeft geschonden dan wel vormvoorschriften heeft verzuimd door te overwegen als is weergegeven in rechtsoverweging 1.1 in samenhang met de rechtsoverwegingen 3.3 en 3.6 van het vonnis. Deze overwegingen zijn onjuist althans onbegrijpelijk, aldus middel I.

3.2 Middel I klaagt in de eerste plaats dat het verloop van de procedure in r.o. 1.1 niet volledig is weergegeven. Niet is vermeld dat de raadsman van interveniënten bij schrijven van 21 oktober 2009 de Rechtbank heeft verzocht interveniënten in de gelegenheid te stellen door middel van pleidooi te reageren op de conclusie van antwoord van de wederpartij alvorens vonnis te wijzen. De Rechtbank heeft bij faxbericht van 23 oktober 2009 laten weten dat het verzoek om pleidooi reeds is afgewezen en dat het schrijven van 21 oktober 2009 in die beslissing geen verandering brengt. Bij schrijven van 23 oktober 2009 heeft de raadsman van interveniënten de Rechtbank nogmaals verzocht de zaak voor pleidooi op de rol te plaatsen, alvorens de Rechtbank vonnis wijst in het incident tot tussenkomst. Het middel stelt dat de Rechtbank op de rol van 4 november 2009 dat verzoek om pleidooi andermaal, en ongemotiveerd, heeft afgewezen en een datum heeft bepaald voor nadere conclusiewisseling in re- en dupliek. Bij schrijven van 1 februari 2010 heeft de raadsman van interveniënten verzocht het wijzen van vonnis aan te houden en een roldatum te bepalen voor het alsnog nemen van een conclusie of akte om te kunnen reageren op de in de conclusies van dupliek opgeworpen nieuwe stellingen van de Gemeente. Voorts heeft voormelde raadsman verzocht de litigieuze koopovereenkomsten te mogen overleggen om de daartoe strekkende vordering van de Gemeente ter overlegging in rechte van die bewijsstukken na te komen. Bij faxbericht van 1 februari 2010 heeft de Rechtbank deze verzoeken afgewezen onder vermelding dat, voor zover bij dupliek nieuwe stellingen zijn betrokken dan wel produkties zijn overgelegd, daarop geen acht zal worden geslagen.

3.3 Middel I betoogt dat de beslissing van de Rechtbank van 23 oktober 2009 moet worden aangemerkt als een incidenteel vonnis, waartegen bij dit beroep in cassatie kan worden opgekomen. Voorts betoogt het middel dat het verzoek om pleidooi op rechtens onjuiste gronden is afgewezen. De Rechtbank heeft aldus de fundamentele beginselen van hoor en wederhoor geschonden en in de Onteigeningswet, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WBRv) en het Landelijk Rolreglement voorgeschreven normen niet in acht genomen. Door na te laten de hiervoor in 3.1 genoemde proceshandelingen en gedingstukken weer te geven, behelst het vonnis niet de gronden waarop het rust, aldus middel I.

Beoordeling van middel I

3.4 Het faxbericht van 23 oktober 2009 van de Rechtbank betreft een bericht van de rolgriffier namens de rolrechter dat het verzoek om pleidooi reeds is afgewezen. Het bericht verwijst derhalve naar een eerdere beslissing van de rolrechter tot afwijzing van het verzoek om pleidooi. In het middel zijn geen klachten geformuleerd tegen die eerdere beslissing van de rolrechter, die ook niet tot de stukken van het geding behoort. Daarom kan in cassatie niet worden getoetst of de Rechtbank het verzoek om pleidooi op juiste gronden heeft afgewezen. Anders dan het middel betoogt, kan het faxbericht van de rolgriffier met de verwijzing naar de eerdere beslissing niet als een incidenteel vonnis worden aangemerkt. Deze onderdelen van het middel falen derhalve.

3.5 In artikel 2 van de Onteigeningswet is bepaald dat de bepalingen van het WBRv op het geding tot onteigening van toepassing zijn, voor zover daarvan bij de Onteigeningswet niet is afgeweken. In artikel 3 van de Onteigeningswet is over de mogelijkheid tot tussenkomst in het onteigeningsgeding het volgende bepaald:

1. Als eigenaar van een onroerende zaak, en als rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, worden zij beschouwd, die als zodanig in de basisregistratie kadaster staan vermeld.

2. Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, en niet is gedagvaard, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, pachters, onderpachters, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens artikel 60, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, schuldeisers als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd. Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden betaald.

3. Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden.

