Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ7999

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
10/00126
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ7999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzet hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00126

Mr. Hofstee

Zitting: 31 mei 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte=verzoeker]

1. Verzoeker is bij arrest van 26 november 2009 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. primair "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en 90 uren werkstraf, subsidiair 45 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het bewezen verklaarde niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het Hof ten onrechte het door de verdediging gevoerde bewijsverweer - inhoudende dat een ander dan verzoeker verantwoordelijk kan worden gesteld voor de in het pand aangetroffen hennepkwekerij - heeft verworpen, dan wel dat de bewezenverklaring van de beide feiten in het licht van dat verweer onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezen verklaard dat:

"1:

hij in de periode van 01 januari 2007 tot en met 09 april 2007 te Rotterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2:

Hij op 10 april 2007 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

5. De bewezenverklaring van deze twee feiten steunt op de navolgende bewijsmiddelen:

"(...)

1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2009 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Het klopt dat ik in de periode van 1 januari 2007 tot en met 9 april 2007 eigenaar was van de woning aan de [a-straat 1a] te Rotterdam. Ik heb het pand regelmatig gecontroleerd. Ik ben eind 2006 voor het laatst bij de woning gaan kijken. Ik kon toen de woonruimte niet meer in, omdat er nieuwe sloten waren geplaatst.

2. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007124363-4, d.d. 12 april 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 5 april 2007 kwam bij de politie Rotterdam Rijnmond een klacht binnen betreffende stankoverlast. De stank zou een zeer zware henneplucht betreffen. Het adres [a-straat 1a] te Rotterdam kwam naar voren als mogelijke locatie van een

hennepkwekerij. Ik, verbalisant [verbalisant 1], verricht[t]e in samenwerking met [betrokkene 1], medewerker van Eneco, ter plaatse een vervolgonderzoek, door het meten van het energieverbruik van de bovenliggende woningen. Er werd een verbruik gemeten van 43 ampère, welke ver boven het normale gebruik van 1 à 2 ampère ligt. De stijgkabel voelde zeer warm aan. [Betrokkene 1] omschreef deze situatie als gevaarlijk. Op 10 april 2007 betraden wij de woning [a-straat 1a]. Op de tweede woonlaag zagen wij in de kamerruimten 1, 2 en 3 zogenaamde hennepkweekinrichtingen. Wij zagen in kweekruimte 1 107 hennepplanten. Wij zagen in kweekruimte 3 146 hennepplanten staan. Wij herkenden de hennepplanten aan de lancetvormige bladeren en de kenmerkende henneplucht. Met hennep bedoelen wij de plant welke op lijst 2 van de Opiumwet wordt genoemd. Wij zagen dat deze hennepplanten geplant waren. in plantenpotten, welke tuinaarde gemengd met piepschuimkorrels als groeisubstraat hadden.

In kweekruimtes 1 en 3 troffen wij behoudens de hennepplanten vervuilde koolstoffilters aan, in ruimte 2 zagen wij sporen van plantenpotten, assimilatielampen en een nieuwe koolstoffilter. De daar verder aanwezige goederen toonden sporen die op langdurig gebruik duidden. Wij troffen in de woning ook zakken met gebruikte tuinaarde aan. Een en ander duidt erop dat in de woning al langere tijd hennep wordt geteeld, wij schatten minimaal 3 oogsten.

3. Een geschrift, zijnde een rapportage Diefstal Energie d.d. 16 april 2007, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1]. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Ik ben in dienst van Eneco Energie Services BV. Op 10 april 2007 was ik met politieambtenaren van politie Rotterdam Rijnmond bij het pand [a-straat 1a] te Rotterdam. Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een dikke laag stof zaten. Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters waren door het gebruik in de hennepkwekerijen vervuild op een wijze dat de filters minimaal twee hennepoogsten in werking zijn geweest. Op de vloer in de hennepkwekerijen zag ik afvalbladeren en resten van hennepplanten liggen, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst. Ik zag dat het zeil dat op de vloer lag voorzien was van een dikke kalkaanslag. Ook zag ik een grote hoeveelheid vuilniszakken staan, gevuld met restkluiten met afgeknipte steel en wortel van hennepplanten.

Gelet op bovenstaande bevindingen waren deze hennepkwekerijen al een geruime periode in het pand aanwezig. De in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten waren ongeveer 14 dagen oud.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen worden ook in onderdelen slechts gebruikt ten bewijze van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud kennelijk betrekking hebben.

Bewijsoverweging

Het is een feit van algemene bekendheid dat voor 1 hennepoogst een teelperiode van circa 10 weken benodigd is.

(...)"

6. Naar aanleiding van het verweer van de verdediging dat verzoeker geen (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van de hem tenlastegelegde feiten nu verzoeker niet wist dat in het bij hem in eigendom zijnde, maar door hem verhuurde pand een hennepkwekerij aanwezig was, heeft het Hof het volgende overwogen:

"Het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen was in de bewezenverklaarde periode eigendom van de verdachte. Nu de verdachte slechts heeft gesteld, maar geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat een ander dan hij verantwoordelijk gesteld kan worden voor de in het pand van de verdachte aangetroffen hennepkwekerij, is het de verdachte die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt, temeer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard regelmatig het pand te hebben gecontroleerd totdat dat naar zijn zeggen door de afsluiting niet gemakkelijk meer was. Derhalve verwerpt het hof het verweer."

7. Kennelijk is het Hof van oordeel dat verzoeker in zijn hoedanigheid van eigenaar van het (door hem verhuurde) pand verantwoordelijk kan worden gesteld voor - en aldus opzet heeft gehad op - de aanwezigheid van de daarin aangetroffen hennepkwekerij, enkel omdat van hem als eigenaar mocht worden verwacht voldoende toezicht te hebben gehouden op hetgeen zich afspeelde in dat pand, ook nadat er nieuwe sloten waren geplaatst en verzoeker de woonruimte niet meer in kon. Ik meen echter dat in deze omstandigheden geen (voorwaardelijk) opzet besloten ligt.(1) Andere feiten en omstandigheden op grond waarvan verzoeker kan worden gezegd ten minste voorwaardelijk opzet te hebben gehad op de aanwezigheid van de hennepkwekerij, zijn door het Hof niet tot uitdrukking gebracht en blijken evenmin uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Derhalve is de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

8. Het middel is terecht voorgesteld.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde daar op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 3 november 2009, LJN BJ6944, NJ 2010, 336 m.nt. Borgers, HR 3 november 2009, LJN BJ6931 en HR 8 februari 2005, LJN AR8217.