3.6 De rechtsoverwegingen 3.3 en 3.6, waartegen middel I zich keert, zijn gebaseerd op het bepaalde in artikel 3, lid 3, van de Onteigeningswet. Artikel 3, lid 3, van de Onteigeningswet heeft de strekking vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen. Daarom laat deze bepaling tussenkomst in deze procedure alleen toe als de hoedanigheid van de tussenkomende partij onweersproken is. De Onteigeningswet stelt in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een tussenkomende partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende te zijn maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft.(4)

3.7 In de rechtsoverwegingen 3.3 en 3.6 heeft de Rechtbank feitelijk vastgesteld dat de daar genoemde hoedanigheden van de tussenkomende partijen worden tegengesproken door de Gemeente. Deze feitelijke vaststellingen van de Rechtbank kunnen de oordelen van de Rechtbank dat de incidentele vorderingen ten aanzien van die hoedanigheden zullen worden afgewezen, zelfstandig dragen. Het middelonderdeel dat klaagt dat het vonnis niet de gronden behelst waarop het rust, omdat is nagelaten de hiervoor in 3.1 genoemde proceshandelingen en gedingstukken weer te geven, faalt naar mijn mening dus ook.

Middel II

3.8 Middel II houdt in dat de Rechtbank het recht heeft geschonden dan wel vormvoorschriften heeft verzuimd, door in rechtsoverweging 3.3 te oordelen dat Latrusco, [eisers 6 en 7] en [eisers 2 t/m 5] hebben verzuimd om naast de door hen overgelegde notariële akten tevens een bewijs van inschrijving van de hypotheekrechten in de openbare registers over te leggen, en dat de Rechtbank dientengevolge niet kan vaststellen dat de vestiging van de hypotheekrechten is voltooid.

Beoordeling van middel II

3.9 Zoals hiervoor in 3.6 is betoogd, laat artikel 3, lid 3, van de Onteigeningswet tussenkomst in de onteigeningsprocedure alleen toe als de hoedanigheid van de tussenkomende partij onweersproken is, en stelt de Onteigeningswet in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een tussenkomende partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende te zijn maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft. In onderdeel 3.3 overweegt de Rechtbank dat zij niet kan vaststellen dat de vestiging van de hypotheekrechten is voltooid, en dat, nu de Gemeente de hypotheekrechten heeft betwist, van de tussenkomende partijen mocht worden verwacht dat zij deze stelling van hun kant volledig hadden onderbouwd. Op grond hiervan is de Rechtbank van oordeel dat de incidentele vorderingen ten aanzien van de hypotheekrechten moeten worden afgewezen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Middel II faalt mijns inziens.

Middel III

3.10 Middel III betoogt dat de Rechtbank het recht heeft geschonden dan wel vormvoorschriften heeft verzuimd, door in rechtsoverweging 3.4 te oordelen dat het pandrecht van Latrusco niet is gevestigd op de te onteigenen percelen, en dat niet is voldaan aan de artikelen 3 en 4 van de Onteigeningswet. Deze overweging is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, aldus middel III, omdat het pandrecht onder andere is gevestigd op, althans betrekking heeft op het ter onteigening aangewezen perceel met nummer [001].

Beoordeling van middel III

3.11 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.4 geoordeeld dat de tussenkomst van Latrusco op basis van een pandrecht ten aanzien van de roerende zaken bij de percelen [003] en [005] moet worden afgewezen. De door middel III bestreden rechtsoverweging heeft dus geen betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie [A], nummer [001]. Middel III faalt.

Middel IV

3.12 Middel IV is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.5 tot en met 3.9. Middel IV betoogt dat de Rechtbank in rechtsoverweging 3.5 ten onrechte verwijst naar het bepaalde in artikel 42, lid 6, van de Onteigeningswet, dat de Rechtbank heeft miskend dat het pandrecht reeds tot stand is gekomen in 2006 conform mondelinge afspraken tussen interveniënten, en dat de Rechtbank [eisers 2 t/m 5] ten onrechte niet als tussenkomende partij in hun hoedanigheid van pachters tot het geding heeft toegelaten.

Beoordeling van middel IV

3.13 In artikel 42a, lid 6, van de Onteigeningswet is bepaald dat aan de pachter geen schadeloosstelling toekomt, indien de pachtovereenkomst werd aangegaan na de terinzagelegging van het onteigeningsplan. In dat geval heeft de pachter een schadevordering op de verpachter. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om het bepalen van de schadeloosstelling, maar om de vraag of de tussenkomende partijen als eigenaars, rechthebbenden of derde belanghebbenden in de zin van artikel 3 van de Onteigeningswet kunnen worden aangemerkt.

3.14 In de akte van levering van 31 augustus 2009(5) is onder meer het volgende opgenomen:

14. Vestiging pachtrecht

Zolang koper de in het koopcontract bedoelde verplichtingen en in het bijzonder met betrekking tot de nadere koopsom van de registergoederen en de delfstoffen nog niet integraal heeft voldaan aan verkoper, heeft koper aan verkoper 1c en zijn echtgenote, [eiseres 3] mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen vanaf heden een pachtrecht voor onbepaalde tijd verstrekt ten laste van het registergoed tegen betaling van een pachtvergoeding ad een euro (€ 1,00) per jaar tot de datum waarop koper al zijn verplichtingen jegens verkoper uit hoofde van het contract integraal is nagekomen en in het bijzonder met betrekking tot hetgeen koper aan verkoper terzake de nadere koopsom voor de registergoederen en de delfstoffen verschuldigd is, althans mocht worden. Partijen zullen op korte termijn conform de in tweeduizend zes gemaakte afspraken een pachtovereenkomst ondertekenen en doen registreren bij de Pachtkamer met in acht name van het voorafgaande.

3.15 De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord met verwijzing naar het bepaalde in artikel 42a, lid 6, van de Onteigeningswet gesteld dat de Gemeente geen schadeloosstelling aan de pachter is verschuldigd en dat, nu de onteigening zelf niet meer kan worden betwist, er voor requiranten tot tussenkomst geen grond is voor tussenkomst. [eisers 2 t/m 5] hebben bij conclusie van repliek gesteld dat zij in 2006 met Latrusco een mondelinge koopovereenkomst hebben gesloten waarbij tevens de vestiging van het pachtrecht en het hypotheekrecht zijn overeengekomen, zodat [eisers 2 t/m 5] een door de Wet gewaarborgd recht en belang hebben om te interveniëren in de onderhavige procedure. Uit de notariële akten blijkt genoegzaam dat het pachtrecht reeds in 2006 mondeling is overeengekomen, aldus de conclusie van repliek. In de onderdelen 9 en 24 van de conclusie van dupliek heeft de Gemeente hierop als volgt gereageerd:

Het lijkt volstrekt onjuist dat al in 2006 een overeenkomst is gesloten. Veelzeggend is daarbij dat [eisers] zowel in de administratieve fase van de onteigening, als tijdens de zitting in het kader van de vervroegde onteigening, als tijdens de voorlopige voorziening bij de rechtbank in het kader van de vervoegde ingebruikname met geen woord hebben gesproken over een al bestaande (koop)overeenkomst uit 2006. Nu requiranten tot tussenkomst weigeren de onderliggende koopovereenkomsten te verstrekken is dit reeds reden om requiranten tot tussenkomst niet tussen te laten in deze procedure.

(...).

Het bestaan van een mondelinge koopovereenkomst uit 2006 is hoogst onaannemelijk. Het valt requiranten tot tussenkomst daarom des te meer te verwijten dat zij achterwege laten de overeenkomsten in het geding te brengen omdat die mogelijk een indicatie bevatten of en zo ja wat er in 2006 zou zijn afgesproken.

3.16 In rechtsoverweging 3.6 heeft de Rechtbank feitelijk vastgesteld dat zij de hoedanigheid van derde-belanghebbenden van [eisers 2 t/m 5] niet heeft kunnen vaststellen en dat deze door de Gemeente Heerlen - gemotiveerd - wordt tegengesproken. Deze oordelen zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen over en weer voor de Rechtbank is gesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3 van de Onteigeningswet heeft de Rechtbank daaraan terecht de gevolgtrekking verbonden dat [eisers 2 t/m 5] niet als tussenkomende partijen in hun hoedanigheid van pachters tot het geding kunnen worden toegelaten. De verwijzing van de Rechtbank in rechtsoverweging 3.5 naar artikel 42, lid 6, in plaats van naar artikel 42a, lid 6, van de Onteigeningswet is een kennelijke verschrijving. Middel IV faalt naar mijn mening dus ook.

Middel V

3.17 Middel V is gericht tegen het oordeel in rechtsoverweging 3.7 dat Latrusco als eigenaresse respectievelijk houdster van een hypotheekrecht op een aantal percelen, die gelegen zijn naast de in de onteigening betrokken percelen, niet kan worden toegelaten als tussenkomende partij, omdat zij in die hoedanigheid niet kan worden aangemerkt als derde belanghebbende ingevolge de Onteigeningswet. Met dit oordeel heeft de Rechtbank het bepaalde in artikel 41 van de Onteigeningswet miskend, aldus middel V.

Beoordeling van middel V

3.18 In artikel 41 van de Onteigeningswet is bepaald dat bij het bepalen van de schadeloosstelling rekening wordt gehouden met de mindere waarde, welke voor niet onteigende goederen van de onteigende het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van zijn goed is. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om het bepalen van de schadeloosstelling, maar om de vraag of Latrusco kan worden toegelaten als tussenkomende partij. De Rechtbank heeft geoordeeld dat een eigenaar van naastgelegen percelen niet kan worden aangemerkt als derde belanghebbende ingevolge de Onteigeningswet. Dit oordeel is mijns inziens juist. Onder de in artikel 3, lid 2, van de Onteigeningswet opgesomde groep derde belanghebbenden valt niet de eigenaar van naast de te onteigenen onroerende zaken gelegen percelen. De opsomming van de rechthebbenden in lid 2 is limitatief. Middel V faalt.

Middel VI

3.19 Middel VI is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in rechtsoverweging 3.8 dat het Latrusco als eigenaar van perceel [001] en [eisers 6 en 7] als de vruchtgebruikers van dat perceel niet meer kan worden toegestaan om zich over de onteigening uit te laten, omdat de Rechtbank bij vonnis van 25 maart 2009 reeds heeft beslist over de onteigening. Dit oordeel is onjuist, aldus middel VI. Het middel betoogt dat de Rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op het arrest HR 22 mei 1985, NJ 1985, 868.

Beoordeling van middel VI

3.20 Artikel 3, lid 2, van de Onteigeningswet bepaalt dat de vordering tot tussenkomst kan worden gedaan, zolang de eindconclusies door partijen niet zijn genomen. Dit betekent in de praktijk dat de conclusie tot tussenkomst moet worden genomen vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het geding wordt genomen. Dus uiterlijk op de dag dat het rapport van de deskundigen voor de rechtbank wordt bepleit.(6)

3.21 In het onderhavige geval is de conclusie tot tussenkomst genomen nadat de Rechtbank het vonnis heeft gewezen, waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken. Naar mijn mening heeft de Rechtbank dus terecht geoordeeld dat partijen niet meer kunnen worden toegelaten zich nog uit te laten over de onteigening. In het arrest van 22 mei 1985, NJ 1985, 868, was sprake van de situatie dat de vordering tot tussenkomst was gedaan voordat het vonnis tot vervroegde onteigening was gewezen. De verwijzing naar dit arrest gaat dus niet op. Middel VI faalt mijns inziens.

Middel VII

3.22 Middel VII is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in rechtsoverweging 3.9 dat de interveniënten zullen worden veroordeeld in de proceskosten van de afzonderlijke incidenten. Middel VII betoogt dat dit oordeel onjuist is, omdat niet alle vorderingen tot tussenkomst zijn afgewezen.

Beoordeling van middel VII

3.23 In artikel 237 van het WBRv is bepaald dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. De interveniënten hebben voor de Rechtbank in een veelheid van hoedanigheden om tussenkomst verzocht. De meerderheid van deze vorderingen heeft niet tot tussenkomst geleid. Het stond de Rechtbank naar mijn mening vrij de interveniënten om die reden te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partijen en hen te veroordelen in de proceskosten. Middel VII faalt naar mijn mening dus ook.

4. Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie dient te worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Maastricht 25 maart 2009, zaaknr. 132695, rolnr. HA ZA 08-902, niet gepubliceerd.

2 Rechtbank Maastricht, 10 maart 2010, zaaknr. 132695, rolnr. HA ZA 08-902, niet gepubliceerd.

3 Het in cassatie bestreden vonnis is van 10 maart 2010. De verklaring bedoeld in artikel 52, lid 3, van de Onteigeningswet is op 16 maart 2010 afgelegd. De in artikel 53 van de Onteigeningswet voorgeschreven betekening en dagvaarding hebben op 30 maart 2010 plaatsgevonden, en er is gedagvaard binnen de in dit artikel aangegeven termijn.

4 HR 14 november 2008, nr. C07/191HR, NJ 2008, 590, r.o. 3.2.4. Zie voorts HR 28 augustus 1934, NJ 1934, 1689.

5 Productie 1 bij de incidentele conclusie tot tussenkomst van [eisers 2 t/m 5].

6 J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, derde druk, Kluwer: Deventer 2003, blz. 43.